Pauline J. van Munster – Lied van Mod

alexander strachanPAULINE J. VAN MUNSTER
Lied van Mod

Nederlands – Roman
Paperback, 150 blz., 13,50
ISBN 90-6265-548-3
Eerste druk 2003

Als over de eerste roman van deze auteur (Het evangelie volgens Daphne uit 2000) geschreven wordt “Deze debuutroman zal ik na lezing nooit meer `boekje’ noemen. Dat heeft te maken met de niet-Nederlandse mentaliteit en de durf die eruit spreken.” (De Groene Amsterdammer) en “De sfeer. Die blijft tot het laatst toe mooi, loom in zijn vreemdheid.” (De Volkskrant) en over de tweede roman (De geheime brieven van Marta uit 2001) “Net zo’n perfecte tweede roman als `Het evangelie volgens Daphne’ een echt eerste roman was.” (De Volkskrant) en “Volstrekt geloofwaardig, geen woord te veel, geen zin overbodig.” (Trouw) BENT U DAN NIEUWSGIERIG NAAR DE DERDE ROMAN VAN DEZE AUTEUR? Verheug u dan op Lied van Mod door Pauline J. van Munster dat onlangs is verschenen.

Ik heb iemand vermoord, verklaart Mod. Als zestienjarig meisje loopt Mod van huis weg. Haar moeder ziet haar liever gaan dan blijven, haar vader is al langer uit het zicht verdwenen tot bitterheid van zijn vrouw. De uit de kluiten gewassen Mod vindt onderdak en werk als klusser in een klooster. Deze gesloten gemeenschap van vrouwen, die wat afgezonderd van de bewoonde wereld naar eigen wetten leeft, wordt nog uitgebreid met Myrna, een aan de poort ter vondeling gelegde blinde baby.

Al vanaf dat moment is er tussen Mod en Myrna een apart gevoel van intimiteit en verwantschap dat 15 jaar later – onontkoombaar en voorbestemd, lijkt het – wreed verstoord zal worden. De ramp die zich dan voltrekt wordt door de nonnen in gemeenschap zwijgzaam toegedekt. Mod trekt haar eigen conclusie.

Pauline J. van Munster (Nijmegen, 1959) schreef eerder de korte romans Het evangelie volgens Daphne (2000) en De geheime brieven van Marta (2001) waarin, evenals in Lied van Mod, onverwachte dood en erotiek vanzelfsprekende elementen in het verhaal zijn.

De pers over Lied van Mod
“De derde roman van Pauline J. van Munster is in veel opzichten een ongewoon boek: een slimme structuur en chronologie, een tragische hoofdpersoon en een stijl die zonder meer gedreven en broeierig is. Ze laat zien hoe ieder paradijs steeds opnieuw aangerand en bezoedeld wordt door het kwaad waarmee wij erfelijk belast zijn. Het is met name haar bezwerende stijl die je al lezend doet wegzweven van de harde, concrete wereld naar de rustgevende illusie van het klooster. Haar eerste boeken ken ik niet. Die leemte zal ik snel opvullen!” – Wim Vogel in Haarlems Dagblad

Marc Wildemeersch – Knijp nu je ogen dicht

Marc WildemeerschMARC WILDEMEERSCH
Knijp nu je ogen dicht

België Roman
Paperback, 192 blz., 14,90
ISBN 90 6265 551 3
Eerste druk 2003

Knijp nu je ogen dicht is het romandebuut voor volwassenen van Marc Wildemeersch over de ‘grote oorlog’ die in tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog slechts sporadisch thema is in de Nederlandse (inclusief de Vlaamse!) literatuur.

De titel staat voor zowat alles wat in het boek vervat zit en komt uit het gedicht ‘Wiegeliedje’ voor de geliefde van Paul Van Ostaijen, een personage in de roman. Het is geschreven in Antwerpen op 29 april 1918, tijdens het laatste offensief van de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog. Hij droeg het op aan zijn grote liefde Emma Clement: ‘Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard en strek je heupen naar je lust. Ach du, du.’ Evenals dit gedicht ademt de roman liefde en passie uit. Bert Stubbe, de protagonist in Wildemeersch roman, raakt net voor hij in 1914 vertrekt naar Canada in de ban van de wulpse Anna Vere. Mede daardoor voelt hij zich nooit echt goed in zijn vel in het beloofde land van vele migranten.

Verder verwijst de titel naar de vlucht voor de werkelijkheid. De Grote Oorlog is uitgebroken en Bert besluit zonder enige illusie naar Europa terug te keren om er met de Canadezen tegen de Duitsers te vechten. Hij gaat bijna ten onder aan de verschrikking van de oorlog, maar loopt dan opnieuw Anna tegen het lijf. Samen proberen zij niet vermalen te worden in de blinde mechaniek van een wereldoorlog.

Van Ostaijen is in het bezette Antwerpen gebleven en collaboreert met de Duitsers. Na de oorlog vinden Anna, Bert, Paul en Emma elkaar terug in Berlijn en proberen ze elk op hun manier met hun verleden af te rekenen. De hoofdstad van het ontredderde Duitsland vormt daarvoor het ideale kader.

Tenslotte slaat de titel op de oerfunctie van literatuur: sluit je ogen en laat het verhaal je meesleuren naar een andere wereld. Enerzijds dompelt Wereldoorlog I de lezer in een hallucinant universum van chemische oorlogsvoering, kanonnenvlees en geestelijke ontaarding. Anderzijds lonkt een wereld van intellectuele hoogstandjes en lichamelijk genot. Keuze is er helaas niet. Knijp nu je ogen dicht gaat over de zoektocht van een man naar zichzelf en zijn relatie tot de anderen.

Marc Wildemeersch woont in Brugge. Hij publiceerde eerder in België de jeugdroman Noem ons geen helden over de Grote Oorlog.

De pers over Knijp nu je ogen dicht
“Marc Wildemeersch (1958) maakt met Knijp nu je ogen dicht zijn romandebuut voor volwassenen. Zijn verhaal is sterk. Een jongeman uit de kringen van Paul van Ostaijen emigreert, mislukt en keert als soldaat terug in de Eerste Wereldoorlog. Hij beleeft de verschrikkingen en overleeft o.a. vanwege zijn liefde voor Anna, die hij als emigrant achterliet. Na de oorlog reizen ze naar Berlijn waar ze met ‘collaborateurs’ als Van Ostaijen wachten op een veilige terugkeer naar België. Een goed verhaal, een interessant onderwerp en goede thema’s.” – Biblion

Marc Wildemeersch : Knijp je ogen dicht
Paul van Ostaijen en W.O. I

Geachte lezers,

Ik beoefen 5 of 6 disciplines die gewoonlijk tot de beeldende kunsten worden gerekend, en ik hou me onledig met de poëzie in het algemeen en met de visuele en concrete poëzie in het bijzonder. Paul van Ostaijen is met zijn bundel Bezette Stad, verschenen in 1921, in Vlaanderen de eerste en een van de voornaamste beoefenaars van de visuele poëzie geweest. In het boek dat vandaag aan de orde is, is Van Ostaijen een hoofdrolspeler. Vandaar mijn link met Van Ostaijen en Marc Wildemeersch.
Knijp nu je ogen dicht is, dat is intussen duidelijk geworden, een verhaal dat zich afspeelt in en om de eerste wereldoorlog.
Ik heb een zekere kijk op die oorlog, dank zij een ooggetuige. Een oom van mij, oom Sylvain, had het gepresteerd om zich als 17-jarige als vrijwilliger bij het Belgisch leger te laten inlijven. Dat mocht niet, hij was te jong, maar Sylvain was niet iemand die zich aan wetten en reglementen gelegen liet.
Hij kon daar boeiend over vertellen en hij heeft dat dikwijls gedaan. Hij zat daar achter de IJzer, in de loopgraven, de tranché’s zei hij, en hij hield de Duitsers tegen. Als je je kopje bovenstak, zei hij, was het er af. Die uitdrukking is in onze familie spreekwoordelijk geworden. Als iemand iets gevaarlijks moest gaan doen, of gaan waar het niet plus was, zegt men nog: pas op je kop.
Het verhaal dat het meest indruk op mij heeft gemaakt, en dat mede mijn kijk op de oorlog, mens en macht heeft bepaald, gaat over zwarten. Het is waar dat, als het moeilijk of gevaarlijk was, eerst de Vlamingen in het vuur werden gejaagd. Maar niet altijd. Bij een offensief of een stormloop werden soms als eersten door de Fransen gerekruteerde Senegalezen ingezet. Die werden half dronken gevoerd, dachten dan dat zij onsterfelijk waren en werden, bajonet op het geweer, het vuur en de dood ingejaagd. Van zon peloton keerde niemand terug en de lijken, of wat ervan overbleef, werden in een grote kuil geworpen, en zand erover. Een massagraf.

Van Ostaijen, geboren in 1896 en gestorven in 1928. Hij heeft nu een standbeeld in Antwerpen. Ik hoef hem u niet voor te stellen. Er zijn, 100 jaar na zijn dood, in en na 1996, zoveel boeken over hem verschenen dat een opsomming ervan de mij toegemeten tijd ruim zou vullen. Ik kan dat niet resumeren en zal het vooral over Van Ostaijen en W.O. I hebben.

In 1914, als de oorlog begint, is Paul van Ostaijen 18 jaar oud. En eigenlijk moeit hij zich niet met de oorlog. Er is de beschieting van Antwerpen geweest, er zijn veel mensen gevlucht, maar daarna herneemt het leven zijn gewone burgerlijke gang. Er is van alles in Antwerpen, cinema, theater, cabaret en de bezetter zorgt voor extra vertier. De oorlog, dat is 150 km. verder, in de Westhoek, Bachten de Kupe, tussen de IJzer en de zee. Dat is de zaak van Sylvain; Paul zal het een zorg wezen. Alhoewel.
Maar er gebeuren dingen die voor het leven van Van Ostaijen en voor de evolutie van de Vlaamse literatuur van beslissende invloed zullen blijken te zijn.
Van Ostaijen is geen brave en geen briljante student geweest. Hij is bij de Jezuïeten, die franskiljons waren, op school geweest en op het atheneum waar hij zich opwerpt als leider van de Vlaamse Club. Een diploma heeft hij niet behaald. Hij moet gaan werken en krijgt een jofel baantje als klerk op het stadhuis. En hij schrijft. Hij wordt free-lance journalist. Hij verslaat sportwedstrijden, bokswedstrijden voor de Antwerpse Courant.
En hij begint ook, voor een andere krant, over kunst te schrijven. Voor de Vlaamsche Gazet schrijft hij, reeds in 1914, o.a. over Hugo van Hofmannsthal en over Alain-Fournier die in 1914 sneuvelde bij Verdun. Hij schrijft in 1916-17 een reeks artikelen over de voorgeschiedenis van de Vlaamse Beweging in Ons land, een blad geleid door de in 1946 als collaborateur terechtgestelde Dr. August Borms.
En hij leert Floris Jespers kennen, en via de schilder Jespers de hele Antwerpse avant-garde.
En deze avant-garde is Flamingant. In die tijd zijn Vlaams en modernistisch zowat synoniem. Vrijwel alle modernisten, zeker in Antwerpen, zijn flamingant. De Jespersen, Paul Joostens, Berckelaers, alias Seuphor, ook degenen wiens cultuurtaal eigenlijk het Frans was.
En ook Van Ostaijen. Hij is een modernist en een flamboyante flamingant. Sommigen hebben getracht dit aspect te minimaliseren of het als een puberale beweging af te doen. Dat is manifest onwaar.
Hij werkt voor het blad De Goedendag. De naam zegt al veel. En Van Ostaijen schrijft: Elke jongere is een aktivist! En hij betoogt dat de nieuwe generatie moet kijken door de bril van het flamingantisme.
Hij is voor een onafhankelijk Vlaanderen, soms ook federalist, maar ook voor de Groot-Nederlandse Beweging. Hij verandert in gedachten nog al eens van marsrichting.
Hij is eigenlijk een soort Van Severen, Joris van Severen, die ook aan de IJzer staat, er om zijn Vlaams-gezindheid wordt gedegradeerd en later de Verdinaso opricht.
Als je Van Severens het tijdschrift Ter Waarheid bekijkt, dan zie je een in 1921 modern ogend blad. En met Van Severen heeft Van Ostaijen ook het parool onverfranst en onverduitst gemeen. En het verlangen een volkstribuun te zijn, een leider. Maar anders dan Van Severen is hij geen groot redenaar.
Voor Van Ostaijen betekent activist zijn niet zozeer trachten de Vlaamse eisen te realiseren met de hulp van de bezetter, het betekent: vrijheidsstrijd; het staat voor actie, leven, voor alles wat nieuw is, maar ook voor de opbouw van een gemeenschapskunst, voor verzet tegen de burgerlijke, elitaire, franskiljonse cultuur.
Hij was overigens geen voorstander van de bezetting.
In 1916 verschijnt Music Hall, zijn eerste bundel. Van de oorlog geen spoor, maar het flamingantisme wordt beleden als een nieuw geloof.

Wederkeer
Aan Victor de Meijere

Uit de verre streken van lome
Zelfverloochening,
Flamingantisme, ben ik tot u gekomen
Als een boeteling.

Niets barrevoets,
De handen saamgebonden,
Door as, het hoofd geschonden,
Met al het uiterlike mijns demoeds
Om de bedreven zonden.

Niet als de verloren zoon,
Die, uitgeput en zwak,
Aarzelend, om smaad en hoon,
Wederkeert onder ’t ouderlike dak.

Maar wel gelijk de jongen, die in ontrouw
Met zn zoete liefje heeft geleefd,
Plots in zich voelt het berouw
Om al het goeds dat hij gebroken heeft,
En met diepe demoed zich weerom naar zn lief begeeft.

En zo gaat het nog even door, maar dat bespaar ik u want, grote poëzie is dat niet.

Wat gebeurt er nog? In 1917 bezoekt Kardinaal Mercier, primaat van België, Antwerpen.
Dames en heren, wij beleven andere tijden en er zijn geen kardinalen meer als vroeger. Mgr. Danneels, onze huidige kardinaal en papabile naar het schijnt, is een West-Vlaming, dat zegt al veel – onze Nederlandse gasten zullen het daarmee eens zijn – en een geleerde thomist. Hij kan voor de vuist weg een uur spreken over de esthetica van Thomas van Aquino. Maar Mgr. Mercier was zegt Paul van Ostaijen in het boek van Marc Wildemeersch een echte smeerlap. Ik kan dat niet voor mijn rekening nemen, want ik wil hier niet de verdenking op mij laden een antiklerikaal te zijn. Bovendien heeft deze Mercier ook wel iets goeds gedaan en met name herhaaldelijk de Duitsers terecht gewezen als zij al te ruw optraden.
Maar één ding is zeker: hij was een racist. Geen Germaanse racist, maar een Latijnse racist. Er zijn, zegt hij letterlijk maar in het Frans uiteraard er zijn rassen die geschapen zijn om te bevelen en andere die geschapen zijn om te gehoorzamen. Het is zeer eenvoudig: zij die geschapen zijn om te bevelen spreken Frans.
Deze Mgr. komt naar Antwerpen.
U moet bedenken: 1917, het is oorlog. Oom Sylvain staat nog steeds in het slijk, hij houdt nog steeds de Duitser tegen aan de IJzer en hij heeft intussen wat Frans geleerd. Want hij wordt in het Frans bevolen en als hij het niet begrijpt wordt hij in het Frans gestraft. En wie er ook in de loopgraven zit is Constant Van Ostaijen, de broer van Paul. Er woedden daar twee oorlogen: de Belgen vechten er tegen de Duitsers en de Vlamingen tegen La Belgique.
Mgr., die zeer anti-Vlaams is, die ook tegen de vernederlandsing van de Gentse Universiteit gekant is, en werkelijk denkt en gelooft – want dat is een kwestie van geloof – dat de Vlamingen geschapen zijn om te gehoorzamen, komt dus naar Antwerpen.
En Van Ostaijen protesteert. Niet alleen natuurlijk. Zon 40, 50 man. Hij moet heftig geprotesteerd hebben want hij wordt gearresteerd en veroordeeld tot drie maanden cel. En 29 frank boete. Door een Belgische burgerlijke rechtbank.

De Duitsers, die niet van Mercier houden, die hem wantrouwen, terecht, en die met hun Flamenpolitiek het principe van verdeel en heers toepassen, kunnen dat niet ongedaan maken. Maar zij zorgen dat het vonnis voorlopig geen praktische gevolgen heeft. Van Ostaijen moet niet zitten. En dat brandmerkt hem als inciviek.

Er is nog iets anders gebeurd in 1917. Van Ostaijen ontmoet Emilie Clement.
Ze moeten elkaar reeds van zien en reputatie gekend hebben. Want hij flaneerde graag langs de Meir, chique, excentriek en enigszins ouderwets gekleed, met een bontmuts op. Daar paraderen ook de Duitse officieren met hun hoge col en hun monocle, en ook Emilie, gezegd Emma, die zich graag door die officieren liet fêteren en wellicht al eens een glaasje meedronk.
Als Paul haar bij een tramhalte aanspreekt in het Frans, dat is heel typisch, daar moet je een échte flamingant voor zijn zegt zij: zijde nie beschoold? Dat is niet omdat hij haar, een getrouwde vrouw, aansprak want ze had man en kind al verlaten maar omdat hij, Paul, dat in het Frans deed.
Desondanks ontstaat er een liaison.
Paul zal haar Emmeke noemen en zij noemt hem Polte. Polte. Want zo’n man laat zich niet Poltje noemen.

In oktober 1918 verschijnt zijn tweede bundel, Het Sienjaal. Er is veel christelijk geïnspireerde lijdensmystiek in deze bundel, veel humanitair idealisme en anderzijds martiale bevlogenheid:
Vastbera, wij staan.
In kamp. Wij staan.
Wies Moens is hier niet veraf.

Slechts één enkel gedicht refereert aan de oorlog, al vallen er, op de diverse fronten, duizenden doden. Per dag.
Maar de oorlogsjaren waren voor hem zorgeloze jaren getuigde hij later en wellicht de beste van zijn korte leven.

In 1918 worden plannen gemaakt om een Vlaamse Rijkswacht op te richten, eigenlijk een militie om de orde te handhaven, een instrument in de handen van de activisten waarin Van Ostaijen uiteraard een belangrijke post zou bekleden: adjudant-kolonel. Hij was waarlijk een potentiële Van Severen.
Maar datzelfde jaar kwam een einde aan de oorlog althans aan de gevechten.
Oom Sylvain komt in triomf naar Brugge terug en krijgt voor de rest van zijn lange leven een extra pensioentje als oorlogsvrijwilliger. Hij zit safe.
Maar Polte en Emmeke niet. Zij nemen een verstandige noodmaatregel. Van Ostaijen voorziet de repressie tegen de activisten en beseft dat zijn straf is opgeschorst, maar niet geseponeerd. En Emmeke heeft zich hopeloos gecompromitteerd. Zij liet zich in een open koets met Duitse militairen door de stad rijden. Tijd dus voor de aftocht. En haar relaties regelen een vlucht richting Berlijn.

In Berlijn begint voor hen een boeiend maar armoedig bestaan. Emmeke blijft een nachtvlinder maar verdient de kost. Paul vindt geen werk maar leert de artistieke boheme en avant-garde kennen en luistert naar de Spartakisten Rosa Luxenburg en Karl Liebknecht, die worden vermoord. Maar dat hoef ik u niet te vertellen. Het staat in het boek Knijp nu je ogen dicht.
En in Berlijn schrijft hij grotesken en concipieert hij zijn bundel Bezette Stad. Door de zorgen van vrienden, Floris en Oscar Jespers en Ren�Victor, verschijnt die in Antwerpen in 1921, nog vóór hij in datzelfde jaar naar zijn vaderstad terug keert.
Bezette Stad is zijn belangrijkste werk. Het is een uniek monument van visuele poëzie en ritmische typografie, een werk waarmee Van Ostaijen zich inschrijft in de geschiedenis van de Europese avant-garde.
Later schrijft hij zijn bekend geworden gedichten Marc groet s morgens de dingen, Berceuse presque nóire, Rijke armoede van de trekharmonika en andere. Maar dat is eigenlijk een stapje terug.

Pas in Berlijn schijnt hij zich te hebben gerealiseerd wat de oorlog eigenlijk was. Hij heeft zijn ervaringen in Bezette Stad op een unieke manier uitgeschreven en gevisualiseerd.
Vive Mercier! staat er sarcastisch. Op de voorlaatste bladzijde lezen we: de soldaten zijn dood leve de helden. En op de laatste: leve de gekrepeerden.

Dames en heren, niet Van Ostaijen voert het hoge woord in dit werk van Marc Wildemeersch over W.O. I, maar de dood. Ik citeer u de meest pakkende regel uit zijn boek: Alleen de dood voert privé-gesprekken.

renaat ramon,
Brugge, 28 februari 2003

«Een interessante combinatie van fictie en werkelijkheid.» – Drs. E.A. van Kemenade

Marc WildemeerschOver ‘Knijp nu je ogen dicht’ van Marc Wildemeersch voor NBD/Biblion, 01-05-2003:
Marc Wildemeersch (1958) maakt met ‘Knijp nu je ogen dicht’ zijn romandebuut voor volwassenen. Zijn verhaal is sterk. Een jongeman uit de kringen van Paul van Ostaijen emigreert, mislukt en keert als soldaat terug in de Eerste Wereldoorlog. Hij beleeft de verschrikkingen en overleeft o.a. vanwege zijn liefde voor Anna, die hij als emigrant achterliet. Na de oorlog reizen ze naar Berlijn waar ze met ‘collaborateurs’ als Van Ostaijen wachten op een veilige terugkeer naar België. Een goed verhaal, een interessant onderwerp en goede thema’s.
Lees hier de hele recensie
Meer over ‘Knijp nu je ogen dicht’

Mooie woorden (8) over In passie verdronken van Hans van Hartevelt

Hans van HarteveltDe pers over ‘In passie verdronken’:

«Zijn beste roman tot nu toe.» – Maarten ‘t Hart

«Portret van een onevenwichtige jong man die binnen- en buitenwereld nooit met elkaar heeft kunnen verzoenen. Tegenover de absoluutheid van Bach moest alles wel tekort schieten.» – Leeuwarder Courant

«De schrijver heeft een personage neer willen zetten dat door zijn omgeving niet wordt begrepen, steeds meer in zichzelf opgesloten raakt en uiteindelijk niet is opgewassen tegen het levenslawaai, letterlijk en figuurlijk.» – Friesch Dagblad

«Ik kan niet nalaten direct na het lezen van In passie verdronken mijn bewondering op papier te zetten. Ik las het boek in één keer uit. Boeiend hoe J.S. Bach zo centraal kan staan in 2002/3. U schreef een prachtig boek.» – Ton Koopman

«In ‘De binocle’, verhaal uit 1918 van Louis Couperus raakt een hypernerveuze schouwburgbezoeker, die vanaf het balkon ‘Die Walküre’ volgt, zo geobsedeerd door de kale schedel van een bezoeker in de zaal dat hij er tenslotte zijn binocle naartoe smijt (die overigens een ander treft). Obsessieve, pathologische personages die in de literatuur van rond 1900 ook voorkwamen in de romans van bijvoorbeeld Van Oudshoorn of Coenen en in hun vervreemding van de normale samenleving al aardig modernistisch aandoen.
Zo’n personage, door zijn obsessie onafwendbaar op het noodlot afstevenend, treffen we ook aan in de beklemmende roman ‘In passie verdronken’ van auteur Hans van Hartevelt. De hoofdpersoon heet Johan. En waarom ook niet in een roman die klinkt als een ode aan Bach.
Deze op het oog rustige Leidse student Spaans ontwikkelt niettemin algauw een verontrustende geluidfobie, die met elke bladzijde toeneemt en zijn agressie aanwakkert. Tot hij zelfs bij het gladstrijken van een programma door een andere schouwburgbezoeker bijna door het lint gaat. In deze als onverdraaglijke kakofonie ervaren buitenwereld lijkt de muziek van Bach lang gids en redding bij werk, liefde en op zijn woonboot in het Zuid-Hollandse polderland. Dat Johans einde hoe dan ook in de boeken geschreven staat, valt op te maken uit met name het Leitmotiv ‘water’ dat soms helder en dan weer nadrukkelijk donker door het verhaal stroomt. Eigenlijk lang geen gek geschreven boek. Maar dralend bij dat pessimistische naturalisme van weleer durft de zich overigens meer als misdaadauteur afficherende Van Hartevelt naar mijn smaak te weinig vernieuwende bokkensprongen te maken.» – Birgitte Jonkers, Eindhovens Dagblad

Meer over ‘In passie verdronken’
Meer over Hans van Hartevelt bij Uitgeverij In de Knipscheer

Hans van Hartevelt – In passie verdronken. Roman

Hans van HarteveltHANS VAN HARTEVELT
In passie verdronken

Nederland Roman
Paperback, 224 blz., 15,75
90-6265-532-7
Eerste druk 2002

‘Vaak droom ik ervan. Dan hang ik onder een blauwe luchtballon en zweef ik hoog boven de wereld, en ik stijg maar verder, totdat er geen ruisen van de wind meer klinkt.’
‘En wat zie je daar?’
‘Muziek.’
‘Muziek? Daar zíe je muziek?’
‘Daar zie je muziek, ja; élk zintuig neemt daar muziek waar. Alle componisten, van Palestrina tot Mahler, van Lasso en Monteverdi tot Wagner, en jouw Ludwig ook, spelen samen onder leiding van Bach. Alle instrumenten en alle stemmen staan daar in dienst van zijn hemels orkest en harmoniëen met én alle kunsten én al het weten én alle liefde in een goddelijk allegro dat begin noch einde kent. De blinde Bach schept. En vanuit dat allesomvattende komt het leven voort.’
‘Volgens mij ben jij gek.’

De levensenergie die de sympathieke en muzikale Johan nodig heeft, vindt hij in Bach, zijn passie, of in afzondering waar hij zich laaft aan de stilte die voor hem als de symfonie van het leven klinkt. Als reisleider vergt hij het uiterste van zichzelf: of hij nu een boottocht door de jungle van Costa Rica leidt, tussen de ruïnes in Tikal in Guatemala uitleg geeft, of op paradijselijke eilandjes vertoeft; iedere reis door Midden-Amerika tast zijn reserves verder aan. Terug in Nederland merkt ook zijn grote liefde niet dat de druk die Johan zichzelf oplegt onhoudbaar wordt en dat zelfs Bach hem niet meer kan helpen en dat de neurose die hij ontwikkelt uiteindelijk tot een passie in de zin van een lijdensweg leidt.

HANS VAN HARTEVELT (1953) studeerde in Leiden boeddhistische wijsbegeerte en Tibetaanse taal- en letterkunde. Hij is verbonden aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Voorafgaand aan In passie verdronken (2002) publiceerde hij de romans Op zijn Chinees (1997) en Depressie over Java. (1999).

Meer over ‘In passie verdronken’
Meer over Hans van Hartevelt bij Uitgeverij In de Knipscheer

Cornelis Le Mair – Vanitas

Cornelis Le MairCORNELIS LE MAIR
Vanitas
Nederland Roman
Paperback 416 blz., 22,50
90-6265-526-2
Eerste druk 2002

Cornelis Le Mair (Eindhoven, 1944) studeerde op 24-jarige leeftijd cum laude af in portret- en figuurschilderen aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Onder de Nederlandse realisten in de schilderkunst neemt Cornelis le Mair een aparte positie in. Hij werkt in de grote Europese traditie aan een oeuvre dat een buiging is naar de oude meesters.

Met zijn romandebuut Vanitas voert Le Mair de lezer in een naïef-romantische vertelstijl het leven binnen van de jonge schilder Caspar Lestrange. Terwijl de kunstenaar speurt naar schedels op een begraafplaats als attribuut voor zijn stillevens ontmoet hij door een schokkend toeval een beeldschoon meisje. Zij blijkt een ideaalbeeld in zijn streven naar het ultieme portret van de vrouwelijke schoonheid.

Na zijn vertrek naar een Spaans eiland kan de twijfelende held het meisje, ondanks erotische escapades niet vergeten. Terug op zijn boerderij ziet hij haar onverwacht weer. Bij nacht krijgt het avontuur temidden van grafmonumenten een dramatische ontknoping. Blijft haar betoverende verschijning nu voor hem voor goed onbereikbaar? Zijn pogingen haar op het doek te brengen stranden. Dat doet hem vluchten naar Antwerpen waar zijn optreden als troubadour eindigt in een liefdesnacht met twee vrouwen. Kunnen zij hem mogelijk helpen het verdwenen kerkhofmeisje terug te vinden?

Vanitas is behalve een picareske ook een ideeënroman, waarin de lezer kan genieten van de prachtige literaire monologen over de klassieke schilderkunst van Caspar Lestrange die getuigen van een verbazingwekkende eruditie.

De pers over Vanitas
Vanitas is een als geslaagde roman vermomd pleidooi voor schoonheid en technische vaardigheid. Uit: Standaard der Letteren (Onno Blom)

Le Mairs held heeft iets van een schelm die de wereld doorziet en overal mee wegkomt, dat maakt hem sympathiek. Uit: Leeuwarder Courant (Kees ’t Hart)

“Wat Le Mair te melden heeft is vaak zeker niet oninteressant. Verreweg het grootste aantal bladzijden wordt – hoe kan het anders – gewijd aan de schilderkunst, van verleden tot heden. Een beetje clichématig omdat het te verwachten viel, zet hij zich als nostalgisch romanticus af tegen hedendaagse opvattingen van het kunstenaarschap – ‘de terreur van de vrije expressie’ – en houdt hij een pleidooi voor het ouderwetse vakmanschap. Voor Le Mairs vakmanschap en toewijding als schilder mag men zijn pet afnemen. Hij is van werkelijk alle technische aspecten van zijn vak op de hoogte. En mensen die van zijn werkwijze het naadje van de kous willen weten moeten dit boek beslist kopen.” – Uit: Eindhovens Dagblad

Mala Kishoendajal – Het boegbeeld

Mala KishoendajalMALA KISHOENDAJAL
Het boegbeeld

Roman
Nederland / Suriname
Paperback, 336 blz., €16,90
ISBN 90 6265 536 X
Eerste druk 2002

Het boegbeeld van Mala Kishoendajal is een sleutelroman over DE ZAAK TARA SINGH VARMA. In Het boegbeeld dringt Mala Kishoendajal door in de persoonlijkheid van een vrouw die haar leven fantaseert.
Mala Kishoendajal weet als geen ander van de hoed en de rand en was vorig jaar de klokkenluider in het TROS TV-programma OPGELICHT.

In Het boegbeeld is de museumwereld het decor waartegen het leven van kunstconservatrice Sitara Sharma zich afspeelt. Voor het oog van de media treedt dit boegbeeld van een grote groep migranten in Nederland op dramatische wijze terug uit haar functie door bekend te maken dat zij lijdt aan kanker. Welke rol speelt Saul Mulder, hoofdconservator van museum De Groene Onyx, in het netwerk van verzinsels van zijn werkneemster? Wie spreekt de waarheid en waar regeert de leugen?

De pers over Het boegbeeld
“Het is verbijsterend te lezen hoe gemakkelijk Varma telkens weer bij bestaande structuren kon aanschuiven en dan niets hoefde te presteren omdat het feit dat ze er was, al voldoende was. Ook blijkt waarom zovelen die wisten wat er aan de hand was, toch hun mond hielden. Mala Kishoendajal is daarop een uitzondering. Zij durfde het destijds als Surinaamse Hindoestaanse toch aan om de kat de bel aan te binden. Dat doet ze nu opnieuw in haar roman Het boegbeeld. Na lezing kun je Tara Varma nooit meer horen, zien of lezen, zoals in haar recente publiciteitsoffensief, zonder te denken dat ze aan een nieuw circuit begonnen is.” – uit: Trouw

“Boek over een gevallen boegbeeld van allochtoon Nederland. Fascinerend onderwerp met boeiende aspecten. Vermakelijke fictie, aangekleed door de sfeer van het Hindoestaans-Surinaamse leven in Nederland.” – uit: NRC Handelsblad

Mala Kishoendajal heeft het bizarre verhaal van Tara Singh Varma (in het boek Sitara Sharma geheten) literair aangekleed en verweven met het verhaal van de Surinaamse Emma, die in het boek voorkomt als huishoudster van de liegende Sharma. De auteur benut de geschiedenis van Emma om de lezer een beeld te geven van het Hindoestaanse gezinsleven in Nederland. En dat lukt haar voortreffelijk, mede door de prettige vertelstijl.” – Uit: Haarlems Dagblad (GPD)

Ibrahim Selman – Ik dacht aan kokosnoot

Ibrahim SelmanIbrahim Selman
Ik dacht aan kokosnoot

Irak / Koerdistan
Roman
Gebonden met stofomslag , 192 blz. € 17,90
ISBN 90 6265 533 5
Eerste druk 2002

Meedogenloze tweede roman van Ibrahim Selman

In Ik dacht aan kokosnoot wordt Shahin vanaf de eerste schooldag door zijn onderwijzer mishandeld. Thuis is het niet veel beter. Pas op zijn twintigste rondt hij de lagere school af waarna zijn machtige oom hem op de militaire academie van Bagdad weet te krijgen. Daar komen Shahins onvermoede kwaliteiten naar boven. Hij blijkt meedogenloos, schuwt niets en niemand en leert het begrip loyaliteit in alle facetten van zijn levenswandel toe te passen: van de liefde tot verraad, van moord tot seks. Hij draagt zijn lot zonder enig inzicht en juist dát nu werkt vertederend in het licht van zijn tekortkomingen.

Met deze tweede roman brengt Selman de lezer naar het onderbelichte Koerdistan van onze tijd. De hoofdpersoon Shahin gaat gebukt onder krachten waar hij volstrekt geen vat op heeft, maar het deert hem niet. Gehard door zijn naïviteit – of naïef door zijn hardheid – vecht hij om en om tegen en vóór de Koerdische zaak. Nederland fungeert als tussenstop om in meer dan één opzicht zijn wonden te likken. De zuinige, poëtische stijl die Selman hanteert, schept een decor van beklemming waarin tederheid subiet wordt afgewisseld door passages die de goedkeuring zullen wegdragen van de lezer met een sterke maag.

Als in een naturalistische roman van Emile Zola laat Ibrahim Selman zien hoe natuurlijk het is om meedogenloos te worden in een onbarmhartige wereld. Het boek is daarmee een antwoord op het onbegrip van de westerse wereld die de doodsdrift en de woede van die andere wereld maar niet kan plaatsen.

Ik dacht aan kokosnoot is een wrange komedie en een klap in het gezicht van de lezer. Het doet geen pijn, maar de afdruk van de hand blijft zichtbaar.

Ibrahim Selman (geboren in Koerdistan, Noord-Irak), debuteerde in 2000 als Nederlandse romanschrijver met En de zee spleet in tweeën.

Paul Kastelein – In ballingschap

Paul KasteleinPAUL KASTELEIN
In ballingschap

Nederland Roman
Paperback, 240 blz., € 15,75
ISBN 90-6265-529-7
Eerste druk 2002

Paul Kastelein debuteerde in 1998 met de roman De erfgenamen. “De auteur laat zien dat hij uit het goede vertellershout is gesneden.” (Friesch Dagblad). “Een meeslepend verhaal; willekeurig welke bladzijde kun je opslaan en beginnen met citeren. Iedere greep is raak.” (Eindhovens Dagblad). “Een literaire tegenhanger van ‘Hoe God verdween ut Jorwerd’ ” (Leeuwarder Courant). Alle reden om met belangstelling de tweede roman van Paul Kastelein, In ballingschap, tegemoet te zien!

Jan-Pieter de Kok, Adelbert Nelissen, Jomanda, Sylvia Millecam, de ex-vrouw van Roel van Duyn… Alternatieve geneeswijzen, genezers en slachtoffers verschillen, maar de vragen blijven dezelfde. Paul Kastelein gaat in In ballingschap op zoek naar de antwoorden.

De roman is een reconstructie van een noodlottige vriendschap tussen iatrosoof Julius Westerman en zijn advocaat Max van der Pol. Hun vriendschap wordt zwaar op de proef gesteld als het dochtertje van de advocaat, voor een verkoudheid onder behandeling bij de iatrosoof, onverwacht sterft. De alternatief genezer is ook actief in de plaatselijke politiek. Vriend en advocaat Max van der Pol kan niet voorkomen dat Westerman de verkiezingen niet haalt en op gruwelijke wijze aan zijn einde komt.
Jaren later probeert een arts te doorgronden hoe de advocaat zijn schijnbaar onbegrensd vertrouwen aan de alternatief genezer heeft kunnen schenken.

De pers over In Ballingschap
“De auteur liet zich inspireren door een zaak uit 1992, toen op identieke wijze een tweejarig kind overleed. Iatrosoof J.P. de Kok, naar wie Westerman is gemodelleerd, en zijn maat annex advocaat De Bruijn blijven in de realiteit onverminderd in opspraak, recentelijk nog in de affaire rond kinderdagverblijf Honki Ponk. (…) Indrukwekkend is het deel waarin het meisje komt te overlijden. Al even boeiend wordt de wrede dood van Westerman beschreven. Kasteleins beeldend vermogen en precieze stijl werpen hier vruchten af, evenals in de delen waarin hij op klare toon dilemma’s inzake geneeskunde en recht aankaart.” – Uit: Brabants Dagblad

F. Starik – Simpele Ziel met CD

F. StarikF. STARIK
Simpele Ziel

Nederlands Poëzie
Paperback, 120 blz., CD 42 minuten, 17,90
Eerste druk 2002
90-6265-531-9

In Simpele Ziel stelt F. STARIK genadeloos en humorvol als altijd zijn vragen naar houding en identiteit: hoe moet ik leven en wie ben ik? Hij zoekt zijn antwoorden in de bedrieglijke eenvoud van het alledaagse. Simpele Ziel bevat toegankelijke gedichten, die laten zien dat zelfs de meest onbeduidende zaken nooit zonder samenhang of betekenis kunnen, nee, mógen zijn.
Op de cd Simpele Ziel zingt F. Starik twaalf gedichten uit de bundel, op muziek van Cor Vos en Von der Möhlen Geluidswerken. Op de cd staan klassieke chansons, liederen met orkestbegeleiding en loungenummers. In het titelnummer wordt F. Starik bijgestaan door het vijftigkoppig Voerendaals Mannenkoor.

De pers over Simpele Ziel
Starik is een beeldend kunstenaar en ‘performing poet’ die onlangs het prachtige Simpele Ziel uitbracht, een van de zeldzame geslaagde voorbeelden van poëzie die op muziek is gezet omdatje aan alles merkt dat Starik beide genres beheerst. Een must. Maria Barnas in VPRO-gids

F. StarikHier is de bundel die de Nederlandstalige popmuziek eindelijk van tekst voorziet.

“Ook een must zijn FRANK STARIK en het Voerendaals mannenkoor. Starik is een beeldend kunstenaar en ‘performing poet’ die onlangs een prachtige cd heeft uitgebracht: Simpele ziel. Ik vind die cd een van de zeldzame geslaagde voorbeelden van poëzie die op muziek is gezet, omdat je aan alles merkt dat Starik beide genres beheerst.” – VPRO gids