«Meesterwerk.» – Kees ’t Hart

Mark InsingelNajaar 2004 verscheen bij Uitgeverij Meulenhoff ‘Hoe hij rolt’, de nieuwe roman van Mark Insingel. In De Groene Amsterdammer van 24-09-2004 schrijft Kees ’t Hart onder de titel ‘Woedende pracht’: «Dit boek ademt en beweegt. Uitermate boeiende literatuur die het pijnlijke, egoïstische en dubbelzinnige van relaties glashelder demonstreert. Insingel is een schrijver pur sang. Hij vormde in dit meesterwerk een eigen taal waarmee hij aantrekking, afstoting, knechting en schaamte opnieuw onder woorden kon brengen.» Eigenlijk vormt ‘Hoe hij rolt’ een tweeluik met ‘Eenzaam lichaam’. Kees ‘t Hart: «Ook in zijn vorige boek Eenzaam lichaam zette hij een paar schijnbaar niet samenhangende levens en herinneringen bij elkaar en daar slaagde hij al in zijn opzet.» Was ‘Eenzaam lichaam’ ook al een meesterwerk?
Klik voor de recensies over ‘Eenzaam lichaam’
Meer over Mark Insingel op deze site

Giulio Cederna en John Muiruri – Black Pinocchio. De avonturen van een straatjongen

Black PinocchioGiulio Cederna en John Muiruri
Black Pinocchio. De avonturen van een straatjongen

Theater, Kenia
Vertaling Henny Vlot
Ingenaaid, 128 blz, geheel in vierkleuren, met ruim 80 foto’s/illustraties
Royaal formaat, 19 x 22,5 cm met flappen
inclusief DVD (DVD is niet afzonderlijk verkrijgbaar)
€ 19,50
ISBN 90-6265-573-4

Iedereen kent het klassieke verhaal van Pinocchio, het houten poppetje dat dolgraag mens wil worden. Voordat dat gebeurt, moet hij wel op het rechte pad blijven. En dat is moeilijker dan verwacht. Pinocchio kan geen weerstand bieden aan de verleidingen op zijn weg, maar kiest uiteindelijk, door schade en schande wijs geworden, toch voor zijn school, Papa Gepetto en zijn eigen thuis. Voor 125.000 straatkinderen uit de sloppenwijken van Nairobi is dit verhaal uit hun leven gegrepen. Ze hebben te kampen met problemen als verwaarlozing, verlating, honger en ondervoeding, ziekte, drugsgebruik, kinderarbeid, tienerzwangerschap, geweld, discriminatie en criminaliteit. Dankzij een project van de Afrikaanse gezondheidsorganisatie AMREF Flying Doctors in Kenia kregen 20 van hen van 12 tot 20 jaar de kans hun lot te keren door zelf hun versie van dit verhaal te vertellen en te maken tot de unieke theaterproductie Black Pinocchio puur, sober en aangrijpend.

«Die dag zal de zon opgaan.»

De avonturen van een straatjongen is het boek achter Black Pinocchio. In het boek laten de jongens (en meiden), vaak wezen, die als straatrovers, drugsdealers en prostituees letterlijk op de vuilnisbelten overleefden, met eigen foto’s, tekeningen, brieven en ontroerende bekentenissen de lange weg zien die moest worden afgelegd om hun verhaal – en dat van hun lotgenoten – te schrijven en op de planken te brengen. De bij het boek gevoegde DVD biedt behalve de filmregistratie van het toneelstuk ook een reconstructie van de ontwikkeling van de theatervoorstelling.

“Veel van mijn vriendinnen werkten in bars en zijn gestorven. Ik weet het, ik zit in de problemen, maar ik kan er niets aan doen. Ik heb geen mooie toekomst. Ik vraag me af wat er van mijn ouders is geworden tien jaar geleden. Ik hoop echt dat ik ze op een dag terugzie. Die dag zal de zon opgaan.”

Van 9 t/m 18 april 2006 is in het Amsterdam RAI Theater de bijzondere voorstelling Black Pinocchio te zien geweest. Na afloop van de première nam ZKH Willem-Alexander het boek officieel in ontvangst. De opbrengsten van de voorstellingen én van het boek+dvd zullen ten goede komen aan het programma van AMREF voor kinderen in Nairobi en andere steden in Kenia.

«Een prachtig kleurrijk boek waarin hoop en doorzettingsvermogen de boventoon voeren.»
«Het boek Black Pinocchio biedt een literair poëtisch en fotografisch verslag van een AMREF-project waaraan twintig straatjongens meededen. Ze fotografeerden hun leven, schreven verslagen. De jongeren werkten vervolgens mee aan de opvoering van het toneelstuk over de zwarte Pinocchio. De jongeren maakten met eigen interpretaties, eigen inbreng en veel enthousiasme hun eigen verhaal. Het resultaat is vastgelegd in een boek en op dvd. De dvd bevat onder meer een registratie van het toneelstuk. De teksten in het boek zijn heel wisselend van karakter; soms poëtisch beschrijvend, dan informatief, soms een opsomming van feiten of lijstjes, dan weer verhalend. De foto’s bieden een realistische kijk op het straatleven en de omslag die de jongeren met het spelen van Pinocchio in hun leven bewerkstelligen. Een prachtig kleurrijk boek waarin hoop en doorzettingsvermogen de boventoon voeren. AMREF is een Afrikaanse organisatie die medische hulp biedt op afgelegen plekken en de gezondheidstoestand van de armste inwoners van Afrika wil verbeteren.»- NBD/Biblion, 6 juli 2006

Jan Kees van de Werk – Gevleugeld vuur

Jan Kees van de WerkJan Kees van de Werk
gevleugeld vuur
poëzie, Nederland
Ingenaaid, 128 blz.,
€ 16,50
ISBN 90-6265-571-8
Eerste druk 2006

De nieuwe dichtbundel van Jan Kees van de Werk bestaat uit twee delen: gevleugeld vuur en woorden op de wind.
Het eerste deel verwoordt zijn directe levensomgeving, het tweede deel roept zijn Afrikaanse ervaringen op. Twee werelden die elkaar overlappen, aanvullen en in evenwicht houden, en waarin de natuur een bindend element is. De staccato vormgegeven en hoofdletterloze gedichten worden voor de lezer een vloeiend verhaal waaraan hij zijn eigen interpunctie kan geven. “Een kunstenaar maakt slechts de helft van zijn kunstwerk.”

Wat over zijn eerder verschenen poëzie geschreven is geldt evenzeer voor gevleugeld vuur:

“Bij Jan Kees van de Werk is de verbeelding aan de macht. Met de verwondering van een kind en het inzicht van een volwassene zuigt hij indrukken op, met de kracht van het woord verbeeldt hij zijn ervaringen, ontmoetingen, gevoelens.” – Amersfoortse Courant

“Hij neemt de tijd om betekenis toe te kennen aan de bewegingen in het zand, aan het onzekere licht van een nieuwe dag op de horizon, (…), aan de schaduwen van het leven die over de gezichten van de mensen trekken.” – Breyten Breytenbach

“Geurende poëzie van de enige Nederlandse griot.” – de Volkskrant

Jan Kees van de Werk is ‘de peetvader’ van de Afrikaanse literatuur in Nederlandse vertaling. Hij startte in 1978 de Afrikaanse Bibliotheek waarin in 20 jaar 50 delen zijn verschenen en maakte zo de literatuur uit Afrika bekend in Nederland en België. Voor zijn journalistieke werk over Afrika en voor de Afrikaanse literatuur werd hij meermalen bekroond zowel in Nederland (Dick Scherpenzeelprijs, 1992) als in Afrika (o.a. APNET Award for Support to African Publishing, 2002). Als dichter werd hem in 2002 de Imbongi Yesizwe Poetry International Award toegekend.

De pers over Gevleugeld vuur«Bij deze dichter speelt de natuur een allesoverheersende rol. Het is de natuur van wandelen en vondsten oprapen, van ruiken, horen, voelen en proeven. De dichter roept, via indringende impressies, kleine herinneringen op aan zijn gezin, maar ook aan de sfeer van vroeger: de bewonderde, nu dementerende moeder die zo mooi piano speelde. In het tweede deel verplaatst het decor zich, bijna ongemerkt, naar het Afrikaanse landschap: het is dezelfde manier van kijken, nu naar een kleurrijker flora en fauna en met meer tromgeroffel. Daartussendoor poogt hij de vreemde cultuur te doorgronden. De vorm is liedjesachtig: korte regels, weing lidwoorden, maar wel veel alliteratie en assonantie. De intieme natuurimpressies van deze reiziger, Afrikakenner en dichter lijken door hun vorm en zangerigheid meer geschikt om te beluisteren dan om te lezen.» – Els van Geene NBD/Biblion

Jan Kees van de Werk: dichter, reiziger, waarnemer

«Jan Kees van de Werk is dichter, reiziger, waarnemer. In een vroeger leven was hij uitgever van de Afrikaanse Bibliotheek en vurig pleitbezorger voor een paar van de meest verrassende schrijvers die het continent heeft voorgebracht: veel te vroeg overleden kunstenaars als Sony Labou Tansi uit Congo en Yvonne Vera uit Zimbabwe; of Werewere Liking die in Ivoorkust werkt. Mensen die op hun eigen manier de taal naar hun hand hebben gezet.
Poëzie is een geconcentreerde vorm van de taal naar je hand zetten en Jan Kees van de Werk doet dat op een heel eigenzinnige manier. Hij stript de taal. Geen hoofdletters, punten of komma’s. Vaak niet meer dan één enkel woord op een dichtregel. Schaars gebruik van bijvoeglijke naamwoorden waar anderen zo vaak en zo kwistig mee strooien.
Als je zijn nieuwste bundel – Gevleugeld vuur – opendoet loop je dus geen overdadig geornamenteerde kathedraal binnen. Eerder bevind je je in een eenvoudige witgeschilderde dorpskerk, waar geen beeldenstorm woedt die je naar adem doet happen.
Toch is er veel te zien. Hollandse landschappen in het eerste deel van de bundel: de bossen in de buurt van het huis van de dichter, de hemel
erboven, reigers, vee en grijze regen. De Afrikaanse landschappen in het tweede deel zetten je in de schroeiende woestijnzon. Ook daar heerst de
hemel, lopen olifanten en kamelen over de pagina’s. Die landschappen worden ook bevolkt. In Afrika trekken de vrouwen de aandacht. Van de Werk beschrijft ze met een combinatie van verrukking en bewondering, zoals de zinnelijke godinnen op het eiland Gorée voor de kust van Senegal. Daar gaan ze, in “sirenen van goree”, bevrijd van de loden herinnering aan de slavernij, waar het eiland ooit de (Hollandse!) draaischijf van was. In Nederland staat zijn eigen familie meer op de voorgrond, vooral zijn dochters die hij liefdevol portretteert.

En de dichter zelf? Hij gaat, hij valt, hij krijgt een doorn in zijn voet ergens in een droge bijna-woestijn. En thuis wordt hij beslopen door een vuile ziekte, die hij verbeeldt in “menière”, een huiveringwekkende ervaring die alleen beëindigd wordt door de geruststellende aanwezigheid van één van zijn dochters.
‘geen visa/nodig/voor stilte/en geluiden’ begint het Afrika-deel van de bundel ferm. De dichter verlaat Nederland, trekt door delen van Afrika, maakt daar prachtige reisverslagen van (ze heten “de karavaan van de verbeelding” en “kaurischelpen en kamelen”) en sleept zijn eigen taal, het Nederlands met zich mee. Zo kan het zelfs gebeuren dat een groep toehoorders ergens in een dorp in Mali zich de regels ‘henna kleurt hand’ (uit “zandtaal”) eigen maakt en als een soort avondmantra blijft herhalen. Prachtig beschreven in “de karavaan…” Het kan best zijn dat voor sommigen de dichter teveel weglaat of te grote gedachtesprongen maakt. Dan helpt het wanneer je de Hollandse polder, de Zimbabwaanse savanne of de Sahel kent. Dan vallen de beelden goed op hun plek. Maar vaak hoeft dat helemaal niet; dan staat er gewoon wat er staat. Dat heeft te maken met het ritme dat Jan-Kees van de Werk zijn poëzie meegeeft, een metrum dat je oppakt als je de gedichten hardop leest. Het heeft ook te maken met de verassende woordwendingen. Ergens regent het ‘cirkels op de sloot’. Elders wast een meisje zich in de rivier en ‘hangt druppels in de lucht’. Denk maar eens aan het beeldgebruik van iemand als Dylan Thomas, die in Under Milkwood de nachtelijke zee beschrijft als ‘starless and bible-black’… Lees dus niet alleen de regels, lees er vooral ook naast en tussen. Daar zit je eigen verbeelding en die krijgt in gevleugeld vuur en de andere bundels van Van de Werk alle ruimte.» – Bram Posthumus (Kinshasa) in www.veritate.net/edm/viewer.jsp?m=djyN&s=l7RFC

C.H. Glimmerveen – Klavecimbelstemmen

Dr. C.H. GlimmerveenDr. C.H. Glimmerveen
Klavecimbelstemmen

Studie, Nederland
genaaid gebonden, 14 x 19 cm,
144 blz. + 4 blz. in vierkleuren,
€ 19,50
ISBN 978-90-6265-574-8
Eerste druk 2006

Kees Glimmerveen is een van die auteurs die zijn hart behalve aan het schrijven aan de muziek verpand heeft, als cembalist, organist en componist. Hij publiceerde vanaf 1991 drie romans en een novelle (onder de naam Mackay) bij Uitgeverij de Prom en vanaf 1997 (als Harman Nielsen) vier romans en de zeven delen tellende fantasyromancyclus Het Verscholen Volk bij Uitgeverij In de Knipscheer. Glimmerveen studeerde o.a. astronomie en is gepromoveerd als filosoof.

Voor de vele liefhebbers en bespelers van het klavecimbel schreef hij deze cultureel-wetenschappelijke verhandeling over de geschiedenis van de theorie en de praktijk van het stemmen van toetsinstrumenten, een pleidooi voor een gedifferentieerde (muziek)cultuur. Nog altijd gangbare vooroordelen en misvattingen worden erin weerlegd; het is daarmee zowel wetenschappelijk als cultureel gezien zeer actueel. De auteur wil met de publicatie bereiken dat oude stemmingen nog minder het domein worden van theoretici en meer van musici.

«Tegenwoordig gaan we bij het musiceren vrijwel altijd uit van de evenredigzwevende stemming, waarbij het octaaf in twaalf gelijke delen is verdeeld. Dit systeem is sinds het einde van de 18de eeuw de standaard in de westerse muziek. Wanneer men echter oudere muziek authentiek wil uitvoeren zijn andere stemmingen noodzakelijk. Dat roept vooral problemen op voor bespelers van toetsinstrumenten die vooraf gestemd moeten worden. Vrijwel alle eerder verschenen publicaties over dit onderwerp waren voor mensen die wat minder gevoel voor wiskunde hebben onbegrijpelijk. Astronoom/filosoof/musicus/schrijver C.H. Glimmerveen heeft nu een handig boek geschreven waarmee de meeste bespelers van klavecimbel en klavichord (beroeps zowel als amateur) in staat zullen zijn om hun instrument zelf te stemmen. Hij biedt theoriegeschiedenis (met inde noten veel achtergrondgegevens, stempraktijk (met schema’s), keuzebepaling en diverse andere gegevens en tabellen. Opvallend duidelijke beschrijving van een voor velen (ook musici) onduidelijke materie.» NBD/ Biblion juni 2006

Harman Nielsen – De Hoge Stad. Fantasyroman

Harman NielsenHarman Nielsen
De Hoge Stad

Boek 3 in de romancyclus Het Verscholen Volk
Fantasy, Nederland
Ingenaaid, royaal formaat (14 x 21 cm), 440 blz.
ISBN 978-90-6265-572-4
Eerste druk 2006

De Hoge Stad is boek drie uit de romancyclus Het Verscholen Volk, een verhaal dat in de toekomst speelt en waarin in Het Verscholen Volk niet de sterksten maar de zwaksten op Aarde als groepjes overleven, uitgroeien tot keldervolk, karavaanvolk en riviervolk en totaal nieuwe vaardigheden ontwikkelen. Twaalf jaar later is in De Laatste Jacht de buitenaardse vijand verdwenen, maar dienen zich nieuwe vijanden, nu uit eigen kring, aan. De mens heeft nog steeds zijn zwakten.

In De Hoge Stad zijn opnieuw twaalf jaren voorbijgegaan en schemer dreigt te vallen over de wereld van ‘het verscholen volk’. Sommigen geven de oude bestaanswijze op om onderdak te zoeken in een van de verlaten steden. De Hoge Stad is donker door de hoogbouw, nauw door de stegen. De Muur die erom is opgeworpen, door puin te storten in half neergehaalde hoogbouw, is een gordel van versteende, opeengestapelde oude angst. Zoals een kathedraal die op instorten staat van ouderdom, waar geen licht meer in wil vallen, waar het wrak van een prelaat uit angst voor de eigen dood macht over het nabestaan pretendeert, en waar groepen mensen gedwongen komen geloven.. Zo is De Hoge Stad de veruiterlijking van het gekluisterd worden, het opgesloten zijn in andermans angst en machtshonger. In onvrijheid gaat de mens dood; maar uiteindelijk komt hij aan de Muur en weet er door te dringen.

De romancyclus Het Verscholen Volk is door de pers eensluidend bestempeld tot eigentijds hoogtepunt in het genre.

Harman Nielsen in een essay in 2006 voor NCSF:
“Als iemand me vraagt, waarom ik Fantasy heb geschreven, kan ik dus eigenlijk alleen maar antwoorden: waarom niet? Maar in werkelijkheid heb ik me nooit zo erg afgevraagd of het schrijven van een Fantasy-cyclus nu wel of niet lite-ratuur zou opleveren. Ik ben aan de cyclus begonnen, omdat Fantasy me de vrijheid gaf te vertellen over een speciale wereld met een speciale problematiek. Die vrijheid moet volgens mij trouwens aan alle kunst ten grondslag liggen. Maar in Science Fiction – en al helemaal in Fantasy – komt die vrijheid wel heel specifiek tot uitdrukking. De vrijheid van de verbeelding.”

«Na Het verscholen Volk en De Laatste Jacht heb ik met veel spanning gewacht op het derde deel van de Nederlandse schrijver Harman Nielsen. De reeks gaat over de Aarde ver in de toekomst. Buitenaardse slavenhalers hebben de Aarde leeggehaald. En alleen de zwakken zijn gebleven. Na honderden jaren heeft de mensheid de draad weer opgepakt. Het Wagenvolk trekt over de vlakten, het Riviervolk bevaart de wateren en het Keldervolk woont in de vernielde steden. Over de wereld heerst een stilte en een gestage waakzaamheid. De slavenhalers kunnen immers terugkomen! Gepraat wordt er nauwelijks; men communiceert door een soort vingertaal. In de vorige twee delen hebben we gezien dat er veranderingen optraden. Er is een nieuwe zelfbewustzijn ontstaan en dit heeft de psychische talenten versterkt. In De Hoge Stad is een nieuwe ontwikkeling gaande. De Witte Vrouwe roept, en velen van het Wagen- en Riviervolk hebben gehoor gegeven. De stad is afgesloten door een hoge wal, en wie binnenkomt mag niet meer weg. Wat betekent dit?
Ik kan niet anders dan enthousiast zijn. Het verhaal wordt met veel verve verteld, en het eind is sterk en met stijl. Een absolute topper.» – Dagblad De Limburger

«Harman Nielsen heeft zich in mijn ogen bovenaan de lijst van Nederlandse schrijvers geplaatst met zijn prachtige vertelling over een toekomstige Aarde, beroofd van zijn menselijke bewoners door een ras van slavenhalers. Hun bedoeld lot was uit te sterven. Na eeuwen heeft zich toch weer een gemeenschap ontwikkeld. Het gesproken woord is vervangen door een vingertaal. En nog altijd werpen de mensen steels hun blik naar de hemel. De mensen ontwikkelen nieuwe talenten. Sterke geestelijke vermogens geven sommigen van hen een enmorme potentie. In De Hoge Stad volgen we de bekende hoofdpersonen. Er is een nieuwe dreiging. De Witte Vrouwe roept het Volk naar de stad. Ze is ommuurd, en wie naar binnen gaat, komt niet meer naar buiten. Vluchters worden genadeloos opgejaagd. Wie is de Witte Vrouwe, en hoe kan haar roep zo lokkend zijn? Niet iedereen van het Volk accepteert deze ontwikkeling en er dreigt een confrontatie. Zal er weer bloed vloeien op Aarde, waar de vrede zo lang geheerst heeft?
Wederom een sprankelend feest van stijl, originaliteit en poëtische pracht. Nielsen heeft niet enkel een mooi verhaal geschreven, hij brengt de lezer bij zichzelf en de wereld van nu. Kunst is de projectie van het heden en roept daardoor emotie op. En dat doet dit verhaal. Ik heb het al eerder gezegd: een juweeltje!!!» – Gerrie van Kooij, SF Terra nr. 196

«Met de Het Verscholen Volk-cyclus waagt Harman Nielsen (pseudoniem van Kees Glimmerveen) zich voor het eerst in de fantasy. De wereld die hij neerzet, is weemoedig en zwart. Buitenaardse slavenhalers hebben eeuwen geleden het grootste gedeelte van de mensheid ontvoerd. Alleen de zwakken glipten door het net; de Aarde is een wereld van losers die winnaars zijn geworden. Er zijn nu drie bevolkingsgroepen, elk met eigen talenten: het Wagenvolk, het Riviervolk en het Keldervolk die in de restanten van de steden wonen. Andere volken mijden de steden, maar in dit deel, een vervolg op ‘De Laatste Jacht’ worden de kinderen van Mus gedwongen naar de mythische en verboden Hoge Stad te gaan. Vergelijkbaar met Ursula Le Guin. Het beste dat de Nederlandse fantasy te bieden heeft.» – NBD/Biblion

«In Nederland worden weinig fantasyboeken geschreven, het land telt dan ook maar een paar fantasyschrijvers. Harman Nielsen (een pseudoniem van Kees Glimmerveen) is er zo een. Hij heeft ook ‘gewone’ romans geschreven, zoals Judas, Waanzin en Michelangelo’s Marmer. Een paar jaar geleden is hij begonnen met het schrijven van een fantasy-trilogie, Het Verscholen Volk, en nu heeft hij heeft het derde deel geschreven. In deze episode, De Hoge Stad, bouwt hij verder op het verhaal dat hij is begonnen in Het Verscholen Volk (2003) en /De Laatste Jacht (2004).
De serie begint met het verhaal van een buitenaards ras, de K’zan, die een groot deel van de mensheid heeft weggevoerd als slaven. Alleen de zwakken blijven uit de handen van de K’zan en zij leven dan ook verder, als riviervolk dat met boten over de rivieren trekt of als wagenvolk dat met karren over de vlaktes reist. In het laatste deel van de trilogie is een deel van deze volkeren in de kelders van de steden gaan wonen, en zij heten nu het keldervolk. Om zich te kunnen voortplanten komen de drie volkeren bij elkaar op de vlaktes. Zo nu en dan worden er Sprekers geboren, dat zijn mensen met speciale krachten waarmee ze bijvoorbeeld mensen kunnen genezen of het kunnen laten sneeuwen. Bron en Beer, en ook hun vader Mus, zijn zulke Sprekers. Zij komen erachter dat het wagen- en riviervolk massaal naar de Hoge Stad trekt en om een mysterieuze reden niet meer terugkomt. Als ze willen uitzoeken waarom, worden ze hierbij geholpen door Bles, een vrouw die met wolven reist, en Kauw, die in de Stad woont. Als ze ontdekken wat het volk tegenhoudt, gaan ze dit gevaar te lijf en proberen ze het te bevrijden.
Een minpunt is dat deze roman nogal eens in vaagheden vervalt wanneer het aankomt op de magische krachten van de hoofdpersonen en de belangrijke verhaallijnen. Er wordt bijvoorbeeld een lange tijd gesproken over een ‘schemer’ en een ‘helling’, waarvan op een later punt in het boek pas duidelijker wordt wat ermee bedoeld wordt, namelijk een soort hiernamaals. Daar gebeuren belangrijke dingen, want blijkbaar kunnen Sprekers de doden achterna gaan, met het risico dat ze zelf niet meer terug kunnen komen. Ook kunnen zij dieren temmen en het weer beïnvloeden, maar het wordt pas geleidelijk aan duidelijk dat dit met (een speciale) energie gebeurt. De vaagheden in de verhaallijnen liggen waarschijnlijk aan het feit dat een groot deel van het verhaal al is uitgelegd in de andere twee boeken. Dat maakt dat dit boek toch minder goed individueel te lezen is, want de informatie van de eerste twee verhalen is wel nodig om dit deel beter te kunnen begrijpen.
Toch is er nog genoeg van het verhaal helder om erachter te komen waar het over gaat. De parallelle gebeurtenissen worden om en om verteld en dat houdt de spanning er goed in. Terwijl Beer naar de stad reist en Bron bij het wagenvolk blijft, probeert Bles Mus te helpen bij het verlies van zijn vrouw, Grit. Een ander element versterkt de spanning. In de Hoge Stad heerst een duister, dat veroorzaakt wordt door de muur. Het schemerdonker dat Nielsen opwekt dringt door in het hele boek, wat met de magische krachten van de hoofdpersonen een mystieke sfeer creëert.
Het taalgebruik in het boek doet meer aan Engels denken dan aan Nederlands en voegt meer toe aan de betoverende vertelling. Er wordt veel ‘gesproken’ door middel van handgebaren, en bovendien hebben de volkeren hun eigen manier van spreken. Met woorden als ‘dat is de waarheid’ en ‘zo is het’ zetten de mensen hun uitingen kracht bij. Het vreemde taalgebruik neemt het alledaagse weg uit een taal die we al zo goed kennen. Ook de namen van de karakters zijn interessant omdat ze verwijzen naar de aard van de persoon. In een fantasiewereld komt dit uitstekend tot zijn recht.
Fantasy is een genre dat de meeste mensen al snel met Engelse boeken zullen associeren; The Lord of the Rings of Harry Potter zijn populaire voorbeelden. Deze Nederlandse trilogie wijkt af van de standaardformule die fantasy kent: geen elfen of dwergen, geen grote queeste die met behulp van magische voorwerpen volbracht moet worden. Nielsen beschrijft een samenleving die op de Middeleeuwen lijkt, maar dan gesitueerd in de toekomst. Niet alleen schrijft hij goed, hij geeft ook een eigen draai aan het genre. Met dit boek bewijst hij dat ook een Nederlands fantasyboek prachtig uit de verf kan komen.» – Marjolein Tamis op www.recensieweb.nl

«Er is veel gebeurd sinds eeuwen geleden de slavenschepen van K’zan de aardse bevolking hebben weggevoerd. Al die tijd heeft de bevolking in kleine stammen geleefd en zijn ze als nomaden over het land en het water getrokken. Maar daar komt nu verandering in, want de mensen worden opgeroepen om naar De Stad te komen. En wanneer ze hier eenmaal zijn, is het haast onmogelijk om er weer weg te komen. Enkelen lukt het, maar zij moeten dit soms met hun eigen leven betalen. Wanneer Bron en Beer (intussen volwassen geworden) hier wat aan besluiten te doen, blijken er nog meer factoren mee te spelen. Want waarom zouden mensen die van de velden en rivieren houden zich op laten sluiten in een vervallen stad? Zoals bij alle boeken uit deze serie, moet je in het begin even weer in het verhaal komen. Maar deze schrijver/filosoof is een meester in de vertelkunst en vooral de overtuigende karakters maken dit boek voor mij om te smullen.» – Sandra Pellegrom Elf Fantasy

Meer over ‘De Hoge Stad’
Meer over de Het verscholen Volk-cyclus

Mark Insingel op longlist Libris Literatuur Prijs 2005

Mijn territoriumDe jury van de Libris Literatuur Prijs 2005 heeft op 27 januari 2005 ‘Hoe hij rolt’, de in najaar 2004 bij Meulenhoff verschenen nieuwe roman van Mark Insingel, op de longlist geplaatst. In 1975 werd werk van Mark Insingel bekroond met de ANV-Visser Neerlandia-prijs. Voor zijn eerste roman bij Uitgeverij In de Knipscheer, ‘Mijn Territorium’, werd hem net niét de Multatuli-prijs 1981 toegekend.
Meer over Mark Insingel op deze site

Diana Lebacs – De langste maand

Diana LebacsDIANA LEBACS
De langste Maand

Curaçao, Roman
Ingenaaid, 226 blz., 14,75
ISBN 90 6265 388-x
Eerste druk 1994
Tweede druk 2005

De langste maand vertelt het verhaal van Biriña Faneyte, beter bekend als ‘Bir van op de heuvel’, en haar steun en toeverlaat Evy, een jongen die zijn school heeft afgemaakt, maar geen werk kan vinden. Bir komt tot de ontdekking dat haar zo vertrouwde, stabiele wereld als een kaartenhuis aan het instorten is. Intussen eisen de voorbereidingen voor het carnaval ieders aandacht op. Tijdens de Gran Marcha, in de bedwelmende roes van het carnaval, dansen Bir en Evy langzaam maar zeker hun ondergang tegemoet.

«Dit verhaal is zo onvervalst Curaçaos, zo levendig en met zoveel hart geschreven, dat de schrijfster wat mij betreft de hoofdprijs toekomt voor het beste literaire werk van het jaar. Het knappe en ontroerende is dat De langste maand afsluit met een symbool van hoop.» – Pim Heuvel in Beurs- en Nieuwsberichten

«Diana Lebacs weet een levendig beeld te geven van Curaçao zoals het veranderde en nog verandert.» – Jos de Roo in Trouw

«Geschreven vanuit de traditie van een Edward de Jongh, Earl Lovelace, Jamaica Kincaid, Grace Hallworth en Venezolaanse telenovelas.» – Chispa

De Curaçaose schrijfster Diana Lebacs geniet in Nederland vooral faam dank zij haar kinderboeken en jeugdromans, zoals het met een Zilveren Griffel bekroonde Nancho van Bonaire. De langste maand is haar eerste roman voor volwassenen. In dit verhaal van Bir en Evy, en dat van de vele personages om hen heen, laat Diana Lebacs ons de jungle zien waarin het leven op Curaçao verstrikt is geraakt.

De pers over De langste maand
«Mijn moeder is creools-Surinaams, mijn vader Indisch-Antilliaans. Na een tijd van verwarring over mijn identiteit heb ik die als pluriform aanvaard. Zo kon ik de vermenging van die meerdere culturen als verrijking ervaren. Antilliaans is per definitie gemengd. Veel mensen zien de wereld in geografische hokjes. De Antillen zijn niet te vangen in een hokje. Zij dragen een eindeloze smeltkroes van culturen in zich. Dat wordt ook weerspiegeld in onze literatuur. De langste maand is schrijnend actueel als je de werkelijkheid van het Curaçao van nu tot je door laat dringen. Bir is als romanpersonage ontstaan uit mijn eigen gevoel van pijn en onvermogen om in de maatschappij van vandaag als vrouw van tegen de vijftig mijn draai te vinden. Vrouwen als Bir, een oudere vrouw met zo’n schat aan ervaring en kennis, waren vroeger de spil van de samenleving, het kloppend hart van het eiland. Bir is `Cursao’, wat `hart’ betekent. Vandaag de dag wordt de waarde van vrouwen als Bir vaak niet meer gezien of onderkend. Als het zover is, moet er iets heel grondig mis zijn met een samenleving.» – Diana Lebacs in een interview met Veronica van Roon voor Surplus, 1994

«De langste maand is de eerste roman van Diana Lebacs voor volwassenen en misschien ook wel haar beste werk tot nu toe. Dit verhaal is zo onvervalst Curaçaos, zo levendig en met zoveel hart geschreven, dat de schrijfster wat mij betreft de hoofdprijs toekomt voor het beste literaire werk van het 1994. De roman gaat over de snelle veranderingen in het Curaçaose leven van alledag. Lebacs beschrijft die niet tegen te houden ontwikkeling niet op een huilerige, verongelijkte toon, maar verpakt in een dramatisch verhaal vol hoogtepunten. Ze is een geboren vertelster. De winst van haar roman is de spanning die ze haar roman weet te geven, die ze ondanks het ernstige onderwerp knap weet af te wisselen met schilderachtige en geestige beschrijvingen van taferelen rond bijvoorbeeld de dierenvriendverkiezing, waarvan de organisatie op een burleske manier helemaal uit de hand loopt. Die schrille tegenstelling van ernst en humor doet voor mijn gevoel echt Caraïbisch aan. Het knappe en ontroerende is dat De langste maand afsluit met een symbool van hoop.» – Pim Heuvel in Beurs- en Nieuwsberichten

«Centrale figuur in De langste maand is de oudere Biriña, die model staat voor de traditie. Zij ziet met lede ogen de oude, vertrouwde behoedzaamheid in de omgang met elkaar verdwijnen in het verlangen naar gemakkelijk materieel gewin. Symbool van de nieuwe tijd zijn de verslaafde Evy en de niemand ontziende journalist Malus. In de carnavalstijd lopen de onderlinge spanningen op met een fatale afloop voor Malus en met redding voor Evy die eindelijk persoonlijke aandacht krijgt. Diana Lebacs weet een levendig beeld te geven van Curaçao zoals het veranderde en nog verandert. De trotse Biriña die haar eigen boontjes wil doppen, is een levensechte figuur, die de Nederlandse lezer een heel bijzondere manier van denken toont.» – Jos de Roo in Trouw

«De langste maand is een scherp portret en tekent de sfeer van de buurt waar `Bir van op de heuvel’ woont en de mensen in haar omgeving: Fooi, van het winkeltje, Evy, de gediplomeerde maar werkloze jongere, Malus de roddelpersjournalist, Rishaima, die uit de groep wordt gegooid omdat ze haar kostuum niet betaalt, Loudrid, Birs dochter die evenuit Nederland overwipt, Colombianen, werkzaam in haar `tuin’ die een handje toesteken bij de voorbereidingen voor Carnaval, ex-politieman Inesia, rechercheur Godvriend en zo meer. De langste maand is geschreven vanuit de traditie van een Edward de Jongh, Earl Lovelace, Jamaica Kincaid, Grace Hallworth en Venezolaanse telenovelas. Goed getroffen sfeertekeningen, een spannend verhaal, veel personages, een bezorgd woord over de verloedering van de maatschappij, deze ingrediënten heeft Lebacs samengevoegd tot een sterke Antilliaanse Nederlandse roman.» – Chispa

Hugo Pos – Een uitroep zonder uitroepteken

90-6265-247-6HUGO POS
Een uitroep zonder uitroepteken

Nederland – Kwatrijnen
72 blz., paperback
€ 12,50
ISBN: 90-6265-247-6
Eerste uitgave 1987

Hugo Pos (1913) debuteerde in 1985 met de verhalenbundel Het doosje van Toeti (over zijn vroege jeugd in Paramaribo). Episodes uit zijn bewogen leven vertelde hij aan Jos de Roo in Oost en West en Nederland (1986). En zo is Pos na zijn pensionering als rechter nu plotseling schrijver geworden.
Maar schrijven voor zijn plezier heeft hij al sinds zijn studentenjaren gedaan, kwatrijnen met name, een vorm die hem op het lijf geschreven lijkt – vierregelige gedichten waarin op speelse toon de grote thema’s van de poëzie – liefde, leven en dood – aan bod komen:

Eros en Thanatos, fut, kameraad,
ze zijn de ruggengraat van mijn kwatrijnen
houd maar je dagboek bij, in grote lijnen
is gisteren even vrolijk als vandaag

Uit al die her en der gepubliceerde (in tijdschriften, als motto’s in zijn beide boeken, in de particuliere gelegenheidsuitgaven 12 Kwatrijnen en Het tweede dozijn kwatrijnen en nooit eerder gepubliceerde kwatrijnen, heeft Hugo Pos er zestig samengebracht in Een uitroep zonder uitroepteken – Een boekje om te koesteren.

Ik hijgde leven, leven, leven,
als ik naar bed moest ben ik opgebleven
tot ik erachter kwam: `La Vida breve’,
hooguit een uitroep zonder uitroepteken.

Didi de Paris op gedichtendag 2005

Erfgoedhuis AntwerpenUitgerekend in het fraaie interieur van de Hofkamer van het Erfgoedhuis, door de fiere stad Antwerpen in 1772 verbouwd om er belangrijke gasten te ontvangen, en met de rijkdom de buitenwereld te overbluffen, zullen op de avond van 27 januari, Nationale Gedichtendag, vier vreemde vogels neerstrijken: Eva Cox, Didi de Paris, Han van der Vegt en Peter Holvoet-Hanssen.

De deelnemers/sters zullen er hun poëticaal werk confronteren met het begin van de moderne Nederlandstalige poëzie: Paul van Ostaijen. Als deze een vrouw geweest was dan zou hij geklonken hebben als Eva Cox. Het voorbije jaar debuteerde ze ijzersterk met “Pritt.stift.lippe”. Op papier tast ze of er inkt er in haar vingers zit en op een podium zet ze letters op stem. Hoe je het draait of keert, Cox on stage is een sensatie.

Didi de Paris portretteert Van Ostaijen als die eind 1918 als banneling in Berlijn verblijft. Tussen de diepe wonden die een wereldoorlog slaat en de wreedheid waarmee een revolutie de kop ingedrukt wordt, zoekt de dichter asiel in een dadaïstisch no man’s land. Aan een gelijkaardige vrijstaat bouwt de dichter. De voorbije 25 jaar zwierf De Paris als een troubadour door de lage landen en door de literatuur. Dit jaar hoopt hij rust te vinden in een dichtbundel.

Peter Holvoet-Hanssen verraste het voorbije jaar met zijn prozadebuut ‘De vliegende monnik’, leest voor de gelegenheid oorlogsgedichten voor uit zijn alom gewaardeerd poëticaal drieluik Strombolicchio, Dwangbuis van Houdini en Santander, legt linken met Van Ostaijen en breng ook verzen van de grootmeester. ‘Gedichten moeten / een belevenis zijn, niet geschreven lijken.’ zegt hij. Wellicht krijgen we ook materiaal te horen krijgen uit zijn nieuwste poëzieproject : Spinalonga. Bij elk nieuw werk van deze auteur horen we Van Ostaijen zeggen “Allen daar heen!”

De Last Post wordt geblazen door Han van der Vegt. Als opwarmertje brengt hij een hommage aan Baader. Hiermee katapulteert hij u naar de Berlijnse Dada Club van oktober 1918. Van hieruit vertrekt u in pole position door een bezwerend gedicht. Het voorbije jaar publiceerde Van der Vegt het magistrale “Ratel”. Hij wordt bijgestaan door Filip Vandebril op contrabas. Engelen, duivels, of gewoon een interventie van het ruimteschip Exorbitans? De combinatie was onaards. The perfect poem to blow your mind.

27 januari 2005,
Erfgoedhuis Den Wolsack, Hofkamer, Oude Beurs 27, 2000 Antwerpen. 03/212.29.73
Toegang €3 Deuren 20u – aanvang 20u30 Duur 90 minuten

Didi de Paris confronteert samen met drie andere deelnemers zijn poëtisch werk met het begin van de moderne Nederlandstalige poëzie: Paul van Ostaijen.

Didi de Paris – Maladie d’Amour. Roman

90-6265-259-xDidi de Paris
Maladie d’Amour

Roman, België
Paperback, 128 blz.,
ISBN 90-6265-259-X
Eerste druk 1987

«Psychiatrisch patiënt geneest zichzelf.»

“Lieve zuster, zie hier de eerste bladzijde van mijn allegorisch dagboek! Op mijn zoektocht ben ik slechts geïnteresseerd in de eigen mythe – en het doorbreken ervan! Nauwkeuriger dan de modernste apparatuur waarover men hier beschikt, zal ik mijn lelijkheid beschrijven, haarfijn, tot ik ’n sprankeltje schoonheid vinden zal. De resultaten van mijn onderzoek zal ik aan u overdragen.”

Zo ontstond Maladie d’Amour, het eerste boek van Didi de Paris. Men zou het een therapeutische roman kunnen noemen, omdat het is opgezet als een fragmentarisch verslag van problematische ervaringen (in relaties, met werkloosheid, enz.) die tot een crisissituatie en opname in een psychiatrische kliniek hebben geleid, en van zijn verblijf aldaar.

Maar vooral is het een vlijmscherp tijdsbeeld, geschreven in een spontaan proza, dat gekenmerkt wordt door verrassende, soms schokkende beelden, wrange humor en een meeslepend eigentijds ritme.

“Oh! Daar gaat de bel, de zuster brengt mij mijn avondmaal. Ik leg dus maar vlug mijn pennetje neer, vooraleer ik er opnieuw mee in mijn arm begin te griffen.”

«Een bespreking van dit boek is overbodig. Je moet het gewoon ondergaan. Van de hak op de tak stuurt Didi je immers de psychiatrische inrichting in. Maar hij doet dat met zo’n virtuositeit dat je er paf van staat!» – Weirdo’s

«Het schijnbaar spontane verslag van iemand die een psychische crisis doormaakt. Tegelijkertijd wordt in de individuele crisis een beeld geschetst van de crisis van de maatschappij… Het boek bestaat uit een aantal korte fragmenten. Ze lijken sterk associatief geschreven, maar vertonen een grote onderlinge samenhang.» – De Waarheid

«Een verzameling invallen, vele erg geestig… Een vlot romandebuut. Iets wat van andere debutanten uit de punkgeneratie niet gezegd kan worden.» – De Gazet van Antwerpen