Ernst Jansz – Molenbeekstraat. Boek en CD

Ernst JanszERNST JANSZ
Molenbeekstraat. Een liefdeslied – Boek en CD

Nederland – Nederlands Indië, Biografische roman, 1948-1970
Ingenaaid met flappen, 272 blz. met Liedteksten en incl. 16 fotopagina’s € 28,50
ISBN 90-6265-579-3
Eerste druk 2006

De Amsterdamse Molenbeekstraat, Ernst Jansz werd er geboren en woonde er tot zijn 21ste, is de plek waar de hoofdstukken in dit boek, die dezelfde titels dragen als de 14 nummers op de bijgevoegde CD, zich afspelen of hun oorsprong vinden. Want behalve over leven en liefdes van de verteller, Ernst, gaat Molenbeekstraat ook over de andere bewoners van ‘dit huis boven de grote portiek’, met name over het lief en leed van zijn moeder Jopie en zijn Indische vader Rudi. Beide verhalen zijn een ontroerend, en soms tragisch, liefdeslied.
Jansz ziet zijn eigen jeugd tot in detail terug als hij het huis leegruimt bij het vertrek van zijn moeder naar een verzorgingstehuis. Van kleuterschool tot universiteit in de woelige jaren zestig, van geluk en verdriet, van samen op pad met zijn vader tot diens dood toen hijzelf nog maar een jongen van zeventien was, van vroege vriendinnetjes tot een allereerste liefde, die hij zich in datzelfde jaar laat ontglippen, van dwalend van feest naar feest tot liftend naar het buitenland, van luisteren naar Blonde on Blonde en De Stones tot het eerste eigen bandje met zijn vrienden Huib en Joost.
Maar ook het leven van zijn ouders trekt aan hem voorbij als hij de laatste dozen opent met tal van brieven, foto’s en spulletjes. Hun ontwapende verliefdheid eind jaren dertig, zo op de proef gesteld door de oorlog die hen in het verzet dwingt, het trauma dat Rudi daar later steeds zichtbaarder aan overhoudt, Rudi’s eenzame strijd voor een vrij Indonesië, hun huwelijk van 1940 tot Rudi’s dood in 1965, dat evenwel korte tijd ontbonden was.

Zie voor CD ook www.V2music.nl

Ewald Vanvugt – De verovering van Bali. Documentaire reisroman

Ewald VanvugtEwald Vanvugt
De verovering van Bali

Nederland – Nederlands Indië, Documentaire reisroman
Gebonden, 15.8 x 24.1 , 336 blz., geïllustreerd met 55 historische foto’s, € 22,50
ISBN 90-6265-578-5
Eerste druk 2006

De verovering van Bali is het verhaal van de vrouw die stierf van schaamte, omdat ze een Nederlandse was, en van de honderden mensen die stierven van trots, omdat ze Baliërs waren. Deze documentaire reisroman, eerder verschenen onder de titel De val van Bali, vertelt tevens over de vriendschap tussen een ‘vrij man’ en een ‘huurling’ – op de spits gedreven tijdens een exotisch avontuur dat uitliep op een koloniaal oorlogje…

In deze herziene editie worden de ware gebeurtenissen in de roman verteld met directe citaten van ooggetuigen en met ruim 50 historische foto’s door H.M. van Weede, die hier voor het eerst worden gepubliceerd. Op 8 november 1906 zei de Indië-expert H.H. van Kol in de Tweede Kamer: “Moge, naar aanleiding van de slachting op Bali, die droeve gebeurtenissen in Badoeng geen onheil brengen over Nederlandsch-Indië en zijn bestuur. Doch een heilige plicht blijft op ons rusten om vergeving te vinden voor die vreselijke feiten op de twintigste september 1906, een datum die ik wel zou willen wegwissen uit onze historie.”

De verovering van Bali bevat een nieuw Nawoord met de precieze verantwoording van de bronnen. Bovendien valt Vanvugt de door de overheid betaalde geschiedschrijvers aan, die over het buitensporige geweld en de massa’s slachtoffers van de Nederlandse koloniale oorlogen nog altijd deftig zwijgen.

American Express Tourism Media Award 2006

De uitreiking van deze voor het Caribisch gebied belangrijke onderscheiding vond plaats op 27 juni tijdens de CHIC, de Caribbean Hotel Industry Conference in Miami. De criteria voor deze award zijn: originality of the subject; quality of the investigation/research; quality of treatment; ability to relate tourism to social, economic and environmental issues; and potential impact on the public and policy makers.

‘Hans Vaders wrote a series of 30 articles entitled ‘Otrobanda’ published in the Antilliaans Dagblad over a period of six months. He traces the impact of socially-responsible development in the reemergence of the small community of Otrobanda, a formely troubled and impoverished city district situated on the harbor that has been designated a World Heritage Site by Unesco.’

‘The Otrobanda series offers a very real look at sustainable tourism in practice – and in terms we can all relate to.’ – Dianelys Rodrí­guez, VP of Establisment Services – Latin America & Caribbean

Tourism Jounalism Award 2006 (Curaçao) voor Hans Vaders

De Chata, de Curaçao Hospitality and Tourism Association heeft voor de elfde keer de prestigieuze Tourism Journalism Award uitgereikt. De onderscheiding voor 2006 ging naar auteur Hans Vaders voor zijn reeks van 30 verhalen in het Antilliaans Dagblad over de rebelse buurt Otrobanda, een wijk die hoteleigenaar Jacob Gelt Dekker van Kuri Hulanda bij zijn komst omschreef als een ‘Somalisch oorlogsgebied’ en die sinds enkele jaren in optima forma toeristisch wordt ontwikkeld. Otrobanda speelde in de Antilliaanse literatuur tot dusver alleen een rol in Boeli van Leeuwens roman Schilden van leem en vooral in Erich Zielinski’s De Engelenbron. Uitgeverij In de Knipscheer is voornemens in najaar 2006 de verhalen in boekvorm te bundelen onder de titel «Otrobanda».

Ngugi wa Thiong’o – Slechts een korrel graan. Roman

90-6265-364-2NGUGI WA THIONG’O
Slechts een korrel graan

Roman, Kenia
de Afrikaanse Bibliotheek
Vertaling: Lieke Frese
Nawoord: Jan Kees van de Werk
Paperback, 316 blz. € 16,50
ISBN 978-90-6265-364-5
Tweede druk 1992

Ngugi wa Thiong’o herschept in zijn romans de geschiedenis van Kenia en brengt inspirerend de vrijheidsstrijders weer in levende herinnering. Zijn grote roman Slechts een korrel graan werd drie jaar na de onafhankelijkheid van Kenia gepubliceerd en behoort inmiddels tot de ‘klassieken’ van de Afrikaanse literatuur.
De roman speelt zich af op het snijpunt van de machtswisseling. De Engelsen vertrekken. Hoe zal het nieuwe bewind de gewonnen vrijheid verwerken? Ngugi onthult de verborgen barsten in de geloofwaardigheid van de bereikte vrijheid, toont de scheuren van het verraad aan de Mau Mau-strijders en waarschuwt voor de kater na de Uhuru-roes. Sinds 1982, één jaar na het verschijnen van zijn epische roman Bloesems van bloed, is Ngugi uit Kenia verbannen, is hij woordvoerder van de ondergrondse oppositiebeweging Mwakenya en is zijn roman Slechts een korrel graan van profetie tot actualiteit geworden.

«Een spannend boek, behorend tot het beste uit de Afrikaanse literatuur.» – De Volkskrant

«Een universele roman die niet aan evocatieve kracht heeft ingeboet.» – NRC Handelsblad

«Ngugi wa Thiong’o bewijst, zo dat al nodig is, dat Afrikaanse literatuur leesavontuur van de eerste orde biedt.» – Vrij Nederland
Meer over Ngugi wa Thiong’o

Ngugi wa Thiong’o – Bloesems van bloed

90-6265-236-0NGUGI WA THIONG’O
Bloesems van bloed
Kenia, Roman
de Afrikaanse Bibliotheek
Vertaling: Annelies & Karel Roskam
Nawoord Jan Kees van de Werk
Paperback, 552 blz., € 20,–
ISBN 978-90-6265-236-5
Eerste druk 1988

De moord op drie vooraanstaande inwoners in een bordeel vormt het begin van een tocht langs mythe en werkelijkheid. Tot de ontknoping van het drama voert Ngugi wa Thiong’o (Limuru, Kenia, 1938) de lezer mee door dorpen en steden, over de barre hoogvlakte en door de bergen en dalen der menselijke emoties.
Een voormalige Mau Mau-strijder, een onderwijzer, een prostituee en een vakbondsman zijn de verdachten. Door te verhalen over de levens van slachtoffers en verdachten, geeft Ngugi een indrukwekkend beeld van de wederwaardigheden van zijn volk voor, tijdens en na de onafhankelijkheidsstrijd. Zijn diepe verbondenheid met de mensen, zijn afkeer van wreedheid en onrecht maken dat hij de lotgevallen van de inwoners van een Keniaas dorp tot een boeiend en universeel verhaal verwerkt. Gebruik makend van satire en metafoor, fel realistisch en met een zeldzame poëtische kracht heeft Ngugi wa Thiong’o met Bloesems van bloed een epische roman geschreven die het menselijke gezicht van de geschiedenis van Oost-Afrika benadrukt en die een groots moment in de wereldliteratuur werd.

Ngugi wat Thiong’o heeft zeven romans, tal van kinderboeken, toneelstukken, verhalen en essays gepubliceerd.

«Een aangrijpend boek… subtiel en eigenzinnig; zonder zich af te zetten tegen de Engelse literaire traditie verrijkt Ngugi zijn werk met vele geslaagde en van taaldwang bevrijde vernieuwingen.». The Sunday Times

Hans Vaders in De Tweede Ronde

In het ‘winternummer’ van De Tweede Ronde (Tijdschrift voor literatuur, uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, januari 2005) is werk opgenomen van drie auteurs uit het fonds van In de Knipscheer. Klaas Jager, van wie in 2004 Klipgeiten verscheen, komt met twee nieuwe gedichten: Spiegel van de werkelijkheid? en Houden van het imperfecte. Van Hans Plomp is het verhaal Op koninklijk bezoek opgenomen, dat prachtig aansluit bij zijn verhalen uit In India. Hans Vaders (Curaçao), schrijver van de roman Tropische winters, debuteert als dichter eveneens met twee gedichten: De banneling en Hotel Maracaibo.

Hotel Maracaibo

Toen…ja toen in korte
weemoedige nacht,
verrot klokhuis vol genot,
tijd stilstond als de kapotte klok
in berucht hotel Maracaibo
en de immer heilige madelief Magda,
in besloten misdienst devoot
en langdurig werd bezeten;

In tempu di su ten,
tijd van weleer en toch weer geleend,
zijn sterren vluchtig en transparant,
wijde wijnzakken vol fijn gewreven
kristallen luchters.

Weer overvalt een wassende maan
de zwevende wereld, de kwetsbare
buik van een stad vol ingewijden.

Hotel Maracaibo is berooide haven,
het uitgelezen testament van karsokov
met zijn bruid, de volle bruine fles;

voor de barbier met geslepen mes
en tang om tand en tijd te slijten;
voor de bruut met zijn bijvrouw,
die hij bedreigt en zeer berouwt.

Elk drinkt rum en slaapt
met zijn favoriete meisje.
Maar waarom dan toch
die universele kilte,
gehuiver in flinterdunne dracht?

Een glimlachende geisha,
die niets heeft en alles wil bezitten,
grijpt warmbloedig naar onwillig bot.
In klamme kamers, waar
kakkerlak matroos regeert
op vele potsierlijke poten,
wordt oude zonde opgerakeld
tot traag vuur uit een vochtige tak,
een nat spoor uit zee.

Herinnering vervluchtigt slechts,
een bij voorbaat verloren, vuile oorlog,
tot luie lucht in de dolende ziel,
wanneer zij door vervlogen tijd
wordt ontmaskerd en ontleed.

Dwingende herinnering knaagt
alom aan het nabije verleden;
de hongerige rijstrat knaagt gestaag
aan het verboden kruid.

Verdrongen historie wordt
onverwacht opgeklopt tot heden.
Wie niet leeft, bestaat niet meer.
Wie zijn verleden vergeet,
keert nooit weer,
nooit weer naar het eiland,
niet naar de havenstad,
niet naar het hotel aan de kaai.

De banneling

Soms dacht ik, dat ik
de jonge jezus was.

Maar christus, wat is
mij nu nog gebleven
na het ontluisterd paradijs,
eens het mijne, enig bewijs en
middel van bestaan?

Ogenschijnlijk wijzigt niets zich,
in een hemel bezaaid met
vers gestrooid sterrengruis
en nog steeds en voor niemendal
danst de zondebok met de zwarte
clerus in vers gekerstende velden.

Wanneer de oude banneling rust
in naaldpulp zo kil en koud,
paren bange bosdieren schielijk,
balkend en licht ontstemd,

En kan hij, de wezenlijke,
de echte verlosser in exil,
slechts in staccato stamelen,
de gezwollen liefdeslippen praalziek
getuit van smart en koortsig paars:

María, ik had je lief, zo lief was je;
omarmden toch je roomblanke dijen
mijn naaktheid, mijn schuldig lichaam niet
onder het mij zo dierbaar bloedend hout?

Haïti

Staatsgrepen en machtswisselingen in Haïti. O.a. de Cubaanse schrijver Alejo Carpentier en de Curaçaose auteur Hans Vaders schreven erover. Carpentiers fascinerende roman Het koninkrijk van deze wereld gaat over de slavenopstand in het begin van de 19de eeuw. De bloedige rellen in het Haïti ten tijde van Baby Doc Duvalier worden tegelijk beklemmend en hilarisch beschreven in een ooggetuigenverslag van de hoofdpersoon in Tropische winters.

HOOFDSTUK 7

Dit is het Haïti van Marcella Maria. Dit is het vroegere Franse St. Dominque en tevens het armste land van de Caribische regio.
Vlucht 411 van de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij is deze regenachtige namiddag, in februari 1986, de laatste carrier, die wordt afgehandeld op dr. François Duvalier, de internationale luchthaven van hoofdstad Port-au-Prince.
Een mooie, stenen plaquette in de snikhete, smerige aankomsthal dringt zich op aan de aankomende reiziger: Mijn vader heeft de politieke revolutie geleid, ik zal voorgaan in de economische revolutie. Ondertekend: Jean Claude Duvalier, de 34-jarige president voor het leven en al zon vijftien jaar bijzonder actief om het beperkte staatsbudget van deze Parel van de Cariben te verteren in zonnige, mondaine resorts en peperdure ski-oorden, sinds hij in 1971 zijn vader, de beruchte voodoo-magiër en ex-plattelandsarts Papa Doc opvolgde.
Vanuit de rammelende taxi op weg van het vliegveld naar de stad, lijkt het leven zich ziet Alex enigszins genormaliseerd te hebben na een serie van hevige onlusten tegen playboypresident Baby Doc Duvalier. Zo vielen bij bloedige rellen in het stadje Gonazues op zo’n 150 kilometer afstand van Port-au-Prince in de maanden november tot januari ettelijke doden en gewonden, waaronder een groot aantal jeugdige scholieren.
De situatie in de noordelijk kustplaats Cap Haïtien, een historisch oord van onrust, is zoals gewoonlijk gespannen. De kleine airstrip is gesloten voor alle verkeer. Ruim 200 Amerikaanse toeristen van middelbare leeftijd zitten gelaten en wat angstig bij Le Cap vast in hun hotels en kunnen geen kant meer op.
In de avonduren loopt Alex de stad in richting haven. Het regent, zachtjes, maar met regelmaat. Er is door de junta nog geen officiële avondklok ingesteld voor Port-au-Prince en omstreken, maar iedereen wordt via de radiostations gesommeerd zich onder geen beding op straat te vertonen. Port-au-Prince biedt deze dinsdagavond een onheilspellende aanblik. Verlichting is schaars. De open riolen, waarin talloze dode ratten en grotesk opgezette hondenkadavers drijven, stinken pregnant en er is geen noemenswaardig verkeer in deze anders zo drukke metropool met haar 1 miljoen inwoners, waarvan er zon 450.000 daadwerkelijk staan geregistreerd. De handelaren hebben hun negotie gesloten met zware, stalen rolluiken.
Inderdaad waagt vrijwel niemand zich op straat, bevreesd voor de zwaarbewapende patrouilles van het reguliere leger en de spijkerharde zolen van de tontons macoutes, de ronduit wreed optredende privé-politie van alleenheerser Duvalier.
Alleen de Roxy Bar bij de zeehaven naast het pompeuze douanekantoor naar Frans model is geopend. Eens had deze bar een Duitse eigenaar met een glazen oog en een stompje arm met de karakteristieke haak van roestvrij staal.
Stalingrad in 1942 en die eerste verschrikkelijke wintermaanden van 1943. Maarschalk Von Paulus had het als enige wel mooi voor elkaar. Die favoriet van Hitler werd in een comfortabele Russische limousine afgevoerd. Stevig wodka drinken met kameraad Stalin. Gezellig eten. Daarna, kort na de inname van Berlijn, regelrecht richting Heimat. Dus geen bevroren voeten. Geen arm die langzaam afsterft, zwart wordt, zonder verdoving moet worden geamputeerd met een bot vleesmes. Mijn vroegere landgenoten hadden geen enkele notie van de goelag van de Grote IJsweg, het kanaal dat door ons dwangarbeiders, Duitsers, Italianen en Japanners, werd gegraven naar de Noordelijke IJszee. Ik beschouw mij als één van de weinige survivors van de commies. Haïti kan ik nog net aan. Fidel Castro niet meer. Ik heb in de barre herfst van 1948 van Moskou naar Berlijn moeten lopen. Barrevoets! Thuis, in Dresden, was er niets meer. Een grote puinhoop. Verder niets! Toen ben ik maar naar de Caribbean vertrokken.
Deze eigenaar van de Roxy Bar, die handelde in zeldzame nazi-relikwieën en Alex bij een vorig bezoek aan Haïti wel eens authentieke volkskunst onder de gangbare prijs van de gevestigde handel aanbood, is naar alle waarschijnlijkheid met een volle geldkist vertrokken richting Santo Domingo.
Slechts een Amstel-bierreclame, in een land waar geen Amstel te verkrijgen valt, een Hollandse molen tegen de verveloze façade en het sierlijke opschrift Gastwirtschaft duiden nog op zijn vroegere aanwezigheid.
De nieuwe patron sympathiseert overduidelijk met de macoutes. Het hele dranklokaal is dan ook tot hun tijdelijke speelkwartier gemaakt. Aan een lange besmeurde tafel, afgeladen met lege rumflessen en allerhande wapentuig, zitten een stuk of twintig miserables tussen opgedirkte Dominicaanse hoeren. De nering staat blauw van de rook van Gauloises.
Van achter uit de bedompte, klef-warme nering waar condenswater lang de muren sijpelt, komt, heen en weer zwaaiend op zijn wankele benen, een grote, gespierde macoute op mij af. In zijn rechtervuist balt hij een uzi-machinepistool. In de broekband steekt een revolver zonder veiligheidspal en een clip met reservepatronen.
De man is kennelijk stomdronken en nerveus tot in de toppen van zijn vingers.
Hij snauwt mij, terwijl hij zijn revolver met een klap op de tafel dreunt, in nauwelijks te verstaan, rauw Frans patois toe dat ik meteen moet opdonderen, anders kunnen we een leerzame les verwachten. Maar wanneer ik de beschonken geweldenaar een Prestige-bier aanbied, in licentie gebrouwen volgens het recept van Alfred Heineken, neemt hij stuurs, de kille ogen constant op mij gericht de treat aan en kan ik rustig op mijn plastic stoeltje blijven zitten.

Robert Heinz van het in Londen gevestigde Glosbraid Co.Ltd., zoals uit zijn glossy kaartje blijkt, is een vaste klant. Heinz zegt Belg te zijn en doet zaken met het vigerende regime.
Dat is éé©n van de moordenaars van Duvalier, weet hij op te merken over mijn eerste gesprekspartner.
Heinz is weinig mededeelzaam over zijn eigen professie. Hij doet, naar hij zegt, iets in specialistisch gereedschap. Een rasechte wapenhandelaar, gerelateerd aan de Belgische Fabrique National des Armes, zou een betere kwalificatie zijn.
We maken in ieder geval een afspraak voor de volgende dag om over zijn branche te praten, maar ik zal hem niet meer zien.
Intussen rijden de macoutes af en aan in hun jeeps van Amerikaanse makelij. Na een korte patrouille van een half uur komen ze weer terug om door te drinken. De sfeer is somber, enigszins macaber. Er hangt iets onvoorspelbaars in de lucht. Robert zit maar wat voor zich uit te staren. Mistroostig klaagt hij over de lage productiviteit van de Haïtiaanse arbeidskrachten. Hij heeft wel begrip voor de vraag om wat meer democratie, maar de mensen kunnen toch niets beginnen tegen het leger, is zijn berustende conclusie.
Terug in mijn hotel, na een eenzame tocht door de donkere stad, de groepjes zwijgende soldaten, die mij in diep wantrouwen nastaren, vriendelijk groetend, blijkt het diner van de kaart geschrapt en de bar uit voorzorg dichtgespijkerd.
Je hoort zo nu en dan geweerschoten, waarvan het droge, scherpe geluid door de muisstille nacht sinister ver reikt. President Jean Claude Duvalier zit op tweehonderd meter afstand in zijn witte, neoclassicistische paleis aan de Rue de la République. Pas later zal bekend worden, dat de ambassadeurs van de Verenigde Staten, Frankrijk, Jamaica en de chef-staf van het leger, generaal Henri Namphy, samen met zijn onafscheidelijke schaduw kolonel Raoul Cedras, hem daar, juist op dat moment, gezelschap houden, een glas superieure Franse cognac in de hand.
De bolle aap zit in zijn luxe hol en wacht af, schampert mijn gezette hoteleigenaar. In de levensgrote ijskast in de keuken van het Park Hotel ligt welgeteld één gehalveerde, beschimmelde komkommer en een fles met een staartje Beaujolais. De supermarkten zijn gesloten. Er komt geen voedsel meer uit de provincie. De eigenaar heeft nog een boterham met Smac voor me. Terwijl ik die eet wordt weer gevuurd vanuit de armenwijken Delmas en Bel Air, waar Duvalier de zondag daarvoor tijdens een rondrit met stenen werd bekogeld.
De grens met de Dominicaanse Republiek blijft ook de volgende dag dicht. De scholen zijn gesloten sinds de scholierenstaking van begin januari. Wanneer je mensen bij de centrale markt, Le marché en fer, in Rue Dessalines aanspreekt, zijn ze bang om zich te uiten. Iemand die Frans spreekt, maar zich overduidelijk gedraagt als een outsider, is op z’n minst verdacht, zoniet op termijn levensgevaarlijk. Veiligheidstroepen controleren de zijstraten en politie in burger mengt zich onder de schaarse, armoedig geklede marktvrouwen en de vervuilde, bedelende kinderen.
Af en toe knalt het en dan stuift de menigte, in een mooie waaiervorm, door paniek gedreven uit elkaar.
De president voor het leven, opgevoed door Duitse jezuïeten, zit in zijn paleis en sleutelt volgens zeggen aan zijn gloednieuwe, rode Harley Davidson.
In december had de motorfan met zijn vorige exemplaar nog een onverklaarbaar ongelukje, waarbij vier kippen en een jongetje op de kustweg naar Gonazues met een snelheid van 140 kilometer werden geplet. De kippen werden de eigenaar overigens vergoed.
Inmiddels staan voor het Witte Huis van Haïti op het perfect gemaaide grasveld twee stuks blinkend veldgeschut in het hete zonlicht. De radar, bij de zendmasten op het dak, draait op volle toeren in het rond.
Bij de meeste hotels is het rustig. Er zijn immers geen toeristen meer. Alleen wat Amerikaanse stringers, die niet naar de voor Ferdinand Marcos zo fataal verlopende verkiezingen op de Filipijnen zijn afgereisd.
Er wordt gefluisterd dat het getergde, hongerige volk zich opmaakt voor een nieuwe uitbarsting van geweld wanneer het Mardi Gras, het Haïtiaanse carnaval over enige dagen zal worden gevierd. Tenminste, wanneer de regering de festiviteiten niet verbiedt. De president heeft in een officiële verklaring te kennen gegeven dat hij het ongeduld van zijn volk begrijpt. Tevens constateert Duvalier, dat er op Haïti nog steeds te weinig wordt verdiend, dat er nu eindelijk iets moet worden gedaan aan de werkloosheid van 50 procent en dat de gezondheidszorg in het land, waar de gemiddelde man niet ouder wordt dan 48 jaar, moet worden gereorganiseerd.
De rijkdom in ons mooie, maar arme land is shockerend ongelijk verdeeld, aldus de absolute bewindsman. Duidelijk wordt deze woensdag evenwel, dat de dictator slechts kan regeren bij de gratie van Defensie-minister generaal Pierre Merceron en de gehate politiechefs van Port-au-Prince Grégoire Figaro en Michel François.
De grimmige politie- en legerkazernes, bevolkt door 4000 man elitetroepen, liggen langs de vier zijden van de hoekige presidentiële residentie. De hotels aan de Champs de Mars, waaronder het Park Hotel en Holiday Inn Le Plaza, zijn zodanig gebouwd, dat het schootsveld richting paleis vrijwel nihil is.
Bij de kathedraal van Port-au-Prince, waar een in ongenade gevallen, ietwat schuwe, politieke priester genaamd Jean Bertrand Aristide dag en nacht werkt ten behoeve van de Haïtiaanse armen, valt weinig te melden. De clerus heeft de bevolking officieel opgeroepen de kalmte te bewaren en het liefst thuis te blijven. Een bewogen Aristide vertelt mij, dat de met dumdumkogels doorboorde lichamen van de slachtoffers van de afgelopen nacht inmiddels zonder enige vorm van proces op de vuilnishopen aan de periferie van de stad zijn gesmeten. Hiertegen heeft de zachtmoedige geestelijke protest aangetekend, maar hij kreeg van zijn bisschop als kort commentaar, dat men dit nu eenmaal met misdadige elementen, protesterende avonturiers en onverbeterlijke plunderaars pleegt te doen. Waar dacht de priester zich eigenlijk mee te bemoeien?

Pater Aarts, een Nederlandse salesiaan van Don Bosco, die in de Rue Dessalines tegenover de Mazda-vestiging kantoor houdt, bevestigt ten dele het verhaal van de gebrilde, tengere priester, die eens de eerste democratische verkozen president van Haïti zal worden.
Aarts zegt dat gewoonlijk alleen bedelaars en straatarme landarbeiders als nutteloze waar op de vuilnisstortplaatsen worden gedumpt. Soms zorgt de kerk voor een eenvoudige begrafenis, aldus de bejaarde missionaris.
In de vroege avond, tegen een schitterende zonsondergang die diffuus breekt op de nabije scherpgetande bergen, loop ik in de krottenwijk Bel Air. Verlichting is hier een onbekend fenomeen. Er is niemand op straat te zien, behalve natuurlijk de constant patrouillerende militie. Het riekt in de zwarte blubberstegen naar een misselijk makende combinatie van houtskoolrook, rottende vis, menselijke uitwerpselen en zweet.
Onder de dreigende geweerlopen van de soldaten is Port-au-Prince, een stad die qua inwonertal te vergelijken valt met Dallas, Texas, inderdaad de veiligste stad ter wereld, zoals al jaren in kleurige toeristische folders over het land te lezen viel.
Op de staatstelevisie wordt het de Amerikaanse regering in Washington bijzonder kwalijk genomen, dat woordvoerder Larry Speakes van het Witte Huis ten onrechte het gerucht in de omloop zou hebben gebracht dat Duvalier het land met stille trom heeft verlaten.
Een echte Duvalier vlucht niet, wordt beklemtoond.
De Verenigde Staten doen een perfide poging om een machtsvacuum in Haïti te creëren.
Bij de centrale markt is vandaag met knuppels een spontane betoging van marktkooplieden uiteengeslagen door tontons macoutes. De hoofdstad lijdt gebrek. Er is nauwelijks nog enig voedsel te verkrijgen. Geen brood, geen maïsmeel, laat staan wat geitenvlees.
De algemene opinie luidt, dat Baby Doc belangrijke concessies heeft gedaan aan het oppermachtige leger om de situatie het hoofd te kunnen bieden. Kort na zonsondergang neemt het geweervuur weer toe. Het wordt in principe al bijna normaal, een vertrouwde gang van zaken, dat droge, dodelijke geluid. Op het dak van het Park Hotel tikt het af en toe bij de afzwaaiers.
Het leger rijdt met volle, geblindeerde vrachtwagens, gedekt door het duister, de volkswijken in voor een nieuwe razzia.

Bij officieel regeringsdecreet moeten de winkels koste wat kost op donderdagmorgen open, op straffe van een uitzonderlijk hoge geldboete of onmiddellijke arrestatie bij verdere weigering. Maar niemand denkt eraan zijn deuren voor het publiek te openen. De gemiddelde middenstander kijkt wel uit. Heel Port-au-Prince lijkt te zijn stilgevallen in afwachtende lethargie. Een stilte voor de storm.
Deze mensen, benadrukt Ronald Joanouel, een jonge student aan het Institute Polytechnique bij de Rue Capois, met enig gevoel voor pathetiek, deze mensen drinken modderwater als wilde beesten, ze schurken zich in de modder om zich van hun luizen te ontdoen, ze hebben nachtmerries in die modderpoel, ze voeden zich als varkens en als koortsige, doodzieke varkens liggen ze uiteindelijk in de goot op hun einde te wachten. En wanneer ze geluk hebben worden ze door de tontons, die hen eerst nog hun laatste gourdes afhandig hebben gemaakt, afgeslacht. In Haïti you always die before your time.
Je weet eigenlijk niet precies wie die tontons zijn. Je kunt slechts een vermoeden hebben. Ze kunnen naast je wonen of een kraam op de markt hebben. Het kan ook de praatgrage chauffeur van een busje zijn. Maar een ding is nu zeker… het volk eist het hoofd van Jean Claude en zijn vrouw Michelle Bennett op een lange staak!
De Duitse consul-generaal dr. Bernd Morast komt bepakt, bezakt en uiterst bezweet en moe, want hij heeft de laatste kilometers moeten lopen, met zijn zware koffers de lobby van het Park Hotel weer binnengewankeld, na een vergeefse tocht naar de internationale luchthaven, vanwaar hij naar zijn standplaats New York wilde vertrekken. De beroepsdiplomaat weet mij te melden dat zijn vlucht is gecancelled, maar dat de reden voor dit onwelkome uitstel op de luchthaven niet bekend is. Een telefonisch gesprek met de Duitse ambassadeur verschaft hem meer duidelijkheid.
Alle vliegverkeer is tot nader order gestaakt.
Morast ligt lijdzaam op een gerafeld groen veldbed voor het lege zwembad. Hier voeg ik mij na korte tijd bij hem. Het wordt een bijzonder plezierige namiddag. Eten is er niet. Prestige-bier tegen vooroorlogse prijzen in overvloed. Morast leest een paar hoofdstukken uit The Black Jacobins, een klassiek boek van C.L.R. James over Haïti.
Hij citeert: Duvalier of Haïti is the uncrowned king of Latin American barbarism. It is widely believed that despite the corruption of his régime, it is American support which keeps him in power: better Duvalier than another Castro.
We drinken het lauwe bier. De zon schijnt fel. Het is rustig, iets te rustig; het hotel slaapt, de stad slaapt. Vermoeide soldaten spelen poker in hun vuile barakken.

Het is vrijdagochtend vroeg en dictator Jean Claude Duvalier bestuurt eigenhandig zijn gloednieuwe BMW naar de dertien kilometer verderop gelegen luchthaven. Zijn volgens de laatste Parijse mode geklede vrouw barst in tranen uit. Achter haar slanke figuur is, in het duister van de auto, in een glimp, het tevreden glimlachende gezicht te zien van legerkolonel Prosper Avril, the coming man, de latere generaal en daarna, voor korte tijd, president van Haïti.
Tegen zonsopgang is de voltallige Duvalier-clan met inbegrip van schoonfamilie Bennett en een aantal naaste medewerkers in een Amerikaans legervliegtuig vertrokken richting Frankrijk. Duvaliers moeder Simone blijft in Port-au-Prince.
Ik zal Haïti nooit meer verlaten, is haar afgemeten, verbeten statement.
In de stad is het al snel bekend dat de zo gehate president voor het leven het land met extreme spoed heeft verlaten. Eerst heerst er echter nog enige ambivalentie, want was de president een week daarvoor ook al niet op het vliegveld gesignaleerd?
Maar al snel is het centrum van Port-au-Prince veranderd in een regelrechte chaos. Op de Place de la Liberté, tegenover het paleis, dringen duizenden joelende mensen op met uit plantsoenen geplukte bloemen en afgerukte palmtakken. Ook worden verscheurde, bebloede, blauwe shirts, symbool van de tontons maucoutes en roodblauwe vlaggen rondgedragen. Onbekenden omarmen elkaar als lang gemiste verwanten en schreeuwen schorre leuzen.
A bas Jean Claude Duvalier, A bas des Maucoutes, Vive lArmee, Vive Radio Soleil! Leve het radiostation van de katholieke missie, dat door het regime abrupt de mond werd gesnoerd.
Men vergaapt zich in het scherpe licht van de ochtendzon voor het stralend witte paleis. Er wordt rum uitgedeeld. Men loopt stomdronken over het trottoir voor de stalen hekken, een trottoir waar nooit iemand mocht lopen op straffe van arrestatie of erger nog, onmiddellijke verwijdering. Een wagen met soldaten en gewapende tontons op weg naar de legerbarakken wordt achtervolgd door een uitzinnige menigte. En dan worden er stenen gegooid. Er worden steeds met stenen gegooid. Het regent stenen. Uit de nabije provincies stromen tienduizenden haveloze plattelanders de hoofdstad binnen.
Jeff Lite, woordvoerder van de Amerikaanse ambassade aan de Avenue Massachusetts, geeft een kort resumé.
De VS ontkennen iedere betrokkenheid bij de val van het bewind-Duvalier. Vannacht om half drie ontmoette de ambassadeur de president. President Duvalier vroeg en kreeg een vliegtuig en dat vliegtuig is een paar uur geleden vertrokken en nadert nu zo ongeveer het Europese continent.
Het leger, onder leiding van interim-president en leider van de militaire junta, de 53-jarige luitenant-generaal Henri Namphy, een rasechte carrière-officier en in het verleden vertrouwensman van François Duvalier, ziet inmiddels in, dat er in de straten een gevaarlijke, explosieve situatie ontstaat. De ultieme feestroes dooft uit als een nachtkaars en slaat langzaam om in opperste volkswoede.
Kleine, broodmagere jongens klimmen op de Champs de Mars, tegenover het Park Hotel, behendig in de daar geplaatste duiventillen. Witte nestveren stuiven in het rond. De gekeelde duiven en eieren worden in een zak gegooid. Een team van CNN, diezelfde morgen gearriveerd met een gecharterde Lear-jet, filmt het tafereel en geeft een kort ooggetuigenverslag. Vanuit de wijken Delmas en Bel Air worden de eerste vernielingen en plunderingen gemeld. Vooral de bezittingen van Ernst Bennett, schoonvader van de ex-president, moeten eraan geloven. Wat het volk echter niet beseft is, dat Bennett het merendeel van zijn eigendommen reeds maanden daarvoor tegen goed geld van de hand heeft gedaan.

HOOFDSTUK 8

Op het prominentenkerkhof bij de Rue Guilloux wordt de majestueuze graftombe van Papa Doc, de vader van Duvalier, volledig gesloopt. Het imposante mausoleum blijkt een immens lege, holle ruimte. De teleurgestelde, razende menigte opent vervolgens de laatste rustplaats van generaal Gracia Jacques, bij leven een fervent aanhanger van François Duvalier. Uitzinnig brullend sleept de ontketende volksmassa de geopende kist met het gebalsemde, in gala-uniform gestoken lijk van de legeraanvoerder door de straten van Port-au-Prince. Winkeliers verdelen gratis flessen rum.
Gracia Jacques wordt bespuwd, geschopt en met machetes doorstoken. Daarna wordt het lichaam met petroleum overgoten en in brand gestoken.
De eerste berichten sijpelen binnen dat huizen van beruchte tontons macoutes worden omsingeld.
Ik loop naar de Roxy Bar aan de haven, maar die is gesloten.
Rond twaalf uur, in het zenit van de zon, vallen de eerste doden van de dag. In de Rue Pavèr wordt een magazijn met auto-onderdelen geplunderd. Vijftig meter van mij vandaan zie ik een soldaat zijn M-16 geweer schouderen. Twee mannen verlaten overhaast het gebouw. De een kiest ongelukkigerwijs het midden van de weg. De ander komt snel op mij toerennen met iets blinkends in de vuist. Hij kijkt mij recht in het gezicht. Blijft mij onafgebroken recht in de ogen kijken. Hij struikelt, struikelt opnieuw, valt, staat op. Een schot. De man valt nogmaals, een halve meter van mij verwijderd. Uit zijn opengereten borstkast bloesemt een fragiele, prachtige rood-witte vlinder. Een Haïtiaanse Rembrandt van Rijn. De anatomische les van prof. Tulp in optima forma tot leven gebracht. Ik sta er verbijsterd naar te staren.
De man ademt niet meer. Hij is dood, morsdood. In zijn rechterhand houdt hij nog steeds een kleine autolamp geklemd. Zijn kameraad ligt, de benen wijduit in zijn eigen urine met een kogel door het hoofd terzijde van een open riool. Een klein straaltje bloed vloeit uit zijn verwrongen mond. Ik vloek.
Konjo bo mama, had ik mijn camera maar meegenomen. Goede, mooie kleurenfotos make the real money.
Verderop in dezelfde straat wordt het marmeren kantoor van Haïti Air, troetelkind van de Duvalier-familie, op grondige wijze van iedere luister ontdaan. Rekeningen en tickets liggen verspreid over straat.

Ik bereik, via een moeilijke omweg, het regeringsgebouw voor Telecommunicatie in het centrum om te telefoneren met de redactie in Nederland. Alleen vanuit dit kantoor bereikt Haïti de buitenwereld en het buitenland Haïti. Andere verbindingen zijn er niet meer. Het contact komt onwaarschijnlijk snel tot stand, ondanks het feit dat er slechts ♪0én operator op haar post is gebleven. Vlug bel ik mijn verslag door.
Een compleet oproer, Duvalier weg, generaal Henri Namphy aan de macht, de laatste week zon 300 doden, aantal gewonden niet meer te tellen, de beer is werkelijk los.
In Amsterdam is men bijzonder blij met het beknopte bericht. Er is immers op dat moment geen andere Nederlandstalige journalist in het land.
Vervolgens weet ik met grote moeite de krant op Curaçao te bereiken.
Oh, leuk dat je belt Alex, een goede vakantie? Ja, er waren geloof ik wel wat kleine problemen. Maar die zijn nu toch opgelost? We kregen juist een ANP-bericht binnen. Wist je al dat Duvalier weg is? We brengen het op pagina drie. Verder alles rustig. Niets aan de hand dus, alles normaal. Je moet de groeten hebben van… Wat…? Henri Namphy…? Wie is die klootzak…? Slechte verbinding zeg. Anyway, ik heb je kinderen nog gezien. Wat…? Nee, nee, dat kan niet, dat kan ik niet geloven, want het ANP zegt…
Ome Henk, schreeuw ik in de kakofonie van geluid om mij heen door een krakende lijn. Het is hier een complete revolutie, ze knallen ze als ratten af, luister…, en ik houd de hoorn van het telefoontoestel buiten de cel. Op het voorplein van het communicatiegebouw ratelt een machinegeweer. Drie mensen liggen stuiptrekkend in het stof; anderen duiken in de smerige riolen om aan de ricochetterende kogels te ontkomen.
Ja, er zal misschien nog wat geschoten worden of is het misschien al carnaval? Het Algemeen Nederlands Persbureau zegt…
Ik smijt de hoorn op de haak, want op deze manier laat ik de dollars onverantwoord rollen en die dollars denk ik de komende dagen nog hard nodig te hebben.

Een niet verdiend vonnis

‘Een niet verdiend vonnis’

Schrijven op en over de eilanden betekent een voortdurende strijd met de werkelijkheid, die de fictie van het geschrevene steeds weer achterhaalt in een schokkende en confronterende realiteit.
Auteur Gabriel Garcí­a Márquez vertelde eens dat hij tien jaar research deed naar dictators, aanverwante potentaten en andere vreemdsoortige vogels voor zijn boek ‘De herfst van de patriarch’, maar dat hij tot de slotsom moest komen dat niets onmogelijk was, dat er eigenlijk niets voor hem te verzinnen viel en alleen de bizarre en bittere waarheid genoteerd kon worden.
Tip Marugg schreef zo’n tien jaar aan zijn derde roman ‘De morgen loeit weer aan’ en kwam uiteindelijk tot eenzelfde conclusie. Geboorte en dood, een speelse werveling van de passaatwind in de stegen van Otrobanda en alles blijft verder bij het oude.

Door Hans Vaders

Literatuur, romans en gedichten, wordt in het Caribisch gebied geschreven vanuit een zekere mate van onbehagen en residu voor hulpeloosheid en wanhoop, als kreet in de kale woestenij omdat de noeste arbeid niet echt zorgt voor enige verandering in levens- of denkpatroon. Dit geldt niet alleen voor de eigen situatie, maar ook door het letterlijk zien, het meemaken van het onrecht, de kneveling en het nepotisme op een eiland van louter cactus, waarbij de schrijver niet alleen observator langs de zijlijn mag zijn, maar tevens ook slachtoffer en vaak mededader is.
Curaçao kent geen echte, grote schrijftraditie, geen bijzondere Zuid-Amerikaanse vertelvariant. De traditie om te lezen ontbreekt daarnaast ook in overheersende mate op het eiland. Dat er in het verleden bij kaarslicht fanatiek geschreven werd in het Nederlands, Spaans en Papiamentu, dat er prachtige walsen en mazurka’s gecomponeerd werden in de stadshuizen van Otrobanda, de buurt waar Tip Marugg zijn jeugd doorbracht, ligt meer aan een gebrek aan andere mogelijkheden zich te uiten. Jongeren kennen Marugg echter niet meer zo goed en dat is het directe uitvloeisel van een ander levenspatroon en ook van de ouderdom.

De schrijver en dichter Tip Marugg is niet meer en ik voel mij ronduit beschaamd. De laatste jaren hadden we geen contact. Het tragische en fnuikende in het leven is nu eenmaal, dat je de mensen die je het beste mag en waar je het liefste mee om wilt gaan vaak nogal nonchalant en ergerlijk verwaarloost. Waar zijn die losse, lome dagen gebleven toen ik bijna wekelijks naar Pannekoek reed in de blinkende Chevrolet Impala 8-cylinder om met Tip over honkbal, stierenvechten en Malcolm Lowry te praten, dat we een portie gebakken rijst met ei bij de Chinees in Barber haalden en ‘op tempo’ beduidende hoeveelheden bier en whisky uit de grote koelkast consumeerden.
‘Natuurlijk alcohol, ik moet nu eenmaal normaal kunnen functioneren tegenover domme mensen.’
’s Nachts tegen tweeën deed de auteur mij dan hoffelijk uitgeleide bij het roestige hek. Een kaarsrechte, groetende, dunne schim in het duister van de tropennacht.
‘Voor de dood ben ik eigenlijk niet bang. Het gaat me om de franjes er omheen die me zorgen baren.’

Vele liefhebbers kennen Tip Marugg als de schrijver van de romans ‘Weekendpelgrimage’, ‘In de straten van Tepalka’ en niet in de laatste plaats ‘De morgen loeit weer aan’, waarvoor hij een nominatie voor de AKO Literatuurprijs verdiende, maar afwijzend, nors en eenkennig reageerde op de schriftelijke uitnodiging spoorslags naar het koude moederland af te reizen.
‘Hans, hier, ik zal je laten lezen.’ Marugg strijkt met de vlakke, magere hand over de brief van overzee. ‘Ze willen dat ik interviews geef, voor de tv-camera’s verschijn, wat vind je daar nou allemaal van. Onzin natuurlijk.’
Minder bekend is zijn in subtiel-intrigerende stijl geschreven beperkte poëtische oeuvre, dat voor een belangrijk deel verzameld is in de bundel ‘Afschuw van licht’ en zijn in het Papiamentu geschreven erotische monnikenwerk ‘Un prinsipio pa un Dikshonario Erótiko’.
Tip Marugg hulde zich het laatste kwart van zijn leven voor de buitenwereld in een zelfgeschapen duisternis. Een beetje mystiek, mist en isolement kan nooit kwaad voor een schrijver. Hij, de schrijver, is namelijk nooit meer eenzaam, want hij heeft altijd het onbeschreven vel papier dat geduldig wacht op de letters, op die speciale code die schept. Marugg toonde zich immer bewust op de achtergrond, publiciteitsschuw, wars van contacten hem door de verontrustende buitenwereld constant aangedragen of opgedrongen. Marugg, de ex-luitenant van de schutterij, de ex-Shell-employee; Marugg, die eens gezegd heeft ‘dat schrijven en dichten in wezen onproductieve en krankzinnige bezigheden zijn, alleen geschikt voor luie mensen’.
Marugg, geboren in die verschrikkelijke decembermaand van het jaar 1923, 40 uur na ‘volksschrijver’ Gerard Kornelis van het Reve, die een paar weken geleden overleed.
‘De Heer moet wel erg toornig zijn geweest in die maand.”
Bij schrijven en dichten, althans bij de getalenteerde, geldt ook enige bezetenheid als inspiratiebron. Bij Tip Marugg waren dit de wat koelere uren van schemering, avond en diepe nacht, wanneer hij op snippers papier zijn gedachten noteerde die hij pas later uitwerkte en ‘de doodsvlinder zich als een voorbode van de eeuwige stilte nestelde boven het kozijn van het keukenraam tegen de witgepleisterde muur’.

Ter illustratie een interview uit juni 1979 met Tip in zijn toenmalig ‘dagschuw huis’ op Pannekoek, waar ‘de zon hem keer op keer iedere nieuwe morgen wist aan te klagen’.

Je gebruikt in je gedichten en je proza vaak abstracte begrippen zoals eenzaamheid, nacht en wanhoop, culminerend in het uiteindelijke begrip: de dood. Wat betekent de dood voor je?
Marugg: ‘Het leven is een lugubere grap. De mens krijgt bij zijn geboorte al een vaststaand, onherroepelijk oordeel met zich mee: ‘‘Ik moet sterven’’. Wat kan je dan nog van een terdoodveroordeelde verwachten? Je vraagt je af, waar heb ik deze ultieme straf aan verdiend? Ik sta er verbijsterd over dat de meeste mensen zich nog zo fatsoenlijk gedragen, dat ze het vonnis schouderophalend naast zich neerleggen. Het doodgaan zelf is een strikt private aangelegenheid. Of er nu wel of geen mensen bij zijn, of het gebeurt in een kroeg, op een plein of in bed omringd door de voltallige kring van verwanten en vrienden. Het is en blijft een privé-aangelegenheid.
Misschien is zelfmoord wel de meest natuurlijke dood. Je bepaalt dan persoonlijk het waarom en het wanneer. Zelfmoord is overigens niet mooi. De dood is altijd onmenselijk, de dood is vies. Soms kan echter de zelfverkozen dood verkieselijker zijn, in extreme gevallen, boven het leven. En zo is het hangen in de cel te prefereren boven het publiekelijk hangen op het dorpsplein.
Zelf ben ik bang voor de dood, nee, niet voor de dood zelf, maar voor de franjes er omheen: het lichamelijk lijden, het langzaam verliezen van de eigen lichaamsfuncties, de snikkende tantes en de potsierlijkheid na de dood.
Ik geloof dat iedereen die nadenkt over het leven met een gedachte aan zelfmoord speelt. Maar er zijn natuurlijk altijd afweermechanismen zoals bijvoorbeeld het diepgelovig zijn. Het spelen met de gedachte aan zelfmoord geeft het individu een grote persoonlijke macht. De wens is soeverein en integraal, heer en meester zijn over het eigen lichaam, over het eigen leven. Een mislukte poging tot zelfmoord, en ook de wetgeving heeft daarmee rekening gehouden, is slechts een roep om hulp. Zelfmoord wordt door de nabestaanden vaak gezien als een laffe daad, maar in wezen is het een zeer moedige daad. De zelfmoordenaar heeft ‘brains’ nodig: er zijn niet veel straatvegers die zich van het leven beroven, het zijn eerder de kunstenaars, de intellectuelen, zij die te maken hebben met het pure leven in al haar vormen.
Daarnaast, ik blijf erbij, de dood is een niet verdiend vonnis, waarbij geen hoger beroep mogelijk is. De dood is er voor iedereen. Sterven is als het ware een doodernstige zaak voor degene die op sterven ligt. En dan maakt het geen verschil of dit nu in China of op Banda’bou gebeurt.’

Je had het zo-even over het diepgelovig zijn als afweermechanisme. Wat heb je zelf nog met het geloof te maken?
‘Geloof is het zoeken naar… het zoeken naar een bepaalde waarheid en die is universeel. Het werkelijke geloven heeft terdege zijn beroerde kanten, vooral in deze tijd. Geloof is synoniem geworden aan religie: de oude doelstellingen zijn duidelijk verlegd. Want religie is een menselijke instelling ten dienste van het geloof dat geen menselijke instelling is. De religie heeft zichzelf tot een soort overimportantie gemaakt. We zien het over de hele wereld, in Iran, in Israël, in Ierland. Het resultaat is dat ieder weldenkend religieus mens zich afkeert van de menselijke instellingen van religie.
Dan zijn er twee mogelijkheden, of de mens creëert zich een persoonlijke band met Zijn Schepper, of hij keert zich er totaal van af. Ik vind het zelf bijvoorbeeld ongehoord dat de dominee als cabaretier moet gaan optreden om zijn schaapjes bijeen te houden, terwijl de priester zijn kudde hoedt als een soort maatschappelijk werker. Op deze wijze werken ze hun eigen boodschap tegen. Ze verliezen aan geloofwaardigheid.
Zelf twijfel ik. De ene dag ben ik diepgelovig, de volgende dag ben ik atheïst. Ik ben nu eenmaal geen standbeeld, ik ben niet van marmer. Misschien is er ergens wel een schepper, maar ik ben in ieder geval niet overtuigd van zijn aanwezigheid. Er zijn omstandigheden die mij dwingen te twijfelen aan zijn bestaan.
Ik heb de indruk dat God – zo hij bestaat – de atheïsten het liefst is. Een eerlijke, overtuigde atheïst komt mijns inziens hoger in de hemel als iemand die uit overtuiging trouw naar de kerk gaat. Want God moet toch af en toe wat tegenspraak kunnen dulden. Christus had de zondaars het liefst. Een atheïst is als een verloren zoon, als een zwak mens die de dagelijkse beslommeringen nauwelijks het hoofd kan bieden. Hij gaat de Amazone in, maakt ontdekkingsreizen en blijft in ieder geval ver van huis.
Olivia zegt niet voor niets in Hamlet van Shakespeare: ‘‘Lord, we know that we are, but do not know what we may be’’. Dat is het leven. Per slot van rekening zijn wij allen Oliviaans dement.’

Tip, wat is je verhouding tot de ‘vrouw’?
‘Ik ben nooit getrouwd geweest. Ik heb de laatste weken wel een hond. Maar dit is natuurlijk onzin. Ik zou kunnen zeggen: de vrouw is het liefste wezen van de schepping, maar dan voor een half uur of voor drie kwartier. Ik sta persoonlijk niet toe dat ze mij 24 uur per dag omringt.
Ik meen dat de eerstvolgende grote doorbraak op medisch terrein niets, maar dan ook niets te maken zal hebben met de overleefde beweringen van die Weense oplichter Sigmund Fraude, maar met het aantonen dat onze gevoelens op een soort chemisch proces, op een soort chemische predestinatie berusten.
God spreekt in het paradijs Adam aan als De Mens. Tegenover Eva heeft Hij het over De Vrouw. Met andere woorden, de man is compleet, de vrouw is het complement van de mens! Hiermee wil ik overigens niet beweren dat de vrouw ondergeschikt is aan de man.
In de jaren 58 en 59 ben ik verloofd geweest met een Canadees meisje, maar een en ander heeft geen doorgang gevonden omdat ze mijns inziens teveel katholieke kindertjes wilde hebben. Toch, ondanks mijn misschien negatieve standpunt in dit kader, kan de vrouw wanneer zij wil een, zij het mysterieuze, zelfs glorieuze bron van inspiratie voor de man zijn. Een vrouw die ditzelfde zou zeggen van een man heeft mijn hoogste bewondering.’

Vertel eens iets over je periode als schutter.
‘Ik zat als achttienjarige op de AMS Peter Stuyvesant, de voorloper van het huidige Peter Stuyvesant College, op het Wilhelminaplein. Ik herinner me een donker gebouw, triest, met hoge daken. Ik had voordat ik op de AMS kwam de mulo gevolgd. Toen… ineens was het uit. Door de politie werd ik van school verwijderd. Ze kwamen me halen omdat ik niet gereageerd had op het oproepingsformulier, omdat ik rekende op een vrijstelling. Ik had buiten gouverneur Kasteel, die malafide ex-journalist gerekend. Op dat moment, toen ik onder toejuichingen van mijn klasgenoten het schoolplein verliet, was ik militair. Dat is de vergissing die Chris Engels heeft gemaakt in zijn overigens verder juiste voorwoord bij mijn bundel ‘Afschuw van licht’. Ik heb nooit en te nimmer in de burgerorganisatie gezeten, ik was militair. Ik zat in de zogenoemde ‘stootploeg’, opgeleid door Nederlandse mariniers. Door promotie werd ik luitenant, want toen ik eenmaal in militaire dienst zat keek ik om me heen: de soldij was ook van buitengewoon belang.
In de dienst heb ik wel wat mensen ontmoet die mijn sluimerende schrijverschap hebben aangemoedigd: Luis Daal, René de Rooy. Misschien is het Luis Daal wel geweest die mij heeft ‘aangebracht’ bij De Stoep van Chris Engels.
Als schutter was het eigenlijk alleen maar wachtlopen: Caracasbaai, Emmastad, Bullenbaai. Duikboten heb ik niet gezien. Mijn vrienden en ik bewerkten de MA, de Militaire Administratie om dezelfde wacht te krijgen. Dat waren uren om over literatuur te praten, over boeken, over schrijvers waar we van hielden. Ik ben, ook door mijn officiersrang, vijf jaar in het leger gebleven tot 1947. Daarna, toen ik afzwaaide, kon ik na twee jaar werken bij de CSM een baan krijgen bij de afdeling public relations van de Shell bij het maandblad Passaat.’

Tip, je bent nog steeds een behoorlijke drinker, whisky en het laffe vocht dat de Amstelbrouwerij tapt. Wat zijn je gedachten over alcohol?
‘Drink jij soms een heldhaftiger vocht? Nu, alcohol is de overtreffende trap van alles. Als er geen alcohol meer zou bestaan, was het leven niet meer leefbaar. Overigens, het Oude Testament druipt al van de sterke middelen, en dit om de andere bladzijde. Als er geen alcohol zou bestaan, dan zou het leven op aarde een absoluut toonbeeld zijn van saaiheid. Ik moet normaal kunnen functioneren tegenover de geestelijk gebrekkigen, tegenover de domme mensen. Alcohol zie ik dan als een wapen. Iemand die nadenkt over het leven, iemand die zijn eigen feilen kent, heeft alcohol nodig.
Maar er zijn ongetwijfeld ook andere mensen die hun lichaam beveiligen zonder alcohol te nuttigen: atleten, vooral langeafstandlopers en ook mensen die heilig geboren worden zoals bisschop Ellis. Alcohol speelt nu eenmaal een rol in mijn leven. Wanneer ik mijzelf wil zijn, wanneer ik compleet wil zijn, is drinken een van de onderdelen van mijn menszijn. Is drinken vaak niet essentiëler dan eten?
Koning Alcohol geeft in ieder geval veel meer plezier, want is eten niet iets dierlijks? Is eten in feite niet iets vulgairs? En heb je ooit wel eens een kangoeroe alcohol zien drinken?
De Nederlandse schrijver Gerard Kornelis van het Reve heeft eens gezegd: ‘Ik geef er de voorkeur aan in het publiek te neuken dan te eten’. Van het Reve en ik schelen nauwelijks veertig uur van elkaar in geboorte-uur. De Heer moet wel erg toornig zijn geweest in de maand december van dat verschrikkelijke jaar.’

Wat is je houding ten aanzien van de Zuid-Amerikaanse literatuur en dit ook vergeleken met de Europese literatuurtraditie?
‘Ik beschuldig de gemiddelde Europeaan ervan, dat hij niet voldoende aandacht heeft voor Zuid-Amerikaanse literatuur. Zuid-Amerika is voor Europa, misschien is Frankrijk een uitzondering, nog steeds ver en vreemd en dan niet alleen geografisch gezien. De Zuid-Amerikaanse literatuur heeft een enorm potentieel.
Geen enkele literatuur ter wereld is zo uitgesproken doordrenkt van en verwant aan politiek en natuur, en dan natuurlijk de overwinning van de mens op die politiek en natuur. Ik ken geen literatuur waarin een zo duidelijke plaats is ingeruimd voor de onderdrukte mens en het medeleven met hem. In de Nederlandstalige Antilliaanse literatuur vind ik dit medeleven niet. Arion geeft in zijn werk wel een benadering, maar ik vind dat hij weinig sociologisch inzicht heeft. Echter, ik geloof dat Frank Martinus Arion het talent, de ingrediënten in zich draagt om een Boeli van Leeuwen en een Tip Marugg verre te overvleugelen wanneer hij zich verder zou ontwikkelen.
En terugkomend op de verhouding met Europa. Franse scholieren leren bijvoorbeeld dat Victor Hugo 300.000 gedichten heeft nagelaten, maar wat zegt dat?
De Zuid-Amerikaan Luis Borges overtreft in kwaliteit dit imposante aantal met een enkel gedicht. Anders geformuleerd: er bestaat een onbekende Reus in Zuid-Amerika en een bekend manneke in Frankrijk en dat manneke krijgt alle eer.
Mijn ergernis ten opzichte van de Europese houding is overigens niet van toepassing op de Verenigde Staten. Al sinds jaren is de belangstelling en de waardering voor Zuid-Amerikaanse literaire producten in Noord-Amerika vanzelfsprekend. Neem bijvoorbeeld de ‘‘University Press’’ die met zijn vele uitgaven op dit gebied heel goed de universele waarde van de Zuid-Amerikaanse auteurs heeft ingezien.’

Schrijven op het warme Curaçao mag wellicht een gestoorde en nogal zwevende bezigheid zijn, terwijl het gros van de bevolking bij wijze van spreken aan het salsadansen is of de barbecue oppookt op het hagelwitte strand. De schrijver en dichter op het eiland zijn de buitenstaanders. Ze observeren en spelen in ieder geval een ander, voor de ‘outsider’ ondoorgrondelijk ogend spel met zelfgemaakte regels. Want het is toch zonder meer asociaal en zonder enig aantoonbaar nut om vrijwel dagelijks een urenlang gevecht aan te gaan met de tekstverwerker, zegt het publiek, zeggen mijn buurtgenoten, zegt een vriendin.
‘Een roman, novelle, gedicht of essay, ze zijn eigenlijk nooit mooi rond, nooit helemaal klaar, zoals het leven eigenlijk ook nooit af kan zijn, maar je moet op een bepaald moment ergens een streep achter kunnen zetten, anders publiceer je nooit iets.’
Voor Tip Marugg is die streep nu definitief getrokken.

En wat is eigenlijk de zin van dit alles? In een bepaalde tijd van het jaar vermeit de wind zich in de stegen van Otrobanda in een curieus spel. ‘Dan zag je in het voorbijgaan hoe opeens in een hoek tussen twee huismuren zich een kleine windhoos had gevormd en door haar werveling wat droge bladeren, een leeg pakje sigaretten of ander licht straatvuil omhoog zoog, een halve meter boven de grond in kringen liet bewegen, om dan plotseling het spel te staken en de spullen te laten vallen’.
Wel, de door de felle zon verdorde bladeren zijn inmiddels geruimd, de laatste sigaretten gerookt, het subtiele spel gespeeld en het leven herneemt zich weer als vanouds in een volgende cyclus van herhaling en het oprakelen van oude herinneringen.

Tip Marugg verkeert nu ongetwijfeld bij zijn dierbare pre-Colombiaanse God van Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Die waakt als vanouds al zo’n 1000 jaar over de wonderlijke eilandennegorij beneden zich en blikt vanaf de hoge transen van zijn protserige, hemelse paleis in de witte Andes op ons arme stervelingen neer. Iedere avond slaapt hij tevreden in onder zijn dekbed van eendendons. Zijn kostbare, met loden glazen ingelegde bril plaatst hij ‘no problem’ nauwkeurig – tot op de millimeter precies – op zijn nachtkastje, altijd op dezelfde plaats. De conservatieve hemelvorst en zijn onderdanen beschikken niet over televisie, telefoon, radio, fax, typemachines of internet, want dat is maar wat lastig en zorgt alleen maar voor onrust en achterklap. Tip Marugg heeft hier misschien ook wel vrede mee, denk ik, met die rituelen van daarboven.
Hij wordt vanmiddag begraven. Slaap zacht Tip.

Pierre Lauffer – Cancionero Papiamento CD

Pierre LaufferPIERRE LAUFFER
Cancionero Papiamento

Pierre Lauffer Jr. Sings and Recites Pierre Lauffer Sr.
poëzie, muziek, Nederlandse Antillen, Curaçao
Digipack, CD 48:31
18 liederen en gedichten
inclusief tekstboek 44 blz.
€ 18,00
ISBN 90-6265-575-0
Uitgave Music & Words in de boekhandel gebracht door In de Knipscheer.

Pierre Lauffer Sr. (1920-1981) wordt tot een van de voornaamste schrijvers van Curaçao gerekend. Het eiland, het slavernijverleden en het Papiaments zijn de hoofdthema’s in zijn werk, dat behalve tal van verhalen- en dichtbundels ook publicaties over taalkunde en voor het onderwijs omvat. Hij is een van de grondleggers van Cancionero Papiamento, de eerste zangbundel in zijn moedertaal, een klassieker van het Papiamentse lied. In 1969 werd hij op de Antillen bekroond met de Cola Debrot-prijs, de belangrijkste literaire onderscheiding voor Antilliaanse auteurs, en in 1975 in Nederland met de Sticusa-prijs voor zijn gehele oeuvre.

Nu, in 2006, vijfentwintig jaar na zijn overlijden op 14 juni 1981, brengt componist en muzikant Pierre Lauffer Jr. een album uit met meestal op Antilliaanse ritmes getoonzette gedichten van zijn vader, een prachtig eerbetoon van de musicus aan de dichter. In het bij de CD gevoegde uitgebreide tekstboekje zijn de vertolkte 9 liederen en de 8 gedichten van Lauffer Sr. voor het eerst bijeengebracht in zowel het Papiaments als in Nederlandse en Engelse vertaling dankzij de medewerking van een aantal bekende vertalers en kenners van de Antilliaanse literatuur, zoals Henry Habibe, Walter Palm, Aart G. Broek, August Willemsen, Scott Rollins.
De CD bevat een bonustrack met een historische opname uit 1950 waarop Pierre Lauffer Sr. als zanger en gitarist optreedt met het Trio Lauffer.