Erich Zielinski – De engelenbron

erich zielinskiErich Zielinski
De Engelenbron
Curaçao, Nederland
Paperback, Ingenaaid, 254 blz., 15,75
ISBN 90-6265-561-0

In het oude stadsdeel Otrobanda op Curaçao meent Monchín zijn evenwicht te hebben gevonden. De Harley Davidson waarop hij als politieman reed is met keilbouten verankerd in een betonplaat op een oude waterput. Op die motorfiets vlucht Monchín uit de werkelijkheid en houdt hij existentiële monologen met zijn alter ego ‘Broeder Abt…’

Zielinski schildert met een gevarieerd pallet van emoties in De Engelenbron een wonderlijk en veelkleurig Caribisch decor waarin de mens te zien is, getekend door zijn noden en de verleidingen van het leven. De humor is nooit ver te zoeken, evenmin als de kritische ondertoon waar het penseel vluchtig overheen strijkt.

Handelen in drugs is een kunst, zoals balletdansen in een mijnenveld kunst is. Je moet goed opletten waar je je voeten neerzet en toch geen enkele noot missen van de muziek.

De personages in het boek ontkomen niet aan de dans. Petchie, Monchín en Hendrik van Alsum raken verstrikt in een mislukte drugsaffaire waarin twee vrouwen uiteindelijk de touwtjes in handen hebben: Aura die opgroeide in een sloppenwijk in Santo Domingo waar het instinct tot zelfbehoud sterker is dan alle deugden bij elkaar, en Rona. Zij was een Hindoestaanse, en dat alleen al omringde een deel van het huis met mystiek alsof daarin knielende mensen wierook offerden. Zij had een non kunnen zijn; een kloosterlinge die alleen nog haar God diende.
In dat huis ligt de invalide Hendrik en luistert naar Piaf: Et on danse, on danse, on danse

Erich Zielinski, zoon van een Duitse vader en een Curaçaose moeder, werd in 1942 geboren op Bonaire, maar groeide op in het oude stadsdeel Otrobanda op Curaçao. Na zijn opleiding in Nederland keerde Zielinski terug naar de Nederlandse Antillen waar hij werkzaam was als onderwijzer. Hij werd in die tijd oprichter en redacteur van het tijdschrift Vitó dat in de woelige jaren zestig als `kritisch tijdschrift tegen het establishment op de Nederlandse Antillen ageerde. Op Curaçao voltooide hij zijn rechtenstudie en vestigde hij zich als advocaat. Begin jaren zeventig was hij korte tijd hoofdredacteur van het voormalige dagblad Beurs- en Nieuwsberichten, waarna hij toch weer koos voor de advocatuur. De Engelenbron is zijn eerste roman.

De pers over De engelenbron
«Monchín, bijna gepensioneerd politieagent op Curaçao, houdt er een merkwaardige gewoonte op na: met regelmaat kruipt hij op zijn Harley Davidson die met keilbouten is verankerd boven een put, en terwijl hij de motor laat brullen, praat hij tot zijn betere ik, ‘Broeder Abt’. Hij woont in het grote huis De Engelenbron, waar ook de Dominicaanse prostituée Aura met haar dochter woont, en de verlamde zakenman Hendrik met wiens vrouw Monchín de liefde bedrijft. Er ontspint zich een intrige rond de drugsdealer Petchie die tot een dramatisch hoogtepunt komt wanneer Aura’s dochter overlijdt aan het slikken van drugsbolletjes. Deze eerste roman van Zielinski (Bonaire, 1942) is een schot in de roos. Aan de actuele drugsproblematiek van Curaçao geeft hij trefzeker een rijk decor als van een grote Latijns-Amerikaanse roman. Hij bouwt de spanning voortreffelijk op, schrijft soepel, geestig en met veel menselijk medeleven. Het lijdt geen twijfel: dit is het belangrijkste Antilliaanse romandebuut sinds Frank Martinus Arion.» – Michiel van Kempen voor Biblion

«Er is voor de lezer veel te beleven in De Engelenbron. Zo speelt een aantal intrigerende motieven op mysterieuze wijze door en met elkaar, wat het lezen ervan tot een spel maakt en wat zijn uitdrukking in het lichtvoetige taalgebruik vindt. Ik kan u verzekeren dat met het debuut van Erich Zielinski het eiland Curaçao een schrijver rijker is geworden, omdat De Engelenbron inhoudelijk interessant is en bovendien een originele vorm heeft met een knappe structuur en persoonlijke stijl». – Wim Rutgers in Amigoe

«Deze eerste roman van Zielinski (Bonaire, 1942) is een schot in de roos. Aan de actuele drugsproblematiek van Curaçao geeft hij trefzeker een rijk decor als van een grote Latijns-Amerikaanse roman. Hij bouwt de spanning voortreffelijk op, schrijft soepel, geestig en met veel menselijk medeleven. Het lijdt geen twijfel: dit is het belangrijkste Antilliaanse romandebuut sinds Frank Martinus Arion.» – Michiel van Kempen voor Biblion

«Een roman doordesemd van drugs, niet van de verslaving eraan maar van hun maatschappelijke invloed, is tamelijk uniek – en over Curaçao al helemaal. Wat de Nederlandse lezer ogenblikkelijk treft is het karakter van smeltkroes dat Otrobanda in de onnadrukkelijke weergave van Zielinski heeft. De lezer ziet het bonte en verwarrende leven in de hellende steegjes van Otrobanda met hun pastelkleurige huisjes voor zich, decor voor moord en overspel met humor. In De Engelenbron ontkracht Zielinski het cliché dat van drugs alleen een paar superdealers profiteren: de oneervol ontslagen politieman kan er zijn schamele zolderwoning van opknappen, de oudere Dominicaanse prostituee verwerft een pand al verliest ze haar dochter aan de bolletjesslikkerij. De plot is een thriller waardig, een oningewijde moet goed opletten om de deals in drugs en onroerend goed te volgen.» – John Jansen van Galen in Het Parool

«Boeiend beeld van de Antilliaanse ‘escape’-mentaliteit.

«De eerste keer dat de argeloze Nederlander het boek ‘De Engelenbron’ van de Antilliaanse schrijver Erich Zielinski leest, raakt hij wellicht geschokt. Prostitutie, buitenechtelijke kinderen als een geaccepterd verschijnsel, drugshandel, moord; het komt er allemaal in voor. Een boek om van je af te schuiven, zeker vanwege het lugubere slot, waarin een lijk met man en macht van een zolder naar beneden wordt gesjord om buiten in een put gedumpt te worden. Wanneer de lezer echter een tweede keer naar het werk grijpt, raakt hij onder de indruk van de gevoelig uitgebeelde personages, die tezamen een indringend tijdsbeeld geven van het leven op het zonnige rijksdeel Curaçao.» Uit: Haagsche Courant, 13 juli 2004

«De Engelenbron is zéér de moeite waard
Ik krijg regelmatig per mail ontzettend wervende aanbiedingen van boeken van de relatief kleine uitgeverij In de Knipscheer en nu heb ik al een paar keer zo’n aangeprezen boek gelezen en telkens blijkt dat de moeite waard.
Zo las ik een heel bijzondere roman van een Antilliaanse schrijver, van Erich Zielinski, geboren op Bonaire, maar opgegroeid in de volkswijk Otrobanda in Willemstad op Curaçao. Eerst was hij onderwijzer, later advocaat. Hij heeft altijd geschreven, vooral poëzie en dan in het Papiaments. Nu is er zijn eerste roman De Engelenbron, op zijn 61ste, een laat debuut dus. Hij schreef het in het Nederlands en het zou best eens de laatste Antilliaanse schrijver kunnen zijn die dat doet, want de nieuwe generatie op de Antillen beheerst het Nederlands steeds minder. Curaçao is meer en meer een smeltkroes van nationaliteiten: natuurlijk veel Surinamers, wat Nederlanders, maar ook veel Venezolanen, Colombianen en mensen uit de Dominicaanse Republiek enz. en dat zie je mooi weerspiegeld in de roman, die zich ook in Otrobanda afspeelt. Drugs spelen een grote rol, het speelt zich tenslotte af op Curaçao, en het is echt fascinerend om te zien hoe enorm de maatschappelijke invloed ervan op de eilandbewoners is. Ze zijn er niet aan verslaafd en toch heeft iedereen er op een bepaalde manier wel mee te maken, want uiteindelijk sijpelt dat grote drugsgeld door naar de onderste regionen, niet alleen naar die arme bolletjesslikkers, maar ook bijvoorbeeld naar die oude politieman die door zijn kop in het zand te steken een kleine tegemoetkoming ontvangt. In ieder geval realiseer je je dat dat drugsgeld ondertussen een economische en sociale factor van belang is geworden. Erich Zielinski bevolkt zijn roman met kleurrijke types en bouwt zijn plot zorgvuldig en spannend op. Het boek is een beetje een thriller en in het juryrapport van de Gouden Strop dit jaar werd zijn debuut ook met name genoemd en geprezen en zelfs aanbevolen, maar de jury vond het om duistere redenen nú niet voldoen aan hun thrillermaatstaven. Hoe dan ook, De Engelenbron is zéér de moeite waard.» Uit: Adeline van Lier tipt boeken, KRO-radio Dolce Vita 25 juni 2004

«De slechtste mens heeft nog iets goeds
Caribische schrijvers denken niet zwart-wit

Hoe schrijvers in het Nederlandstalig Caribisch gebied tegen hun omgeving aankijken, weten we eigenlijk niet, omdat hun werk nauwelijks tot Nederland doordringt. Er is hier wel een uitgebreide migrantenliteratuur, maar daaruit komen we vooral te weten wat de migrant in Nederland ervaart. Twee nieuwe boeken uit het Caribisch gebied zelf (‘Het kind met de grijze ogen’ en ‘De Engelenbron’) laten zien dat schrijvers dáár (Annel de Noré en Erich Zielinski) heel andere oriëntatiepunten hebben.
[…]
Realistischer is ‘De Engelenbron’, het debuut van de 62-jarige Curaçaose advocaat Erich Zielinski. Met duidelijk plezier beschrijft hij het bruisende leven in de Curaçaose volksbuurt Otrobanda. Centrale figuur is Monchín, een voormalig motoragent, die ontslagen is omdat hij naakt uit een bordeel de straat opliep. Dat was op zichzelf niet zo erg, maar de kranten gingen erover schrijven, zodat het een politiek gevoelige zaak werd. De macho Monchín heeft groteske trekken die hem onvergetelijk maken. Zo heeft hij zijn motor verankerd op een cementen sokkel, elke maand start hij hem om denkbeeldige ritten op de stilstaande motor te maken. Zielinski’s levendige debuut is ook een eerbetoon aan een volk dat zelf de handen uit de mouwen steekt om rond te komen, ook al gaat dat op een manier die de officiële wereld niet accepteert – bijvoorbeeld via de handel in drugs.
Kennelijk leeft bij deze twee Caribische schrijvers het besef dat goed en kwaad met elkaar zijn verbonden. Ze omarmen hun werkelijkheid, al zien ze de fouten van hun landgenoten ook. Ze wijzen niet met een beschuldigende vinger naar Nederland: die werkelijkheid speelt in hun verhalen geen rol.» – Jos de Roo in Trouw

Delen op uw favoriete social network!

Frank Starik – De Grote Vakantie

frank starikFrank Starik
De Grote Vakantie

Nederland. Poëzie
Gebonden, 80 blz., € 19,90
ISBN 90-6265-562-9
Eerste druk 2004

Starik is, door net dat tikje humor en ironie, een meester in het uitlichten van het leven van alledag. In het eerste hoofdstuk neemt hij de lezer mee naar camping Bakkum, van oudsher het zomers toevluchtsoord voor Amsterdamse bleekneusjes. In het tweede hoofdstuk verblijft u op de volkstuin die de dichter onderhoudt of probeert te onderhouden. Hoofdstuk drie beschrijft fenomenen als het boerderijkamperen en de zomerfestivals, want wij moeten voortdurend vermaakt worden teneinde ons beter te kunnen vervelen.

Hoofdstuk vier keert terug naar huis, terug naar de afwas. Alles is weer gewoon, zo gewoon mogelijk dan. Politici worden doodgeschoten, kleine kunstwerken aangekocht en muziekscholen bezocht, banden worden geplakt, vrienden vallen hun fiets, voordeelkostuums worden aangeschaft. Vrienden van vroeger dienen zich aan of serveren zich af. Via hoofdstuk vijf, Prins (naar aanleiding van het overlijden van prins Claus), belandt de lezer in het zesde hoofdstuk (over de grootste aller vakanties, de dood): een groet aan wie de dichter in zijn eigen omgeving en daarbuiten ontvielen. Starik is initiatiefnemer van de Poule des Doods, een groep dichters die Eenzame Uitvaarten in Amsterdam begeleidt. Enkle van de in dit hoofdstuk gepubliceerde gedichten werden voor deze dikwijls anonieme doden geschreven. In Coda, tenslotte, wijst de dichter vooruit naar de nieuwe weg die hij inmiddels is ingeslagen.

Als dichter stond Starik, alleen of met zijn muzikanten van (voorheen) Willem Kloos Groep en De Vakantiemannen (Cor Vos & Von der Möhlen), op vrijwel alle grote en ontelbare kleine podia, van Lowlands tot Landjuweel, van Zaal 100 tot Uitmarkt en Crossing Border. Aan De Grote Vakantie is een CD toegevoegd waarop Starik eigen teksten zingt met Ton von der Möhlen (piano, accordeon, gitaar) en Cor Vos (gitaar, piano).

F. Starik schreef een grote dichtbundel over De Grote Vakantie, het gat in de tijd. Maar volgens mij vooral over de vergankelijkheid. Op de voor Starik kenmerkende onderkoelde maar o zo emotionerende toon. Toegankelijk maar nooit gemakkelijk, simpel maar diepzinnig, contemplatief maar nooit somber.

Gestalte

Vanmorgen schrijft mijn meisje /dat ze mijn gestalte op een foto tegenkwam / alsof ze mij zo, na een lange afwezigheid /opnieuw ontmoette en de maat nam, / in het besef dat deze gestalte naast haar /mij is, ik ben, en dat ze die gestalte / liefheeft, zo ben jij, denkt ze dan. / Zo is hij. Dat is hem.

Toon uw klant de voorkant (Starik in pak op een Puch) de binnenkant (zwaaiend op Puch) de slotpagina (Starik krijgt bekeuring) en achterkant (landschap zonder Starik). Starik toont ons de wereld. De klant verlaat met een prachtboek uw winkel. (De bekeuring bedroeg overigens 23 euro.) – Hanz Mirck (Van Someren & Ten Bosch)

Nóg meer Mooie Woorden:

“Er zijn nog altijd mensen die schijnen te denken dat het een handicap is om meer dan één talent te hebben: gaat het één dan niet ten koste van het ander? Dat aangeboren wantrouwen tegen veelkunners, dat is dus onzin. Iemand kan best dichter, beeldend kunstenaar, zanger en fotograaf tegelijk zijn. Kijk maar naar F.Starik. Zijn nieuwste bundel De Grote Vakantie is net uit.
Iemand zei ooit eens tegen mij: je kunt zien of iemand dichter is als hij een wolk voor de zon kan laten schuiven. Voor F. Starik gaat die stelling op. Het titelgedicht uit de bundel is, zo niet volmaakt, dan toch het werk van een vakman.
Het gedicht staat ook op de bijbehorende cd, waarop Starik, begeleid door muzikanten gedichten zingt. Dat kan hij ook. Recht vooruit, met grote intensiteit, over een soms hypnotische begeleiding.
Ook bij zijn vorige bundel, Simpele Ziel, zat een cd. In die bundel stond onder andere een aantal schitterende stadsgedichten. In die gedichten deed Starik voor Amsterdam wat Randy Newman voor sommige Amerikaanse steden heeft gedaan (Baltimore, Birmingham, L.A.): ze met liefde het graf in prijzen.”
– Adriaan Jaeggi in Het Parool, 12 maart 2004

Ik hou van zijn werk.

Dichter, schrijver, fotograaf, beeldend kunstenaar, theatermaker en nóg meer. Hij is hier in deze rubriek al vaker gepasseerd, ik hou van zijn werk, zijn zorgvuldigheid, de liefde waarmee hij al die dingen doet en naar mijn idee zijn oprechtheid. Of het nou kunststofhonden op het Olympiaplein in Amsterdam zijn, zijn eigen museum, een door hem georganiseerde tentoonstelling van jonge kunstenaars rond het thema De Grote Vakantie of nu zijn net uitgekomen dichtbundel met dezelfde titel, inclusief een CD waarop hij , met zijn broer achter de piano een aantal van die gedichten toonzette.

De bundel zelf is al goed, gewoon, hoe ie eruitziet: Op de omslag alleen een foto van voor tot achter – geen tekst, behalve het ronde stickertje met de tekst met CD dat geplakt is op het wiel van een brommertje waarop Starik gekleed in bruin kostuum en met een zwarte helm op het hoofd langsrijdt. Als je de bundel openslaat zwaait hij je toe vanaf diezelfde brommer en bij de laatste pagina, als je de CD wil pakken, zie je hoe Starik bekeurd wordt door een motoragent – mooi toch?

En de gedichten vind ik ook erg mooi – toegankelijk. Veel van zijn gedichten uit zijn bundel ken ik al van zijn weblog. Daarop doet hij verslag van een bijzondere functie die hij vervult. Samen met een poule van andere dichters maken ze om beurten gedichten voor naam- of familie- en vriendloze overledenen. Hij beschrijft de gang op het kerkhof, de gegevens die hij heeft van de overledene, hoe schamel die ook vaak zijn en het voorgedragen gedicht, van hemzelf, of van dichters als Neeltje Maria Min, Simon Vinkenoog, Rogi Wieg, Eva Gerlach, Menno Wigman. Zijn verslagen en de gedichten ontroeren mij keer op keer. U kan dat weblog ook bezoeken, via www.starik.nl, maar wees discreet vraagt Starik, aan eenieder, hang het niet aan de grote klok, al helemaal niet de media vertellen, hou het voor uzelf… Ik besef dat dit absurd klinkt, hier door mij, op de radio, maar u begrijpt vast wel wat ik bedoel. – Adeline van Lier in KRO’s DolceVita, 3 maart 2004

Ondertussen huil en zeur ik mee, want deze poëzie overtuigt compleet

Struikel! Het ondiepe graf
(over ‘De grote vakantie’ van F. Starik)

DE GROTE VAKANTIE

Zo op het oog hier alles
welvaart en gemoedsrust.
Waar de Noordzee loom
haar brede zandstrand kust.

Vaders, moeders, kinderen
ze lachen, ze spelen, ze scheppen kastelen
in de tamme vloedlijn. Zou er ooit
volmaakter vrede zijn?

Eén van hen zal volgend jaar
niet langer bij ze zijn. Ze onderscheidt zich
al van verre: het dunne kroezend haar.

De zon gaat onder, onbewogen
staan ze in het koude licht.
Niemand maakt bezwaar.

F. Starik

Het lijkt een waarschuwing, de eerste twee regels uit het openingsgedicht van de bundel ‘De grote vakantie’ van F. Starik, alsof er onder de oppervlakte iets broeien zou. Feitelijk gebeurt er niets buitengewoons, totdat de dood om het hoekje komt kijken, waartegen dan weer niemand bezwaar maakt. Er is iets aan de hand en eigenlijk ook weer niet. Er worden in deze bundel flauwe grappen gemaakt tussen vrienden bij een kampvuur, de tuin als maakbare natuur wordt bewierookt en het gezin, waarover de man heel wat minder heeft te zeggen, wordt lichtelijk verafschuwd. Daartegenover staan de onontkoombare vertedering van een kind op blokfluitles en het indrukwekkende einde van een aantal levens of een liefde.

Met name door het veel voorkomende rijm verslapte mijn aandacht soms. In het gedicht ‘Zij was het’ staat bijvoorbeeld: “Iets dieps over het verglijden van de tijd./Maar hij is de draad al jaren kwijt.” Misschien zit ik ernaast en moest het van Starik af en toe zo plat mogelijk, om het oppervlakkige van het leven weer te geven, maar ik wil toch graag een onsje taal en illusie meer.

Ondertussen huil en zeur ik mee, want deze poëzie overtuigt compleet met haar flauwe grappen. In al haar geveinsde oppervlakkigheid heeft ze bovendien vaak wat weg van een heerlijk ondiep en stinkend graf:

EEN VAN MIJN PALEIZEN

Ik lig in mijn hangmat en wieg
aan rijke lange touwen
tussen boom en huis.

De boom: een stakerige den,
waarvan je hooguit lange rechte planken
zagen kan, heel geschikt om het huis
achter mij te bouwen, maar dat staat er al.

F. Starik

We zijn geknecht om te scheppen en te zagen. De dood is geen vriend. Een beetje verzet tegen deze vijand kan geen kwaad, liefst met een lach, of door achter de rug van lange Hein een malse tong uit de mond te steken. Er is hoop! Het leven zit vol mogelijkheden. Uit die stakerige den valt best een rank kistje te zagen. Dus ga heen en verpak of word boer:

DE BOER IS MIJN VRIEND

Ik werkte vroeger in een stal.
Als hooivork. Stro gemend met mest,
en ik mocht alles opscheppen.
Ik deed mijn best.

De boer was mijn vriend.
‘Wat wil je later worden,’
vroeg men, maar ik was dat al.
Ik zag mijn bestemming in de stal.
Op een dag sprak de boer tot mij:
‘Jij bent mijn knecht.’

Dat was mijn trots.
Hij heeft het gezegd.
Ik heb het verdiend.
De boer is mijn vriend.

F. Starik

-Tsead Bruinja in ‘Iets met boeken’, NPS Kunststof, 25 juni 2004

Meander 244 van 4 juli – Joris Lenstra

‘En er is een tijd van gaan

Wie kent er niet het vakantiegevoel? Met z’n allen enkele weken weg naar Frankrijk of naar de camping. De grote vakantie, de grootste vakantie weg van school. In 2003 organiseerde de dichter en beeldend kunstenaar F. Starik in de Amsterdamse galerie Arti & Amicitae met veertig kunstenaars een groepsexpositie, met als thema diezelfde Grote Vakantie. In 2004 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer een bundel gedichten met dezelfde naam, dit keer van de hand van Starik alleen.
Op de vraag welke van de twee projecten uiteindelijk belangrijker voor hem zou zijn, zou hij waarschijnlijk antwoorden dat ze beide van belang zijn. Starik ziet zichzelf niet als alleen maar een dichter, een zanger of een beeldend kunstenaar. Hier gaat het echter alleen om de bundel. De schrijfstijl van Starik laat zich het best omschrijven als een prettige Parlando. Onderwijl hij op gemakkelijk begrijpbare toon over bloemen, slakken en fietsen dicht, ontrolt hij voor onze ogen een alledaags landschap:

De sapstroom

Ik heb een bloem gerepareerd
die door een naaktslak half was opgegeten.
Een fiere zonnebloem waar langs de steel
dicht onder de knop het beest zich een weg
naar binnen had gevreten.

[…]

De gedichten ontlenen hun spanning aan de manier waarop hij observeert en de formulering die hij gebruikt om de observaties te beschrijven. Ik zie dit zelf als de drie-eenheid van de kunstacademie: observeren, interpreteren, formuleren. Op deze manier is hij als een beeldende kunstenaar op een afstandelijke manier bezig met zijn materiaal, de talige werkelijkheid. Het is Starik echter niet alleen te doen om de lezer met zijn observaties te verrassen. Vooral het onvermijdelijke aftakelingsproces fascineert hem:

Schuw (1)

Ik heb vannacht aan u gedacht.
Natuurlijk dacht ik eerst aan hoe u lag
maandenlang bewegingloos in ’t lege huis
ontzield, eigenlijk al verdwenen.

U nam de tijd. Eerst verschenen eitjes,
dan maden, dan vliegen, dan muizen, dan ratten.
De kleine dieren die uw stilstand vieren.
Zij bezatten zich aan uw vlees.

(…)

Hij beschrijft hier nog steeds, maar nu is het verval met het landschap vervlochten. In ‘Schuwer (2)’ schrijft hij over de uitvaart van een zekere heer Schuwer: ‘Maar ik was erbij. Ik ging met u mee.’ In deze regels bekent de dichter zich aan de lezer. Starik ziet om zich heen een landschap van schoonheid en verval, maar dat is eigenlijk niet waar het hem om te doen is. Hij is bovenal op zoek naar de kleine, menselijke ontroering in het leven, ten einde die vast te leggen in de poëzie. Dit uit hij op melancholische toon vaak verwoord met een vleugje ironie:

Pakkenman

Omdat er een nieuwe metrolijn
wordt aangelegd, moest pakkenman
de winkel sluiten. Hij zag er zeer moe uit.

Nogmaals afscheid genomen. Hij schreef
mijn nummer op een klein papiertje,
dan geef ik jou een belletje, dat zei hij.

Buiten de winkel getreden
draaide ik me om en zwaaide met
het laatste voordeelkostuum.

[…]

We zijn allemaal gedwongen afscheid van elkaar te nemen, zo vertelt Starik ons. Niet voor niets zijn de delen ‘Hoofdstuk 5 Prins’ en ‘Hoofdstuk 6 Wenken Voor De Jongste Dag’ gevuld met requiems, kunstwerken opgedragen aan overledenen. Her en der heb ik ook al gelezen dat Starik met de titel van de bundel, De Grote Vakantie, eigenlijk de dood bedoelt. Maar dat is natuurlijk niet waar. Als hij op de dood had willen duiden, had hij wel ‘De Dood’ opgeschreven. De grote vakantie is bij uitstek de tijd van de ontsnapping van het kind aan het saaie bestaan van school en huiswerk. Ook is de grote vakantie de tijd waarin de eerste verliefdheden en relaties gebeuren, juist omdat het vakantiegevoel zo vrij maakt. Het is een tijd van opstaan en ontdekken. En het is een tijd die altijd te vroeg afloopt, omdat je altijd weer terug naar huis toe moet. Het is onmogelijk om te lang op vakantie te gaan, want dan zou het overgaan in migratie, en wordt het een nieuw bestaan met alle saaie valkuilen van dien. Het is juist dit opwindende gevoel van loszijn en jeugdige vrijheid, dat Starik met zijn titel oproept. Dit komt ook terug in het gedicht ‘Zij was het’, een droefgeestige ode vervuld van dronken jongensbravoure. Maar de dood blijft wel aanwezig. Zij wacht de vakantieganger thuis weer op. En de vakantie dankt zijn verlichte ervaring aan het bestaan van de saaie werkelijkheid en de dood.
Met De Grote Vakantie heeft Starik bovenal een pleidooi willen geven voor het leven en voor het bestaan. Starik ziet zichzelf als een Ramses Shaffy, een gepassioneerde zanger die het leven in zijn liederen bewondert en verheerlijkt. Starik is in deze bundel dan ook eigenlijk op zoek is naar die krachtige kern van het leven: de passie. Het komt meerdere malen in de bundel voor, onder andere in de gedaante van het element vuur. Ten overvloede beëindigt hij zijn bundel met het gedicht ‘Een man steekt zijn huis in brand’, waarin huis en haard opgeofferd worden aan een leven voor en door de passie:

Een man stak zijn huis in brand. Hij bleef
daarvoor thuis. Stelde zijn reis uit
en staarde in de vlammen.

Hij stond gebogen over het vuur, scheef
als de toren van Pisa, niet omdat zij scheef staat,
eer omdat zij ooit zal moeten vallen.

En jij moet dan zeggen wat een krachtig gebaar
dit van hem was. De vlammen en het vallen,
het uitstel van de reis. Het einde van zijn huis.

Het gedicht dat mij echter het meeste aansprak, staat qua thematiek apart in
deze bundel. De stijl en boodschap ervan zijn namelijk jaren tachtig
anti-establishment punk:

De man met de zeis

Ten eerste wil ik noemen veiligheid. Blauw die straat.
Zorg en onderwijs, stabiliteitspact. Repressie, rolstoelvervoer,
ziekte en onwetendheid, vol is vol en integratie
identificatieplicht gezinshereniging mijn sociale gehakt.

[…]

En ik ben verantwoordelijk. Verantwoordelijk voor dit klimaat.
Bitter van welvaart, ziek van weelde, geheel gevuld met schimmige beelden
van het glazige oog dat in de kamer staart. Buiten glanst de auto,
volgetankt
in eigen straat, in het licht van lantaarns. Ik wacht tot het alarm af gaat.

Tot slot vind ik ‘Hoofdstuk 5 Prins’ een kleine dissonant in deze bundel. Hierin zijn enkele gedichten verzameld over Prins Claus. Ik vind ze geen van alle bijzonder sterk en origineel in vergelijking tot ander werk in de bundel. Ook wordt in ‘Ik was de prins’ Claus omschreven als een ‘hoer die naar een dure klant verlangt.’. Dit lijkt mij een belediging zonder poëtische meerwaarde, puur en alleen bedoeld voor het schokeffect. Maar, Stariks De Grote Vakantie is een leuke, leesbare bundel geworden, met als toegift bijgevoegd een CD van 15 minuten waarop hij met De Vakantiemannen (Cor Vos en Ton von der Möhlen) enkele gedichten ten gehore brengt. Het is een mooie bonus bij een bundel die zonder ook al de moeite waard zou zijn. – Joris Lenstra

Want per slot is De grote vakantie een prachtwerkje dat het met gemak wint van haast alles dat er in de gemiddelde *)-boekhandel te vinden is. – Tim Donker in De Recensent, 06-04-2004

Delen op uw favoriete social network!

Hans Plomp – Lokomotive

90-6265-239-5HANS PLOMP
Lokomotive

Nederland / Roman
Paperback, 176 blz., € 13,50
ISBN 90-6265-239-5
Eerste uitgave 1986
Uitverkocht

‘In godsnaam, Dina, overleef me niet,’ smeekt in gedachten een ouder wordende zakenman aan het begin van de roman Lokomotive. De vrouw komt kort daarop aan haar einde, en met haar de banden die de man in het burgerlijk gareel houden.
Hiermee begint zijn reis terug in de tijd: naar het Berlijn van de jaren twintig, het milieu van dadaïsten en expressionisten. ‘Lokomotive’ was de bijnaam die de verteller, toen een jonge Nederlandse student, kreeg in de kring rond Raoul Hausmann, Claire en Yvan Goll, George Grosz en Richard Huelsenbeck. De ontmoetingen met deze mensen en zijn andere Berlijnse belevenissen hebben een onuitwisbare indruk op hem achtergelaten. Nu hij ongebonden is tracht hij de draad weer op te pakken: hij schrijft aan een boek, gaat naar Berlijn en onderneemt van alles om de mensen het genie van zijn toenmalige vrienden te laten inzien.

Hans Plomp is als verteller, dichter en essayist bekend om zijn treffend verbeelden van eigentijdse verschijnselen. Met Lokomotive presenteert hij zich als goed onderlegde gids naar het begin van deze eeuw.

Delen op uw favoriete social network!

Hans Plomp – Een schizofreen is nooit alleen

90-6265-142-9Hans Plomp
Een schizofreen is nooit alleen
Over de grenzen van het rationalisme

Essays, Nederland
Paperback, 101 blz.,
ISBN 90-6265-142-9
Eerste druk 1983
Uitverkocht

Hans Plomp wil “de enorme machten, krachten en mogelijkheden verkennen, die nu nog voor een deel verborgen zijn, maar misschien spoedig ter beschikking komen. Mijn werk probeert een pad te hakken door overal opschietende en woekerende crisisgezwellen op zoek naar een betere toekomst… Ik wil de lezers nooit vervelen met wanhoop en ellende, ziekte en uitzichtloosheid; ik wil hen opbeuren en moed influisteren.”

In deze eerste verzameling essays roept Hans Plomp de lezer op zich open te stellen voor de spirituele avonturen in het leven, en de producten van de menselijke fantasie evenzeer als onderdeel van de werkelijkheid te zien als de tastbare materie. De surrealistische kunstenaars en denkers plaatst hij naast andere profeten en zieners, die de barrière tussen bewustzijn en onderbewustzijn – gehandhaafd in het belang van een fictieve orde en een beperkt verstand – proberen af te breken.

Een schizofreen is nooit alleen betekent: wie zich openstelt voor de surrealistische impulsen kan meer inzicht en kennis opdoen dan wie zich niet buiten de scherp afgebakende paden van het rationalisme of het religieuze gezag waagt.

Delen op uw favoriete social network!

Hans Plomp – Gedroomde reizen met vrouwen

90-6265-110-0HANS PLOMP
Gedroomde reizen met vrouwen

Nederland / Verhalen
Paperback, 128 blz., 9,50
ISBN 90-6265-110-0
Eerste druk 1982
Uitverkocht

Ik beschouw mezelf als een vrijdenker die geen taboes kent behalve het aantasten van andermans vrijheden. Met schrijvers als Kesey, Lennon, Castaneda en Snyder deel ik een belangstelling voor andere wekelijkheden, ook al is dat verdacht in Nederland. Maar time is on my side. Zonder andere werkelijkheden dan de huidige, is er geen toekomst.

De dichter en verteller Hans Plomp is befaamd om zijn diepzinnig bespelen van de grote vragen en mysteries van het leven. Het thema van deze verhalenbundel is het ontstaan en liefst de ondergang van het patriarchaat. Tijd en ruimte overstijgend zoekt de auteur naar situaties en breekpunten die het wezen van de vrouw-manrelatie kunnen hebben bepaald, of die tot de beslissende ommekeer kunnen leiden.
Door zijn rijke fantasie en buitengewone kennis weet Hans Plomp beelden op te roepen die even zinnenprikkelend als van diepgaande religieus-mystieke betekenis zijn. Zijn droomwereld, waarin hij ons met deze bundel een kijkje gunt, wordt gevoed uit bronnen die met hun natuurlijke kracht en ongeremdheid de gebruikelijke en geaccepteerde leerstellingen van Darwin, Freud of Christus te buiten gaan.

Delen op uw favoriete social network!

Mooie woorden (6) over Het genie van Rome van Margreet Hofland

margreet hoflandDe pers over ‘Het genie van Rome’:
«Als toneelrecensent Lucas Antheunissen (33) in 1985 kunstacademie-docente Eline (32) leert kennen, ziet deze al gauw een grote uiterlijke en innerlijke gelijkenis tussen hem en de Italiaanse schilder Caravaggio (1573-1610). Eline ontdekt dat een verre voorvader van Lucas uit Italië kwam en de onwettige zoon van Caravaggio was. Deze originele debuutroman speelt afwisselend in de 20ste eeuw (1951-1985) en de 16de eeuwse wereld van Caravaggio. Het levendige verhaal zal vooral liefhebbers van de Italiaanse renaissanceschilderkunst boeien. Een kleurrijk debuut.» – NBD/Biblion

«In de roman Het genie van Rome vertelt Margreet Hofland het verhaal van de Italiaanse schilder Caravaggio en zijn mogelijk afstammeling Lucas Antheunissen. De verhaallijnen van het meeslepende verhaal zijn op meesterlijke wijze vervlochten. De setting is het Italië van de zestiende eeuw en het hedendaagse Europa. Een geniale roman.» – Grande (België)

«Schrijvers debuteren over het algemeen voorzichtig. Met een bundel korte verhalen bijvoorbeeld of een novelle. Bij uitgeverij In de Knipscheer gaat het anders. Het genie van Rome is een 550 pagina’s tellende roman van Margreet Hofland waarin het levensverhaal van de meesterschilder Caravaggio wordt vervlochten met dat van een aantal personen in onze tijd. Zo krijgt Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een 20ste-eeuwse tegenhanger in de persoon van Lucas Antheunissen, een verzonnen verre nazaat van de meester van het clair-obscur. De schrijfster schildert een even kleurig als genuanceerd portret van de jong gestorven meester en zijn omgeving. Caravaggio komt in dit boek zo goed uit de verf dat je je afvraagt of Hofland niet beter een gewone historische roman over hem had kunnen schrijven. Maar toch is Hofland er wel in geslaagd er een meeslepend verhaal van de te maken.» – Sijthoff Pers

«In haar roman Het genie van Rome speelt Margreet Hofland een intrigerend dubbelspel met personen en tijden. En altijd is Caravaggio het middelpunt.» – Haagsche Courant

«Margreet Hofland weeft roman rond driftig genie Caravaggio.» – Haarlems Dagblad

«Onmiskenbaar kent de Nederlandse schrijfster Margreet Hofland het grillige Italiaanse schildersgenie Caravaggio (1571-1610) en diens magistrale doeken door en door. Om zijn leven na te vertellen, koos ze een ingewikkelde omweg: een hedendaagse Nederlander geraakt geobsedeerd door Caravaggio en treedt griezelig precies in diens voetsporen. Het genie van Rome overtuigt als vertelling en portrettering.» – Trends (België)

Delen op uw favoriete social network!

Hertz – OOG OP SLAG

hertzHERTZ
OOG OP SLAG

Nederland / Poëzie
Ingenaaid, 96 blz., 15,00
ISBN 90 6265 558 0
Eerste druk 2003

OOG OP SLAG is het poëziedebuut van de Amsterdamse kunstenaar Hertz (Annette Palstra).

OOG OP SLAG is meer dan poëzie: haar gedichten zijn als composities waarbij niet alleen van de ‘muziek’ maar tegelijk ook van de ‘partituur’ genoten kan worden. Haar teksten zijn op bijzondere wijze vormgegeven gedachten, overpeinzingen, gedetailleerde observaties en zijn de neerslag van een rijke verbeelding.

De uitspraak van Duchamp indachtig (dat ‘een kunstenaar slechts de helft van zijn kunstwerk maakt’) biedt Hertz ook haar lezers’ verbeelding letterlijk de ruimte door zelf alleen de rechterpagina’s te benutten.

Door de vormgeving hoeft de tekst niet uitsluitend lineair gelezen te worden. Zoals een danser zich in de ruimte beweegt, zoals een tekening wordt afgetast, zo kunnen de gedichten eerst bekeken worden.

Het titelgedicht dat de bundel besluit is tevens een soort van index omdat het gecomponeerd is uit in de elk van de voorafgaande gedichten subtiel zichtbaar gemaakte woorden.

Hertz (A.B. Palstra, 1961) genoot haar opleiding aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten. Haar ruimtelijke installaties bestaan uit taaltekens. Taal is voor haar zowel getekende als geschreven tekens. Ze maakte onder meer theaterdecors en werkte mee aan diverse publicaties van kunstenaars. Ze was verder werkzaam als adviseur beeldende kunst in de openbare ruimte en lid van de vakjury van de Shell Young Art Award 2002 en 2003.

Delen op uw favoriete social network!

Harman Nielsen – Het Verscholen Volk. Fantasyroman

harman nielsenHarman Nielsen
Het Verscholen Volk

Boek 1 in de romancyclus Het Verscholen Volk
Nederland / Roman
Paperback, royaal formaat, 256 blz., 16,90
ISBN 978 90 6265 560 1
Eerste druk 2003

Tot nog niet zo lang geleden leek het genre fantasy vooral voorbehouden aan Engelstalige schrijvers en was de fantasyroman een stiefkind van de Nederlandstalige literatuur, in Nederland nog meer dan in België. Uitgeverij In de Knipscheer waagde zich pas in 2001 met een Nederlands auteur aan dit genre, nl. met de debuutroman Ravens Imperium van Edith Louw. Harman Nielsen is geen debutant, want heeft bij In de Knipscheer inmiddels drie gewone literaire romans op zijn naam staan. Laat u nu verrassen door zijn eerste fantasyroman!

In de slavenschepen van de K’zan is de aardse bevolking weggevoerd. Slechts een kleine, kwetsbare groep ontkwam. Voor het eerst overleven niet de sterksten, maar de zwaksten…

‘Hij had zich afgevraagd waarom.
Hij had gezien dat ze in de schaduwen bleven en de stegen verkozen boven de straten. Pleinen meden ze; open ruimte leek voor hen een bron van angst. Hun voedsel verzamelden ze in de sloppen en de kelderruimtes: schimmels, wortels, grassen, en de kleine dieren die er hun eigen voedsel zochten. Ze leefden in de schemer.
Maar ze leefden. En ze hadden licht. Toen de tweede nacht was gevallen, had hij zich verwonderd over het schijnsel dat uit hun kelders straalde. Pas in de ochtendschemer van de volgende dag had hij de bron ervan gezien: een kind was uit een deur geglipt, en in een steeg verdwenen, met een bevende blauwe vlam op zijn hand.’

Welke vergeten gaven bezit dit kleine, verscholen volk? Hoe slaagt het erin te blijven bestaan? Ongemerkt wordt het gadegeslagen door dienaren van de K’zan. Maar nu, na drie eeuwen, moeten deze dienaren kiezen tussen hun eigen leven en het broze, stille, andere, dat ze zo lang hebben gespaard. Het Verscholen Volk combineert overtuigend thriller en legende tot originele fantasy in prachtig beeldende taal. Harman Nielsen, als ervaren verteller, heeft een feeërieke wereld geschapen vol vaart en actie waarin de lezer onweerstaanbaar wordt meegezogen.

Mooi Woorden over Het Verscholen Volk
«Nederlandstalige sciencefiction is schaars en het valt deze schrijver, die voorheen vooral historische romans schreef, te prijzen dat hij deze roman heeft geschreven. De wereld is vrijwel ontvolkt omdat eeuwen geleden een buitenaards ras de aarde heeft leeggeroofd. De restanten van de mensheid zijn nu in gevaar omdat een achtergebleven toezichthouder van de K’zan hen terug naar de planeet wil roepen. De post-apocalyptische wereld wordt gedetailleerd beschreven en met name de cultuur van de verschillende stammen wordt treffend verhaald. Wat opvalt, is de fraaie, geheel eigen stijl van de auteur, die niet alleen beeldend is, maar ook verrassend origineel in de bewoordingen. Het plot komt tot een bevredigende conclusie.» – Biblion

«Een fantasieroman spelend in de toekomst als de bewoners van de aarde zijn afgevoerd in de slavenschepen van de K’zan. Slechts enkelen blijven als verscholen volk en kelderbewoners achter, zij het wel onder toezicht van K’zan-vertegenwoordigers die de eeuwen blijken te kunnen weerstaan. Waar leidt dat heen als het contact met de K’zan verbroken lijkt? Een roman met thrillerachtig karakter.» – Het Nederlandse Boek

«Midden in de nacht komt de K’zan met hun slavenschepen. Ver boven de aarde laten zij hun sleepnetten van angst los, energetische velden, om alle bewoners in te vangen. Waarheen de gevangenen gaan, weet niemand. Wat hun lot is? Misschien worden ze slaaf, fokdier of voedsel. De aarde blijft eenzaam achter. Na een aantal eeuwen zijn de steden vervallen en de bossen tot onherbergzame wouden geworden. Vrijwel niemand weet te ontkomen aan de netten van de K’zan. Soms glippen er een aantal bewoners door maar alleen vinden zij al snel de dood. 300 jaar na de komst van de slavendrijvers is er echter nog steeds leven op aarde. In de krochten van de vervallen steden woont het keldervolk en door de graslanden trekt het karavaanvolk. Maar ze zijn niet alleen. Kauw is één van de wachters van K’zan, achtergelaten door zijn bevelhebbers om te waken over de toestand op aarde. Na drie eeuwen is de aarde hun thuis geworden maar worden hun lichamen broos. Ze moeten kiezen tussen hun eigen leven of het aanroepen van de K’zan en het ombrengen van het verscholen volk. Nielsen is filosoof en dat merk je aan zijn beeldende en ritmische taalgebruik. Waar in fantasyromans de zinnen vaak snel en fantasieloos geschreven zijn en het verhaal centraal staat, gaat het hier juist om de poëzie van de woorden. Op een derde van het boek kom je meer te weten over de komst van de K’zan en begint de strijd tussen de wachters die de K’zan willen aanroepen en degenen die het verscholen volk willen redden. Dan leest het verhaal als een trein. Harman Nielsen laat met Het Verscholen Volk zien dat Nederland de fantasymarkt iets bijzonders te bieden heeft.» – Marinka Copier in Elf Fantasy Magazine (april 2004)

«Het Verscholen Volk van Harman Nielsen onderscheidt zich zo wezenlijk van anderen, zowel nationaal als internationaal, dat ik dit juweeltje de trouwe lezer niet wil onthouden. Op een aarde ver in de toekomst heeft het noodlot toegeslagen. De K’zan, een volk van slavenhalers, hebben de aardse bevolking weggehaald. Enkel de zwakken, die niet bevattelijk waren voor elektronische netten, wisten de dans te ontspringen. En nadat de K’zan weer verdwenen, ontwikkelde zich in de honderden jaren erna weer een beschaving. Een beschaving van zwijgende mensen, die zich verschuilen en altijd steelse blikken werpen naar de hemel. Die bovendien telepatische en telekinetische krachten ontwikkelen zoals de mensheid in zijn geschiedenis nog nooit heeft gekend. Een nieuwe dreiging duikt op als blijkt dat de K’zan waarnemers hebben achtergelaten. Een van die waarnemers is op weg naar het baken, dat de K’zan driehonderd jaar geleden hebben achtergelaten. Een baken dat hen zal waarschuwen dat er een nieuwe oogst op hen wacht op aarde. Er is echter onenigheid tussen de waarnemers. Een van hen verbindt zich met enkele aardlingen om de dreiging af te wenden. De centrale vraag is: is er een toekomst?
De Nederlandse schrijver Harman Nielsen heeft in mijn ogen een geweldig boek geschreven. Een oorspronkelijk verhaal, prachtig gestileerd in zijn taal en met een zeer goede spanningsopbouw. Zelfs zodanig dat je met spijt de laatste bladzijde omslaat.» – Uit: Dagblad De Limburger, 1 juni 2004

«Ik krijg regelmatig per mail ontzettend wervende aanbiedingen van boeken van de relatief kleine uitgeverij In de Knipscheer en nu heb ik al een paar keer zon aangeprezen boek gelezen en telkens blijkt dat de moeite waard. Zo las ik Het Verscholen Volk van Harman Nielsen, een pseudoniem voor de Friese filosoof Kees Glimmerveen. Hij schreef de afgelopen jaren al een aantal romans en heeft zich nu voor het eerst aan het genre fantasy gewaagd. Daar ben ik helemaal niet dol op en ik lees het ook nooit, behalve dan Harry Potter natuurlijk, maar Het Verscholen Volk is echt een boeiend boek! En vooral de stijl van schrijven vond ik erg mooi, heel beeldend en vaak erg origineel: het leest als een trein en neemt je moeiteloos mee in de fantasie. Het verhaal speelt zich af in een verre toekomst als de aarde leeggeplunderd is door buitenaardse wezens. Wat er aan menselijks achterbleef leeft in de spelonken van de verwoeste steden of in kleine groepjes in het veld, zwijgend en steeds hun sporen uitwissend. Langzaamaan zijn zo nieuwe beschavingen ontstaan, die heel andere talenten hebben moeten ontwikkelen. De dreiging nu wordt gevormd door de waarnemers die de buitenaardsen achterlieten. Eén van hen wil het baken ontsteken om hen te waarschuwen dat ze weer een nieuwe oogst aan mensen kunnen ophalen. Anderen sluiten zich juist aan bij de mensen om dat te voorkomen. Bijzonder spannend allemaal. Ik vond het boek echt een ontdekking en een klein wondertje, want hier in Nederland bestaat geen enkele traditie in het fantasygenre.» – Adeline van Lier tipt boeken, KRO-radio Dolce Vita 25 juni 2004

«Hoewel de literaire critici van tegenwoordig fantasy maar al te graag als lectuur beschouwen, en een fantasyroman in grote nationale dagbladen hooguit in themanummers wordt besproken, kreeg ik onlangs echter een roman onder ogen die zeker tot de literatuur gerekend kan worden. Het Verscholen Volk van Harman Nielsen vertelt over de Aarde in de toekomst. Een buitenaards volk, de K’zan’, is naar de Aarde gekomen, heeft de bevolking met behulp van grote netten gevangen en meegenomen als slaven – maar niet de gehele bevolking. In de kelders van oude steden ontwikkelt zich een verborgen volk met bijzondere gaven. Driehonderd jaar na de komst van de K’zan is de aardse bevolking al weer hard gegroeid, hoewel zij zich totaal anders ontwikkelt dan de eerdere aardse bevolking. Dit volk is altijd de angst blijven houden dat de K’zan weer terugkomen. Wanneer een vrouw, achtergelaten door de K’zan om samen met een aantal anderen de Aarde in de gaten te houden, op het punt staat om K’zan weer naar de Aarde te roepen, moet alles op alles gezet worden om dit tegen te houden en toont dit zwakke volk krachtiger te zijn dan het lijkt. Dit boek is werkelijk subliem, niet alleen door de opbouw, die maakt dat je het boek in één ruk uit wilt lezen en die haast de spanning opwekt alsof je een thriller leest, maar ook door het schitterende poëtische taalgebruik waardoor je soms de idee krijgt dat je één groot verhalend gedicht leest. Het originele concept maakt dit boek werkelijk uniek en een aanrader voor iedere Tolkienliefhebber.» – Lembas, tijdschrift van het Tolkien Genootschap Unquendor

«Harman Nielsen publiceerde al drie romans bij In de Knipscheer. Twee daarvan waren historische romans: Skaldenzang speelde zich af in Friesland in 719. Michelangelo’s Marmer speelt zich af met de Spaanse Burgeroorlog op de achtergrond. Ester ging over een kunstenares die tegelijk een bedreven bergbeklimmer is. Met Het Verscholen Volk pakt Nielsen sciencefiction aan. Het verhaal speelt zich af op Aarde in een verre toekomst. De mens is niet meer het enige wezen op de planeet, en de ontmoeting met een ander ras is slecht afgelopen. Tussen de twee rassen die op Aarde aanwezig zijn, groeit een nieuwe verstandhouding. Nielsen kan de nieuwsgierigheid van de lezer opwekken. Hij schrijft enigszins wijdlopig doordat hij veel aandacht besteedt aan de omgeving, en hij doet dat vanaf de eerste pagina. Voor een roman met heel weinig actiescènes slaagt hij er wel in om de lezer gaande te houden. Zijn stijl is bewogen. Het Verscholen Volk is een roman waar velen een goede herinnering aan zullen overhouden. We kijken uit naar De Laatste Jacht, het vervolg op Het Verscholen Volk, dat dit jaar verschijnt.» – De Tijdlijn, zomer 2004

Meer over ‘Het Verscholen Volk Boek 1’
Meer over de Het verscholen Volk-cyclus

Delen op uw favoriete social network!

Kazim Cumert – Ik nodig je uit op mijn begrafenis. Verhalen

Kazim CumertKAZIM CUMERT
Ik nodig je uit op mijn begrafenis. Verhalen

Vertaald uit het Turks door Gerard Busch
Paperback, 176 blz., 14,50
ISBN 90 6265 556 4
Eerste druk 2003

Ik nodig je uit op mijn begrafenis is het eerste boek in Nederlandse vertaling van de in Nederland woonachtige Turkse schrijver Kazim Cumert

De meeste verhalen uit Ik nodig je uit op mijn begrafenis gaan over treffende belevenissen van een Turkse gemeenschap, die zich in een nieuwe samenleving probeert staande te houden, over cultuurverschillen, ook ten opzichte van de tweede, in het westen geboren generatie, over gevoelens van vervreemding en het vaak als gevolg daarvan kwijtraken van liefdes en geliefden en dit alles in een beklemmende vertelstijl.

Twee verhalen uit deze bundel met 15 verhalen verwijzen direct naar de ‘eerwraak’. Het titelverhaal beschrijft een noodkreet van een jong meisje dat bang is dat haar vader haar gaat vermoorden omdat zij ongehoorzaam is geweest.

Jij zat in een hoekje van de kamer weggedrukt en keek naar de mensen om je heen met soms agressieve en soms smekende ogen, als een hondsdol kind. Ja, we waren in mijn huis, je had je weggestopt in een hoekje van de kamer van mijn zoon, van wie je hield als van een broertje. De mensen om je heen, dat waren je oudste zus, je vader en ik. Jij was het hert en wij waren de jakhalzen, de tijgers die zich klaarmaakten om je in stukken te scheuren. Deze keer was je als een prooi in de valstrik gelopen… Wij hadden je in de val laten lopen. Wij hadden je bedrogen.

‘De te laat geschreven brief’ is het verhaal van een vader die ooit zijn dochter wilde vermoorden omdat zij de eer van de familie beschadigd had, maar achteraf in een brief aan zijn dochter spijt betuigt.

In het openingsverhaal ‘De gevangene’ bezoekt de ik-persoon zijn collega-schrijver en uitgever S.O., die in Turkije gevangenzit als ‘subversief element’. Wat volgt is engagement zonder poespas: een realistische en bittere boutade op het gevangenisleven, de Turkse mentaliteit en het land dat volgens S.O. wordt bestuurd ‘alsof het een ongeorganiseerd boerenbedrijf’ is.

In ‘Transferbruidegom’ droomt Kenan weg bij het afgebeeld meisje op zijn whiskyglas, dat hem herinnert aan zijn harteloze ex-vrouw Canan. Uitgehuwelijkt en ingekapseld in Nederland herbeleeft hij zijn diensttijd in Turkije, die hij vlak voor zijn afzwaaien verpest. Voor Canan.

Visssen discrimineren niet, denkt de vierjaar werkloze Metin in ‘Vissen op de Noordzee’. Na de aanblik van verregende sportvissers langs de kanalen richting Emmen, besluit hij zich aan deze Nederlandse hobby te wagen. Het vraagt geen handigheid, geen opleiding en geen diploma. Wel passie, en die groeit bij Metin. Zo sterk zelfs dat de Noordzee een uitdaging wordt…

Onder meer ‘Het werk van ezels’ geeft deze verhalenbundel zijn tragikomische karakter. Een Turks dorpshoofd wordt midden in de nacht door militairen ontboden met de mededeling dat er ’s nachts geen ezels meer buiten mogen staan. Hij piekert zich suf waarom en weet uiteindelijk zijn dienstdoende neef het verhaal te ontlokken.

Kazim Cumert (1956) is van huis uit leraar, eerst in Oost-Turkije en vanaf 1980 in Nederland in eigentaalonderwijs aan Turkse kinderen. Momenteel richt hij zich meer op het schrijverschap en werkt hij aan zijn eerste in het Nederlands geschreven roman.

De pers over Ik nodig je uit op mijn begrafenis
«Er worden treffende gebeurtenissen beschreven, die samenhangen met de migratieproblematiek. Het Turkse familieleven en de traditionele opvattingen komen in botsing met de Nederlandse omgeving en veroorzaken verbazing, onbegrip, verdriet. In het titelverhaal beschrijft een onderwijzer Turkse taal (de auteur zelf) een kind uit zijn klas, een 9-jarig meisje dat nog maar net uit Turkije is gekomen. Als zij 16 jaar is, bereikt het generatieconflict tussen haar en haar vader een hoogtepunt. Deze bundel kan beschouwd worden als een hulp om inzicht te krijgen in deze maatschappelijke conflicten, waarvan de realiteit nog maar nauwelijks is doorgedrongen tot de Nederlandse samenleving.» – Biblion

«In de verhalenbundel van Kazim Cumert figureren veel ontheemde mensen: een vrouw die allerlei gasten verwacht maar niemand op bezoek krijgt, een Turkse man die met een groepje Nederlanders gaat vissen op de Noordzee en zich koud en buitengesloten voelt, een vader die zijn dochter ontvoert omdat ze niet leeft zoals hij wil. In de vijftien verhalen staan eenzaamheid, onbegrip, verlangen, heimwee maar ook de onderdrukking van onder meer schrijvers in Turkije centraal. Ze geven een goed, ander inzicht in het leven van `medelanders’, in de `cultuurkloof’, en zijn geschreven in een heldere, toegankelijke stijl.» – Madeleine Rood in Zwolse Courant

«Een bundel verhalen van een Turkse schrijver die sinds 1980 in Nederland woont. Uit deze verhalen wordt goed duidelijk wat de problemen (kunnen) zijn van Turken die zich in Nederland vestigen en hun plaats in de samenleving trachten te vinden. Dat is niet altijd gemakkelijk door de culturele verschillen en voor hen geheel andere leefomstandigheden. Dat dit niet altijd lukt is geen onwil maar eerder onmacht door nauwelijks te vermijden vervreemding. Het is Cumert goed gelukt dit duidelijk te maken in deze soms erg schrijnende verhalen.» – Het Nederlandse boek

«Temidden van de vele vertaalde boeken, nemen die van een aantal Turkse schrijvers bepaald geen ondergeschikte positie in. In de aansprekende verhalen van Kazim Cumert kan het soms heftig, heftiger dan in Gekke Mustafa van Halil Gr, toegaan: angst voor eerwraak en daaraangekoppelde plannen tot het vermoorden van familieleden. Cumert beschrijft dit alles in een beklemmende stijl vanuit het perspectief van een gastarbeider die inmiddels de nodige klappen heeft opgelopen. Een drietal verhalen speelt zich af in Turkije. Hoewel het decor van de dienstplicht de nodige nostalgie zou kunnen oproepen, zijn het thema’s als bijvoorbeeld gevangenschap versus vrije meningsuiting die deze verhalen een literaire meerwaarde geven.» – Joost Minnaard in Multined

«Een centrale figuur in de verhalen van de in Nederland woonachtige Turkse schrijver Kazim Cumert is de ‘transferbruidegom’. Transferbruidegommen zijn Turkse mannen die aan nichtjes in Europa zijn uitgehuwelijkt. Zo’n huwelijk betekent voor hen weliswaar bevrijding uit de Turkse armoede, maar die bevrijding heeft soms een schaduwkant, zoals in het verhaal ‘Transferbruidegom’. Onderkoeld registreert Cumert wat de prijs is die transferbruidegom Kenan Alev uiteindelijk betaalt.
De vorm is mooi gekozen: Kenan vertelt aan het ‘glasmeisje’, afgebeeld op zijn wiskyglas, over het begin en einde van zijn huwelijk. ‘Zonder ooit haar hand te hebben vastgehouden’, vloog hij voor zijn bruid naar het onbekende Nederland. Jaren van liefdeloos langs elkaar heen leven eindigen met een scheiding waarbij Kenan vrouw en kinderen verliest. Koning alcohol is de laatste vriend die hij nu over heeft, het ‘glasmeisje’ de enige die naar zijn problemen luistert.

Het verhaal van Kenan staat model voor de gevoelens van desillusie, eenzaamheid en depressie waaronder veel eerste generatie Turkse mannen die eind jaren zestig naar Nederland kwamen, gebukt gaan. Ze voelden zich indertijd ‘als de ontdekkers van Amerika’, maar vonden geen onbegrensde mogelijkheden en van hun dromen is niets meer over. Ze hebben niet zoveel geld verdiend als ze hoopten en nu ze gepensioneerd zijn, wonen ze nog steeds in Nederland in plaats van in het Turkse dorp van hun dromen, in de groene bergen. De wrange conclusie luidt dat geen enkele Turkse man het gevoel heeft dat zijn lot wezenlijk verbeterd is door naar Nederland te komen. Of dat overigens ook voor de eerste generatie Turkse vrouwen geldt, die de kans om te scheiden met beide handen aanpakten, waag ik te betwijfelen.

In deze tijd, waarin de verzwaring van maatregelen tegen asielzoekers, vluchtelingen en andere sociaal zwakkeren opgeld doet, is het te prijzen dat Cumert toont hoe moeilijk het voor de meeste mensen is om een nieuw en waardig bestaan in een vreemd land op te bouwen. “Zij beseffen niet dat niemand zijn land uit vrije wil verlaat, zij beseffen niet dat ook zij hun eigen landstreek achtergelaten zouden hebben voor eten, voor brood,” zegt een illegaal. Bij Cumert zijn de nieuwe Nederlanders geen profiteurs, voor wie een bureaucratische benadering volstaat, maar mensen die niets verlangen dan een beetje oprechte interesse in hun persoon en welzijn. Of zoals iemand het in ‘De gevangene’ formuleert: “Je bent een mens, dat is genoeg, de rest is onzin…” Vanuit deze gedachte schrijft Cumert. Daardoor roept hij in de eenvoudige schetsen waaruit zijn verhalen bestaan ontroering op, zoals in het verhaal ‘Het feest’, waarin een gescheiden vrouw met haar kinderen tevergeefs op bezoek wacht totdat ze al het eigengemaakte lekkers ten slotte zelf maar opeten. Ook is in ‘Vissen op de Noordzee’ het psychologisch verval van een man die werkloos raakt, goed invoelbaar.» – geciteerd uit: We zijn voor niets naar Nederland gekomen door Martine Prange in Trouw, 13 december 2003

Delen op uw favoriete social network!

Albert Hagenaars – Tropendrift

albert hagenaarsALBERT HAGENAARS
Tropendrift

Nederland / Poëzie
In het Engels vertaald door John Irons
Pap., 128 blz., 15,00
ISBN 90-6265-538-6
Eerste druk 2003

Kijk hier naar de poëzievideo van het gedicht ‘Singapore: Bugis Street’

Evenals zijn romans en vorige poëziebundels staat Tropendrift in het teken van reizen, interculturele relaties en bovenal de liefde, en wel de liefde in al haar aspecten. De bundel is het verslag van een poëtische reis door enkele landen in Zuidoost-Azië telt zeven cycli die alle gebonden zijn aan een locatie: Thailand, Maleisië & Singapore, Sumatra, Java, Bali, Singapore & Maleisië, Thailand.

Het centrale thema is het besef dat oorlog niet ophoudt bij het sluiten van vrede, dat voor verwerking van leed inzicht nodig is. Verwezen wordt naar de Tweede Wereldoorlog (o.a. de internering van Hollandse en Indische Nederlanders in Japanse kampen en de inzet van Nederlandse krijgsgevangenen aan de beruchte Birma Spoorlijn), de Politionele Acties, de coup van Soeharto in 1965 en de Vietnam-oorlog.

De compositie van respectievelijk 3-6-9-12-9-6-3 gedichten berust op de structuur van de Borobudur. Deze bekende Boeddhistische tempel, een boek met in steen uitgehouwen reliëfs ter lering en vermaak, staat in het midden van Java, dat op zich weer het geografisch centrale en belangrijkste eiland van de Indonesische archipel vormt. Indonesië wordt in de compositie van de bundel als het ware omarmd door de plaatsen die onderweg aangedaan worden door de hoofdpersonen, een ik met meereizende familie.

Van Albert Hagenaars (Bergen op Zoom, 1955) verscheen werk in Duitse, Engelse en Franse vertalingen. De Engelse vertaling Tropical Drift is van John Irons, die onder andere ook Bernlef, Claus en Komrij vertaalde.
zie ook het blogspot over Tropendrift

De pers over Tropendrift
‘Stilistisch vertoont Albert Hagenaars een opvallende voorkeur voor het kwatrijn. Zijn beeldspraak getuigt van een sterk poëische trefkracht.’ – Poëziekrant.

‘Waar Hagenaars ook over schrijft, of het nu gaat over het leven in grote Europese steden of over de vervreemding van het eigen verleden, telkens onthult zich een onvermoeibaar streven naar (her)formulering van de dichterlijke plaatsbepaling. En laat ik het onomwonden zeggen: Albert Hagenaars weet waar hij het over heeft, kent de wetten van het vers en laat zich niet verleiden tot klakkeloze opname in de oneigenlijke verzuiling van onze dichtersbent.’ – Vrij Nederland.

‘Het verwerken van sterk symbolisch geladen motieven en de ongewone, koele, soms zelfs sinistere beeldspraak verlenen de toon van deze poëzie iets obsessioneels en vaak iets intrigerends.’ – Prisma Lectuurvoorziening.

‘Taalstructuren die hun spanning ontlenen aan een geheimzinnige, moeilijk ontleedbare uitstraling. Taalbouwsels waarin als het ware het artistieke temperament van de dichter rechtstreeks werd neergeslagen. Dit neerslaan en uitstralen levert dan een poëzie op die niet in proza kan worden omschreven, maar wel sterk is en fascineert. Raadselachtig, verre van makkelijk, markant en mooi.’ – Brabantia.

‘IJle taalschetsen die intrigeren door hun opzettelijk tekort. De vorm is ook voor Hagenaars niet een vanzelfsprekend iets, maar een ding van buiten waarbij weerstand noodzakelijk is.’ – Haarlems Dagblad.

«De dichter onderneemt in diverse gedaanten zijn tocht door Zuid-Azië. Hij verplaatst zich in ouders en kinderen, soldaten en geliefden. Ook schrijft hij over de speciale band tussen moeders en zonen en die tussen vaders en dochters en het dwangmatige aspect daarvan. In de relatie van de ik met zijn oosterse geliefde is er sprake van een synthese. Het gaat dus om verplaatsingen in de meest ruime zin. Hij reist door de geografische ruimte. De tijd omvat behalve de duur van de reis ook het verleden, tijd vóór zijn geboorte. Daarbij verplaatst hij zich in mensen die hij leert kennen of hoort en leest in verhalen. Albert Hagenaars past dit toe op een niet-expliciete manier die intrigeert. Hij houdt het geheim in deze zeer consistente cyclus gevangen.
De levens van ouders hebben hun directe neerslag op die van de kinderen. En wij allen zijn indirect verbonden met de vele, vele mensen, die door de grote gebeurtenissen in de geschiedenis werden en worden getroffen. Steeds worden ook verhalen uit die geschiedenis herschreven, vervalst of verzwegen. Formules die de wereld willen verklaren, geven geen verklaring voor het leed. Sterk in deze poëzie is dat Hagenaars geregeld de fictieve gedaante benadrukt van de opgevoerde personages. Gelijk de ik een literair personage is. Zij zijn de uitkomsten van feiten, voorstellingen en vervalsingen. Dat maakte hen nog tragischer. Het ware kan niet worden achterhaald.» – Yvonne Né in BN/De Stem

«Zo blijkt de reis een tocht naar binnen. Naar het eigen leven, naar de eigen relaties, naar eigen emoties, inzichten, herinneringen en eerlijkheid. En daarmee is het niet altijd even goed gesteld. Verraad, onbespreekbare familiegeheimen, ontucht en landverhuizers op een zondige weg naar een volgende toekomst, dat zijn de betekenissen en associaties die deze goed geconstrueerde regels projecteren tegen het achterdoek van een exotisch en woelig verleden. Oorlog en geweld zijn de themas waar het in deze bundel om draait. De Jappenkampen, de Birmaspoorlijn, ook de oorlog in Vietnam en de coup van Suharto, maar al deze voorbeelden uit de menselijke geschiedenis worden niet uitsluitend aangehaald om te bewijzen hoe slecht het met de vooruitgang is gesteld. Ze bewijzen dat vrede geen zaken van staten is maar van mensen die tot inzicht zijn gekomen. Die geleden hebben en dat grote en het kleine persoonlijke leed verwerkt hebben.
Hagenaars wil met deze knappe gedichten ook internationaal erkenning afdwingen. Daarom is de bundel tweetalig, links steeds de fraaie Engelse vertaling door John Irons, rechts daaropvolgend het oorspronkelijke Nederlands.» – Camiel Hamans in Brabant Cultureel

«De bundel Tropendrift vormt de neerslag van een bedevaart door Zuid-Oost Azië en de Gordel van Smaragd. De tocht staat symbool voor de menselijke speurtocht naar harmonie. In de Borobudur, het boeddhistische heiligdom op het Indonesische eiland Java, vond Hagenaars een blauwdruk voor de structuur van Tropendrift. Bij de Borobudur passeer je al die reliëfs, vergelijkbaar met onze reliëfs, die op de computer staan. Maar op het hoogste punt, bij de bovenste stoepa, vind je niets, dat wil zeggen: geen godheid die aanbeden wordt. Tenslotte draait het om je eigen inzicht.» – Nick J. Swart in Brabants Dagblad

«In deze tweetalige dichtbundel (Nederlands en Engels) beantwoorden de tropen allang niet meer aan jongensachtige dromen van palmen, tempels en aapjes. Glas, staal en razend verkeer contrasteren met loerende ogen in het struikgewas, oosterse trots verzet zich tegen westerse hoogmoed. Vooral in het huidige Indonesië speelt het verleden van lang verzwegen familiegeheimen mee. Vaak wordt dat gesymboliseerd in de figuur van de vader: angstwekkend geniformeerd of met lieve kampogen. Op de Borobudur kan de wijsheid van de Boeddha de realiteit van afval en stank nauwelijks verhullen. Wat sterk overkomt, is de sfeer van dreiging en angst. Een verrassende bundel.» – Els van Geene voor Biblion (Nederlandse Bibliotheek Dienst)

«Bij Albert Hagenaars is het trouwens sowieso onduidelijk of hij het wel over zijn huidige zelf heeft, want hij torst immers meerdere zielen in de borst, getuige in mijn hoofd, waar de mannen die ik ben denken te slapen (uit De tempel van de poëzie I). Intrigerend is de vervlechting van heden en verleden, een procédé dat Hagenaars geregeld pakkend toepast. Albert Hagenaars staat ook garant voor beklijvende beelden als: Het meer te diep voor de zon. Jij voor mij en Ik was een jonge man en bevocht het niet en Toen ik vroeg naar vroeger en Het lemmet trilt na in de stam. Jij in mij en vooral het onvergetelijke het kwaad dat over de rand van de doopvont komt. De bundel is zo hecht gecomponeerd dat de gedichten amper op zich gelezen kunnen worden. Dat geeft het geheel een verhalend karakter. Je zou deze bundel kunnen lezen als een poëtisch reisverslag.» – Bert Bevers in Stroom (nr. 12, maart 2004)

Delen op uw favoriete social network!