Albert Hagenaars – Tropendrift

albert hagenaarsALBERT HAGENAARS
Tropendrift

Nederland / Poëzie
In het Engels vertaald door John Irons
Pap., 128 blz., 15,00
ISBN 90-6265-538-6
Eerste druk 2003

Kijk hier naar de poëzievideo van het gedicht ‘Singapore: Bugis Street’

Evenals zijn romans en vorige poëziebundels staat Tropendrift in het teken van reizen, interculturele relaties en bovenal de liefde, en wel de liefde in al haar aspecten. De bundel is het verslag van een poëtische reis door enkele landen in Zuidoost-Azië telt zeven cycli die alle gebonden zijn aan een locatie: Thailand, Maleisië & Singapore, Sumatra, Java, Bali, Singapore & Maleisië, Thailand.

Het centrale thema is het besef dat oorlog niet ophoudt bij het sluiten van vrede, dat voor verwerking van leed inzicht nodig is. Verwezen wordt naar de Tweede Wereldoorlog (o.a. de internering van Hollandse en Indische Nederlanders in Japanse kampen en de inzet van Nederlandse krijgsgevangenen aan de beruchte Birma Spoorlijn), de Politionele Acties, de coup van Soeharto in 1965 en de Vietnam-oorlog.

De compositie van respectievelijk 3-6-9-12-9-6-3 gedichten berust op de structuur van de Borobudur. Deze bekende Boeddhistische tempel, een boek met in steen uitgehouwen reliëfs ter lering en vermaak, staat in het midden van Java, dat op zich weer het geografisch centrale en belangrijkste eiland van de Indonesische archipel vormt. Indonesië wordt in de compositie van de bundel als het ware omarmd door de plaatsen die onderweg aangedaan worden door de hoofdpersonen, een ik met meereizende familie.

Van Albert Hagenaars (Bergen op Zoom, 1955) verscheen werk in Duitse, Engelse en Franse vertalingen. De Engelse vertaling Tropical Drift is van John Irons, die onder andere ook Bernlef, Claus en Komrij vertaalde.
zie ook het blogspot over Tropendrift

De pers over Tropendrift
‘Stilistisch vertoont Albert Hagenaars een opvallende voorkeur voor het kwatrijn. Zijn beeldspraak getuigt van een sterk poëische trefkracht.’ – Poëziekrant.

‘Waar Hagenaars ook over schrijft, of het nu gaat over het leven in grote Europese steden of over de vervreemding van het eigen verleden, telkens onthult zich een onvermoeibaar streven naar (her)formulering van de dichterlijke plaatsbepaling. En laat ik het onomwonden zeggen: Albert Hagenaars weet waar hij het over heeft, kent de wetten van het vers en laat zich niet verleiden tot klakkeloze opname in de oneigenlijke verzuiling van onze dichtersbent.’ – Vrij Nederland.

‘Het verwerken van sterk symbolisch geladen motieven en de ongewone, koele, soms zelfs sinistere beeldspraak verlenen de toon van deze poëzie iets obsessioneels en vaak iets intrigerends.’ – Prisma Lectuurvoorziening.

‘Taalstructuren die hun spanning ontlenen aan een geheimzinnige, moeilijk ontleedbare uitstraling. Taalbouwsels waarin als het ware het artistieke temperament van de dichter rechtstreeks werd neergeslagen. Dit neerslaan en uitstralen levert dan een poëzie op die niet in proza kan worden omschreven, maar wel sterk is en fascineert. Raadselachtig, verre van makkelijk, markant en mooi.’ – Brabantia.

‘IJle taalschetsen die intrigeren door hun opzettelijk tekort. De vorm is ook voor Hagenaars niet een vanzelfsprekend iets, maar een ding van buiten waarbij weerstand noodzakelijk is.’ – Haarlems Dagblad.

«De dichter onderneemt in diverse gedaanten zijn tocht door Zuid-Azië. Hij verplaatst zich in ouders en kinderen, soldaten en geliefden. Ook schrijft hij over de speciale band tussen moeders en zonen en die tussen vaders en dochters en het dwangmatige aspect daarvan. In de relatie van de ik met zijn oosterse geliefde is er sprake van een synthese. Het gaat dus om verplaatsingen in de meest ruime zin. Hij reist door de geografische ruimte. De tijd omvat behalve de duur van de reis ook het verleden, tijd vóór zijn geboorte. Daarbij verplaatst hij zich in mensen die hij leert kennen of hoort en leest in verhalen. Albert Hagenaars past dit toe op een niet-expliciete manier die intrigeert. Hij houdt het geheim in deze zeer consistente cyclus gevangen.
De levens van ouders hebben hun directe neerslag op die van de kinderen. En wij allen zijn indirect verbonden met de vele, vele mensen, die door de grote gebeurtenissen in de geschiedenis werden en worden getroffen. Steeds worden ook verhalen uit die geschiedenis herschreven, vervalst of verzwegen. Formules die de wereld willen verklaren, geven geen verklaring voor het leed. Sterk in deze poëzie is dat Hagenaars geregeld de fictieve gedaante benadrukt van de opgevoerde personages. Gelijk de ik een literair personage is. Zij zijn de uitkomsten van feiten, voorstellingen en vervalsingen. Dat maakte hen nog tragischer. Het ware kan niet worden achterhaald.» – Yvonne Né in BN/De Stem

«Zo blijkt de reis een tocht naar binnen. Naar het eigen leven, naar de eigen relaties, naar eigen emoties, inzichten, herinneringen en eerlijkheid. En daarmee is het niet altijd even goed gesteld. Verraad, onbespreekbare familiegeheimen, ontucht en landverhuizers op een zondige weg naar een volgende toekomst, dat zijn de betekenissen en associaties die deze goed geconstrueerde regels projecteren tegen het achterdoek van een exotisch en woelig verleden. Oorlog en geweld zijn de themas waar het in deze bundel om draait. De Jappenkampen, de Birmaspoorlijn, ook de oorlog in Vietnam en de coup van Suharto, maar al deze voorbeelden uit de menselijke geschiedenis worden niet uitsluitend aangehaald om te bewijzen hoe slecht het met de vooruitgang is gesteld. Ze bewijzen dat vrede geen zaken van staten is maar van mensen die tot inzicht zijn gekomen. Die geleden hebben en dat grote en het kleine persoonlijke leed verwerkt hebben.
Hagenaars wil met deze knappe gedichten ook internationaal erkenning afdwingen. Daarom is de bundel tweetalig, links steeds de fraaie Engelse vertaling door John Irons, rechts daaropvolgend het oorspronkelijke Nederlands.» – Camiel Hamans in Brabant Cultureel

«De bundel Tropendrift vormt de neerslag van een bedevaart door Zuid-Oost Azië en de Gordel van Smaragd. De tocht staat symbool voor de menselijke speurtocht naar harmonie. In de Borobudur, het boeddhistische heiligdom op het Indonesische eiland Java, vond Hagenaars een blauwdruk voor de structuur van Tropendrift. Bij de Borobudur passeer je al die reliëfs, vergelijkbaar met onze reliëfs, die op de computer staan. Maar op het hoogste punt, bij de bovenste stoepa, vind je niets, dat wil zeggen: geen godheid die aanbeden wordt. Tenslotte draait het om je eigen inzicht.» – Nick J. Swart in Brabants Dagblad

«In deze tweetalige dichtbundel (Nederlands en Engels) beantwoorden de tropen allang niet meer aan jongensachtige dromen van palmen, tempels en aapjes. Glas, staal en razend verkeer contrasteren met loerende ogen in het struikgewas, oosterse trots verzet zich tegen westerse hoogmoed. Vooral in het huidige Indonesië speelt het verleden van lang verzwegen familiegeheimen mee. Vaak wordt dat gesymboliseerd in de figuur van de vader: angstwekkend geniformeerd of met lieve kampogen. Op de Borobudur kan de wijsheid van de Boeddha de realiteit van afval en stank nauwelijks verhullen. Wat sterk overkomt, is de sfeer van dreiging en angst. Een verrassende bundel.» – Els van Geene voor Biblion (Nederlandse Bibliotheek Dienst)

«Bij Albert Hagenaars is het trouwens sowieso onduidelijk of hij het wel over zijn huidige zelf heeft, want hij torst immers meerdere zielen in de borst, getuige in mijn hoofd, waar de mannen die ik ben denken te slapen (uit De tempel van de poëzie I). Intrigerend is de vervlechting van heden en verleden, een procédé dat Hagenaars geregeld pakkend toepast. Albert Hagenaars staat ook garant voor beklijvende beelden als: Het meer te diep voor de zon. Jij voor mij en Ik was een jonge man en bevocht het niet en Toen ik vroeg naar vroeger en Het lemmet trilt na in de stam. Jij in mij en vooral het onvergetelijke het kwaad dat over de rand van de doopvont komt. De bundel is zo hecht gecomponeerd dat de gedichten amper op zich gelezen kunnen worden. Dat geeft het geheel een verhalend karakter. Je zou deze bundel kunnen lezen als een poëtisch reisverslag.» – Bert Bevers in Stroom (nr. 12, maart 2004)

Delen op uw favoriete social network!

Irun Scheifes – Manisch dagboek

Irun ScheifesIRUN SCHEIFES
Manisch dagboek

Nederland / Essay
Paperback, royaal formaat, 176 blz., 14,50
ISBN 90 6265 553 X
Eerste druk 2004

MANISCH DAGBOEK van Irun Scheifes is een literair werk waarin de grenzen van diverse genres doorbroken worden door ze met elkaar te verbinden. Scheifes kent slechts één taal: die van de literatuur.

In MANISCH DAGBOEK kiest Irun Scheifes voor een literaire vorm die past bij de schrijvers die hij in zijn boek aan bod laat komen. Biografische en autobiografische elementen vloeien samen tot naadloze essays. Vergeten schrijvers, vertaalde dichters en oude helden (Daniil Charms, Michail Zosjtsjenko, Joeri Ojesja, Jo Otten, Petronius, Bert Schierbeek, James Hanley, Velimir Chlebnikov, Juan Goytisolo) hebben bij Scheifes één ding gemeen: ze zoeken. Scheifes gaat door waar zij ooit begonnen en maakt de lezer van nu enthousiast over de schrijvers van toen.

Tegelijkertijd vertelt hij het verhaal van iemand die op de rand van de werkelijkheid leeft, speelt hij met de zin en onzin van de logica. Hij beschrijft de weg van de manie, de weg naar de leegte die ons verlost van ons ‘opgedikte ik’.

Deze essays in dagboekvorm zijn ook verhalen en lezen als een roman.

Over Scheifes’ vorige romans schreef de Vlaamse pers:

‘De jonge, mannelijke hoofdfiguur leidt een onduidelijk bestaan in drie gekraakte, vervallen huisjes in een vage kring van andere marginale jongelui. De lezer moet zelf geleidelijk een beeld bijeenpuzzelen van dat, in de schrijftrant weerspiegelde, chaotische bestaan. Voor een deel helpt de auteur daarbij door het inlassen van andere tekstsoorten. Het verslag van een adjudant van politie is zo een voorbeeld van stijlparodie dat tegelijk een klaardere kijk op het romanwereldje geeft.’ Herman Leys in Standaard der Letteren over Charges van Irun S.

‘Voor zover hij geïdentificeerd mag worden met zijn personage dat onder dezelfde naam de brieven schrijft en aangesproken wordt, verschijnt de auteur als een man voor wie emoties belangrijker zijn dan feiten, voor wie alles wat waarde heeft weerloos is. Een man dus om van te houden.’ Joris Gerits in De Morgen over Onaffe dingen van Irun Scheifes

De pers over Manisch dagboek
«Het Manisch dagboek van Irun Scheifes is een poging iets te vangen dat zich niet wil laten vangen. In plaats van achter de buit aan te rennen, maakt hij rustig een ommetje, wetende dat hij op die manier evenveel kans maakt om zijn prooi te verrassen en te grazen te nemen. De essays zijn pogingen om in het werk van geliefd auteur door te dringen en het tegelijkertijd intact te laten, het niet te laten vervuilen door de aanraking van leer en spijkers van de essayist of criticus, die het kussen te ordentelijk opschudt en voorbijgaat aan de schoonheid die ook het ongerijmde, het wanordelijke en de niet helemaal uitgewerkte gedachte, kunnen bezitten.
Eén van de grootste misverstanden over literatuur is dat literatuur een manier zou zijn om het anders te zeggen; terwijl literatuur een manier is om het andere te zeggen. Waarom zou je als je schrijft over schrijvers die grenzen overschrijden, zelf binnen de grenzen blijven.
De werkwijze van een essayist als Scheifes is te vergelijken met die van de musicus die een bestaand thema in zijn improvisatie verwerkt. Op een soortgelijke manier versmelt het werk van Scheifes in het Manisch dagboek met dat van degenen die hij bespreekt. Of nee versmelten is niet het goede woord. Het is alsof je in een bak water een gekleurde vloeistof doet en je ziet hoe de vloeistof zich in het water verspreidt, zonder iets van zijn oorspronkelijke kleur te verliezen.
Scheifes is, zoals elke goede essayist, bij zijn onderwerp betrokken. Hij wil het leren kennen en hij leert het kennen door te schrijven, door al schrijvende op zoek te gaan naar de kern van het werk. » Uit: Een neus als een mond (lezing), Mischa Andriessen

«Wie heeft gewoond in Restland, wie zijn literaire identiteit meent te moeten zoeken in Niemandsland, wie stuurloos lijkt in Tussenland, wie via vadervaderland Duitsland in Laagland verzeild is geraakt en wie anno 2003 resideert in Achterdeur, moét wel een literaire zwerver zonder thuisland zijn of een letterkundige mankepoot met kniekraak. Ik heb het over Irun Scheifes en zijn Manisch dagboek, een verzameling autobiografische essays of leesavonturen. Het zijn geschreven avonturen over lees-, leef- en schrijfhonger waar hij, Scheifes alias lezer, schrijver, dagboekanier, verwekker, vader, zoon, schijnheilige geest, fabulator, minnaar en ex-minnaar niet helemaal zonder kleerscheuren uit tevoorschijn komt.
En zo moet het ook.
Wie een grote dorst naar ordeverstorende literatuur wil lesssen en zich in zijn lectuurkeuze niets aantrekt van marktterreur, weekt zich willens en
wetens los van de massa en ontdekt in het Achterland van kunst en cultuur en ware schat aan teksten van onder anderen Chlebnikov, Charms, Schierbeek en Goytisolo. Lees Manisch dagboek en merk hoe de lezer Scheifes schrijver wordt; hoe hij zinnen confisqueert, opeet, herkauwt en weer in een ander gelid schopt, opdat wij, ook manische lezers, aangeraakt worden door zijn slinkse fictie, die overigens realistischer is dan hij zelf zou durven toe te geven.»
Uit: Een grote dorst (lezing), Graa Boomsma

«Een echt mens»

Over Manisch Dagboek van Irun Scheifes
door Rutger H. Cornets de Groot

«Bij uitgeverij In de Knipscheer verscheen van Irun Scheifes na de romans Charges en Onaffe dingen een bundel essays onder de wat misleidende titel Manisch dagboek. Misleidend, omdat veel mensen bij het woord manisch bij zichzelf zullen denken dat ze liever gezond blijven. Maar Scheifes komt in dit boek naar voren als een alleszins gezonde jongen die het leven leeft zoals het geleefd wil worden: voluit, zonder terughouding en met open vizier. Als dat manisch moet heten, vooruit, al ben ik eerder geneigd om op werk dat voor normaal wordt gehouden het etiket neurotisch te plakken.
Kennelijk beseft Scheifes dat hij en dat geldt voor veel werk uit het fonds van In de Knipscheer – met dit boek in de marge opereert, want de inhoud ervan zal buiten de horizon van de meeste mensen liggen. Maar dat is geen reden om bij voorbaat aan dit boek voorbij te gaan! Ook Nietzsche schreef tenslotte Oneigentijdse beschouwingen en dat boek wordt nog steeds herdrukt. Nu is Scheifes geen Nietzsche, al scheelt het niet veel. Hij schrijft literaire essays over vergeten schrijvers, vertaalde dichters en oude helden (Daniil Charms, Michail Zosjtenko, Joeri Oljesja, Jo Otten, Petronius, Bert Schierbeek, James Hanley, Velimir Chlebnikov, Juan Goytisolo) en doet dat op de meest aanstekelijke, enthousiasmerende wijze, namelijk met inzet van heel zijn hebben en houden. Lezen is voor Scheifes alleen tijdverdrijf voor zover het leven zelf als tijdverdrijf kan worden opgevat. Uit een dergelijke eenheid van lev/zen ontstaat vanzelf een vermenging van stijlen en genres: het essay wordt ingebed in de persoonlijke omstandigheden waar het besproken boek haar rol in speelt; essay wordt fictie en fictie wordt essay. Scheifes slaagt er daarbij zelfs in om een zekere mate van suspense in zijn essays in te bouwen, – wat mij betreft een ongekende prestatie in de essayistiek. Zo komt op (p. 84) van Manisch dagboek het volgende avontuur voor tussen de ik-figuur en een zeeman:

We staan beiden op en snellen naar de deur. Ik met het boek tussen mijn vingers en hij spiernaakt. Op de hal boven is niets. Doodstil is het. Maar beneden klinken stemmen.
We gaan de wenteltrap af tot voor de deur waarachter de stemmen komen. ‘Wacht even,’ sis ik. ‘Ik geloof dat ik hier de tekst heb.’
‘Lees,’ zegt de zeeman.
Ik lees: —

En daarop volgt een citaat uit het boek No directions van James Hanley, dat het onderwerp is van dit essay of dit dagboekfragment. Het geeft je het gevoel alsof niet alleen de antwoorden op levensvragen, maar zelfs die op hele praktische vragen in de literatuur zijn te vinden. Een roman wordt een kompas daardoor, een landkaart, misschien zelfs een Bijbel; een gedicht een mantra, of een amulet.

Ik zoek een andere vorm van controle, zegt Scheifes, een controle zonder discipline. Ik wil afspraken die niet afgesproken zijn en toch binnen de orde vallen. Het aantrekkelijke van Manisch dagboek is dat het volstrekt oorspronkelijk werk is. Het sluit niet aan op de waan van de dag, waarin Libris- en Akoprijswatchers binnen de inner circle van de spreekwoordelijk geworden grachtengordel elkaar napraten. Wie dat verhaal voor het ware houdt, is reddeloos verloren: het is het verhaal dat ons wordt voorgezet. Het werkelijke hart van de literatuur klopt daarbuiten: bij dwazen, idioten en genieën als Schierbeek, Hanley, Goytisolo en Scheifes zelf, die allemaal hun eigen gang gaan, dat wil dus zeggen niet de gang die de maatschappij voor ze had uitgestippeld. Jammer voor die maatschappij, maar prettig voor ons, die weten dat we met dit soort boeken iets oorspronkelijks en echts in huis halen. Van die eigen gang geeft Scheifes trouwens ook blijk in zijn stijl, die onnavolgbaar is: consequent en serieus, zonder loze beweringen, als een jazzmusicus die start vanuit een klein motiefje en daar vervolgens in uiterste concentratie een heel verhaal uit sleept. Een genoegen! »
Rutger H. Cornets de Groot

Delen op uw favoriete social network!

E. de Haan – Ik belde mijn muze. Gedichten

ezra de haanE. DE HAAN
Ik belde mijn muze. Gedichten

Nederland / Poëzie
Paperback, 64 blz., 12,50
ISBN 90 6265 559 5
Alleen nog rechtstreeks te bestellen bij de uitgever

Het pogen intense gevoelens, het ‘woordloze’, te vatten in woorden is de essentie van Ezra de Haans poëziedebuut Ik belde mijn muze. Het gewoel en het gevecht in de menselijke geest krijgen hier een beeldende dimensie.

Relaties laten soms littekens na, maar telkens is er een zalving, die mooie taal waaraan een mens zich kan optrekken, de herinnering dat het mooi was, en het verlangen dat gekoesterd kan blijven. De Haans poëzie is niet beschrijvend of verklarend, maar laat plaats voor interpretatie.

Tegelijk is het plezier van de dichter om het spelen met de taal van de gedichten af te lezen. Het spelen is echter geen doel op zich, het heeft een functie: de melodieën en alliteraties zorgen voor sfeer; prachtige woordassociaties roepen beelden op en zetten vraagtekens die nopen tot herlezen. In die zin is deze poëzie verleidend: een minnaar die met mondjesmaat verleidt, die niet alles in een keer prijsgeeft, die indrukken achterlaat ter overdenking en die doet verlangen naar meer.

Eerder verschenen van E. de Haan (1957) in 1996 de vertelling Vonk (‘Een uiterst boeiend geschreven debuutnovelle over de eind dertiger Vonk die in een wat vroege midlife crisis geraakt,’ Biblion) en in 1999 de korte roman Kermis in de hel over één dag uit het leven van een boekhandelaar: ‘Deze dinsdag stapelen de ergernissen zich op tot een catastrofale climax. Ezra de Haan weet de beklemmende sfeer goed te vatten. Met het dichtslaan van het boek heb je het idee dat het allemaal nog wat langer had mogen duren.’ – Boom Pers

De pers over Ik belde mijn muze
«De nieuwe ontwikkeling in de poëzie wordt gekenmerkt door een breedsprakige zegging; een beroep op de straattaal met al haar trendy
uitdrukkingen; een lichamelijk gebonden beeldspraak; en een haast vanzelfsprekende aandacht voor het snijpunt van enerzijds de volslanke dagelijkse realiteit en anderzijds het intieme, soms intiemste domein.
Grootste gemene deler is het plezier waarmee het materiaal taal onder handen wordt genomen. Over de ruggen van de stromingen van de laatste veertig jaar heen doet het werk van de dichters Ezra de Haan, Tjitske Jansen en Mustafa Stitou denken aan dat van de Vijftigers, de gematigde vleugel om precies te zijn, zonder evenwel daardoor duidelijk beïnvloed te zijn.

Ezra de Haan (1957), die pas in 1996 debuteerde, is een interessante exponent van bedoelde groep. Eén van zijn beginregels, Ik zal woorden voor je kneden, heeft programmatische kracht. In Ik belde mijn muze is zijn taal weliswaar kariger dan dat van de meeste anderen, maar door zijn tekstuele koprollen en hinkstapsprongen krijgen de gedichten een veel grotere interactie dan je op basis van het aantal woorden zou vermoeden. De Haan is op z’n best als hij de lezer van regel tot regel bijstuurt, en even zo vaak weet te verrassen: Geen hond zit als een mens / En toch zit ze zo: / Een als mens vermomde hond / Zoals de wolf in ons / Maar dan zonder schaapskleren. Beide betekenismogelijkheden in de slotregel hebben geldigheid. De hond komt als motief overigens op veel plaatsen terug in het boek, soms in komische combinaties: De luim van God komt mij voor / Als de muil van een dog: fel, vol lef / Dat wel. Melk alles uit, maar sta klem / Ik snak naar een kans, ratel over later / Maar leed valt mij ten deel. De in de Nederlandse poëzie weinig populaire palindromen kunnen hun geluk niet op met De Haan!» – Haagsche Courant, 2004

Meer over E. de Haan bij In de Knipscheer

Delen op uw favoriete social network!

Suzanne Binnemans – Vertrekken

suzanne binnemansSUZANNE BINNEMANS
Vertrekken
België Roman
Pap., 128 blz., 13,50
ISBN 90-6265-554-8
Eerste druk 2003

Suzanne Binnemans laat los van elkaar, in verschillende kamers, het stel Lynn en Axel aan het woord. Het tekortschieten van taal als communicatiemiddel tussen deze twee mensen wordt daardoor pijnlijk duidelijk.

‘Er is niets zo geduldig als papier, hoorde Axel. Toen werden hem de dagboeken van Lynn overhandigd waarvan hij tijdens hun relatie nooit een letter gelezen had, en hij wist dat hij op dat ogenblik Lynns hele leven in zijn handen hield.’

Lynns woorden worden nu Axels drijfveer om door te gaan, om te bewijzen dat hij de man kan zijn die haar voor ogen stond. De nieuwe, nuchtere levenswijze blijkt broos als een andere vrouw zich aandient.

Vertrekken laat (wederom) zien dat Suzanne Binnemans meer beoogt dan enkel een verhaal vertellen. Haar talent voor het juiste woord en het functionele beeld, maar ook haar directe taal en aandacht voor de psychologie van haar hoofdpersonages, geven de roman een bijna filmische dimensie: het leven zoals het is.

Suzanne Binnemans zegt hier zelf over: De realiteit kan niet beschreven worden, zij bestaat niet want is voor iedereen anders. Ieder heeft er een ander beeld van. Ik laat ruimte voor interpretatie, dring geen meningen op, laat de lezer vrij om te beslissen. Ik wil alleen de ogen openen van hen die alles onachtzaam aan zich voorbij laten gaan.

Hoewel Suzanne Binnemans in haar werk moeiteloos kruipt in de huid van haar personages, man of vrouw, staat de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de vrouw in toenemende mate centraal.

Pers:

Over Binnemans vorige dubbelroman Scheidslijnen (In de Knipscheer, 1998) schreef NRC Handelsblad onder de kop `Woorden van een opgejaagd mens’: “De denkwereld van een geesteszieke weergeven, dat is geen gemakkelijke opgave voor een schrijver. Als Gogol in ‘Dagboek van een gek’ is Suzanne Binnemans het hoofd binnengegaan van de 37-jarige, ex-radiojournalist Ewout, en heeft zijn gedachten opgetekend: een overtuigende weergave van de op- en neergaande stemmingen van een manisch-depressieve patiënt. Binnemans weet de suggestie op te roepen van een monoloog die in gedachten uitgesproken zou kunnen zijn. Een beklemmend einde.”

Suzanne Binnemans (1961) debuteerde in 1988 bij de Vlaamse uitgeverij Nioba met ‘De woorden van Elisabeth’ (Raymond Van den Broeck: `Stijgt merkwaardig hoog uit boven het peil van de meeste jonge-vrouwengeschiedenissen.’ Over haar tweede roman `Trefwoord: Wraak!’ bij Houtekiet in 1990 merkte Het Volk op: `Haar authentiek schrijverschap is hier altijd nog onvoldoende opgemerkt.’

Suzanne Binnemans is redactielid van `Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift’ en is bestuurslid van PEN-Vlaanderen.

Delen op uw favoriete social network!

Margreet Hofland – Het genie van Rome

margreet hoflandMARGREET HOFLAND
Het genie van Rome

Roman – Nederlands
Ingenaaid, 560 blz. 22,50
ISBN 90-6265-546-7
Eerste druk 2003

Het grote romandebuut van MARGREET HOFLAND over de beroemde Italiaanse schilder Caravaggio.

Op een januaridag in 1571 wordt de pasgetrouwde kamenierster van de marchesa di Caravaggio op weg naar Milaan tijdens een noodweer van haar eer beroofd. Negen maanden later baart ze een zoon in wiens gelaat zij de man herkent die hem verwekte: een wonderschoon gezicht met een gepassioneerde, haast duivelse blik.

Het genie van Rome vertelt het levensverhaal van deze Caravaggio, die een van de beroemdste Italiaanse schilders werd en wiens werk de schilderkunst in heel Europa beïnvloed heeft. Zijn turbulente leven rond 1600 staat deels geboekt in politierapporten waarin hij als zeer agressief beschreven wordt. Margreet Hofland brengt in Het genie van Rome Caravaggio tot leven, en met hem de stad Rome, toen én nu.

Vier eeuwen later ontdekt Lucas Antheunissen dat hij als twee druppels water lijkt op Caravaggio, het genie van Rome. Maar ook Lucas levensloop vertoont overeenkomsten met die van Caravaggio en eenmaal in Italië ontdekt hij zijn eigen schilderstalent. Eline, zijn vriendin, ziet hoe Lucas steeds meer van haar en de wereld vervreemdt en vraagt zich af of Lucas’ gedachte van verwantschap een obsessie is dan wel werkelijkheid. Lucas kan niet anders dan de weg gaan die Caravaggio al eerder insloeg, een leven van groots talent, roem, manipulatie en wanhopig makende liefde.

HET GENIE VAN ROME is historische, suspense- en reisroman ineen.

De pers over Het genie van Rome
“Als toneelrecensent Lucas Antheunissen (33) in 1985 kunstacademie-docente Eline (32) leert kennen, ziet deze al gauw een grote uiterlijke en innerlijke gelijkenis tussen hem en de Italiaanse schilder Caravaggio (1573-1610). Eline ontdekt dat een verre voorvader van Lucas uit Italië kwam en de onwettige zoon van Caravaggio was. Deze originele debuutroman speelt afwisselend in de 20ste eeuw (1951-1985) en de 16de eeuwse wereld van Caravaggio. Het levendige verhaal zal vooral liefhebbers van Italiaanse renaissanceschilderkunst boeien. Een kleurrijk debuut.” – Biblion

“Schrijvers debuteren over het algemeen voorzichtig. Met een bundel korte verhalen bijvoorbeeld, of met een novelle. Bij uitgeverij In de Knipscheer gaat het anders. Het genie van Rome is een 550 pagina’s tellende roman van Margreet Hofland waarin het levensverhaal van de meesterschilder Caravaggio wordt vervlochten met dat van een aantal personen in onze tijd. Zo krijgt Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een 20ste-eeuwse tegenhanger in de persoon van Lucas Antheunissen, een verzonnen verre nazaat van de meester van het clair-obscur. De schrijfster schildert een even kleurig als genuanceerd portret van de jong gestorven meester en zijn omgeving. Caravaggio komt in dit boek zo goed uit de verf dat je je afvraagt of Hofland niet beter een gewone historische roman over hem had kunnen schrijven. Maar toch is Hofland er wel in geslaagd er een meeslepend verhaal van te maken.” – Haagsche Courant

Delen op uw favoriete social network!

Leo Stappers – Jongens toch, drie romans

Leo StappersLEO STAPPERS
JONGENS TOCH

Drie afzonderlijke, genaaid-gebrocheerde romans, 112, 112 en 104 blz. in boekenhuls. 29,50
ISBN 90 6265 540 8
Eerste druk 2003

Het DRIEvoudige romandebuut JONGENS TOCH van LEO STAPPERS.

Het thema van JONGENS TOCH – boeken van geloof, hoop en liefde – wordt bepaald door het dilemma dood versus leven en loopt daarmee vooruit op het thema van de Boekenweek 2003 (vanaf 12 maart): STYX – LEVEN EN DOOD IN DE LETTEREN. De ingrediënten zijn kunst, esoterie, religie.

Leo Stappers
Met de liefde, de grootste van deze drie, begint JONGENS TOCH. Tegen de klippen op, want neerslachtig zijn ze, verstaan de jongens in RIJM VAN OUDE LIEFDE, de kunst te leven. Zelfmoord wordt wel overwogen, maar afgewezen. Lessus, de hoofdpersoon, schrijft een verhaal. Maar in RIJM VAN OUDE LIEFDE wordt over dat verhaal enkel gepraat. Via allerlei invallen komt de liefde ter sprake, komt liefde tot stand.

Leo Stappers
GROEN GLOORT DE HOOP is het middendeel van het drieluik, een soort divertissement. Spannend en met eenzelfde erotische spanning als `Rijm van oude liefde’. GROEN GLOORT DE HOOP is het verhaal van een driehoeksverhouding. De hoofdpersoon is, zo blijkt langzaamaan, een gewezen prostitué met bijzondere belangstelling voor esoterische kunstvormen. En er is de taal waaraan alle personages duidelijk plezier beleven. Die taal, vooral, laat zien dat de jongens levensvatbaar zijn.

Leo Stappers
In EEN WANKEL GELOOF, EN NOG EEN gaan de jongens met ernst en passie diep in op het overkoepelende thema van JONGENS TOCH, vervat in Heines vers: Schlafen is gut, der Tod ist besser, aber am besten währe: nicht sein. De handeling wordt gegeven in de vorm van een interview. De taal, ook als die in citaten tot hen komt, blijkt voor hen eens te meer een levensvoorwaarde, een manier van leven.

Is de verhaalontwikkeling in de roman episch, op het cerebrale af, de taal is lyrisch, poëtisch, zinderend. En er is volop humor en zelfrelativering. De couleur locale van het Limburgse klinkt door in de bijzondere taal. Leo Stappers (1948), – filosoof, schilder, kenner van de middeleeuwen, bibliothecaris en verzamelaar – zet met JONGENS TOCH een tot nu toe onbekend schrijverschap neer.

“De landschappelijke en stedelijke passages dragen een sterk Peter Handke-handschrift, de bibliofiel-theologische exercities zouden Umberto Eco niet mishagen. Da’s alvast niet niks voor een debuut, maar het knappe moet nog komen. Als een bekwaam vakman heeft Stappers namelijk gezorgd voor een tegenstem in het verhaal. De literatuur heeft er een stem bij gekregen.” – Dagblad De Limburger

Delen op uw favoriete social network!

Loes Flendrie – Zomerslaap

loes flendrieLOES FLENDRIE
Zomerslaap

Nederland / Roman
Paperback, 218 blz., 15,75
ISBN 90-6265-549-1
Eerste druk 2003

Jonge moeder raakt tengevolge van encefalitis, hersenontsteking, in coma, maar overleeft. Over haar ervaringen in Bethlehem Ziekenhuis, het Leyenburg Ziekenhuis, het Westeinde Ziekenhuis en in het Rijnlands Zeehospitium vertelt Loes Flendrie in Zomerslaap.Het ontroerende verhaal van LOES FLENDRIE over haar gevecht op leven en dood twintig jaar geleden.

Toen, in 1982, was zij meer dood dan levend. Getroffen door een hersenontsteking lag zij bijna zes weken in coma. Als ze daaruit ontwaakt weet ze niet meer wie ze was, kan ze zich niet bewegen, niet meer praten. Ze voelt zich een plant. Stapje voor stapje treedt in de maanden die volgen herstel op. Tegen wil en dank – want eigenlijk wil ze dood – maakt ze zich alles en iedereen opnieuw eigen: haar man en kinderen, haar ouders, de reuk en smaak van drank en eten, haar eigen lichaam (met blijvende gebreken), haar spraak. Woordje voor woordje leert ze opnieuw praten, lezen en schrijven en leert ze de betekenis van woorden weer kennen dankzij haar eigen dichtbundel, ‘Een teken van leven’, die in 1980 was verschenen.

En wat zij niet voor mogelijk hield, gebeurde toch: zij werd de taal weer machtig en pakte haar ambitie om te schrijven op. In 1985 komt haar tweede dichtbundel ‘Met het oog op de wereld’ uit, en in 1989 debuteerde zij als prozaschrijfster met de geprezen bundel erotische verhalen Tongstrelend. In de jaren daarna schreef ze de detectives Met zonder Pardon en Wederom Pardon.

Maar pas nu, twintig jaar na de persoonlijke ramp in haar leven, is Loes Flendrie (Leiden, 1951) in staat terug te blikken op dat cruciale halfjaar uit haar leven, en haar pijnlijke strijd vóór het leven opnieuw door te maken en haar tocht langs het Haagse Bethlehemziekenhuis, het Leyenburg ziekenhuis, het Haagse Westeinde en het Rijnlands Zeehospitium in Katwijk op papier te zetten. En ze doet dat in Zomerslaap, ondanks de tragiek, met humor en lichte zelfspot.

De pers over Zomerslaap
“Loes Flendrie doet in romanvorm verslag wat haar overkwam toen zij in juni 1983 werd getroffen door een hersenontsteking. Zij raakte in coma en zweefde op de rand van de dood. Hoewel zwaar gehandicapt lukte het haar te overleven en weer te gaan functioneren. In dit boek vertelt zij hoe zij dit alles heeft ervaren: het verblijf in het ziekenhuis, de revalidatie en de hulp van familieleden en vrienden. Met lichte zelfspot en soms agressief reagerend vertelt zij haar verhaal. Voor lotgenoten herkenbaar.” – uit: Het Nederlandse Boek

“In dit aangrijpende autobiografische verslag wordt de lezer toeschouwer bij een hoogst persoonlijke strijd, met alle intieme details, van een 31-jarige vrouw die getroffen wordt door een zeldzame en bijna fatale hersenontsteking. Vanaf haar ontwaken uit een coma moet zij helemaal opnieuw leren leven en omgaan met een lichaam dat niets meer kan. Zij doet dit, ondanks de zwaarste beproevingen, als een heldin. Het ontstaan van dit boek mag wel een wonder heten, als men bedenkt dat in de periode die het beschrijft, het geheugen van de schrijfster niet of nauwelijks functioneerde. Het lezen van dit boek is meer een emotie dan een genoegen. Vooral ook is het boek een eerbetoon aan de standvastigheid van de man, de vader en de moeder van de schrijfster.” – uit: Biblion

Ik wil dood man! Zie je dat dan niet?

Je zal maar een tor in je hoofd hebben zitten. Wanneer de 31-jarige Loes Flendrie in een Leids café staat, lijkt er een langs de binnenkant haar hoornvlies te kruipen. ‘Hoe ik ook knipperde en met mijn hoofd schudde hij bleef met zijn kleverige poten stevig op zijn plek.’

Wat is hier aan de hand? Flendrie werd twintig jaar geleden getroffen door een acute hersenontsteking en heeft haar ervaringen beschreven in het boek Zomerslaap, dat bij de Haarlemse uitgeverij In de Knipscheer is verschenen.
Het is een eerlijk en schokkend relaas geworden, waarin de Leidse schrijfster zichzelf allerminst spaart. Het boek valt op zijn zachtst gezegd ook nogal met de deur in huis. Zonder veel uitleg ziet de lezer haar van alles overkomen, waarbij lang niet altijd duidelijk is, wat er nu precies gebeurt.
De volgende dag was ik nog steeds niet dood, schrijft Flendrie na de eerste dag vol hevige aanvallen. Geen woorden meer. Nu ik zo duidelijk was teruggevallen tot een lagere orde stonden die niet langer tot mijn beschikking. Kunt u dit zien?, is de vraag die haar zes weken later uit een coma doet ontwaken. Een van de verplegers houdt een lichtje voor haar ogen. Hoewel ze dan nog niet kan praten, zijn haar gedachten duidelijk genoeg. Ze schijnt te reageren op het lampje, hoorde ik de barserik verbaasd zeggen. Ik werd kwaad. Natuurlijk lul! En even later, als het lichtje vervaagt: Haal me terug klootzak!
Vanaf dat moment begint haar leven opnieuw. Ze kan niet praten en heeft nauwelijks nog geheugen. Ze drinkt uit het oude tuitbekertje van haar twee zoons, plast in haar bed, maar vraagt zich tegelijkertijd af of ze eigenlijk kinderen heeft. Verder zijn er tal van lichamelijke klachten; haar heup zit op slot en haar rechterhand zit stijf als een vogelklauw tegen mijn borst geklemd.
Het grillige ziektebeeld wordt in de tekst weerspiegeld. De schrijfster vliegt van de hak op de tak, hanteert hier en daar een wispelturige stijl, vermengt herinneringen met werkelijkheid en lijdt aan waanvoorstellingen. In paniek gilt ze tegen de zusters dat er fietsen op haar kamer staan, even later denkt ze dat ze kaal is.
Het verhaal wordt ook voortdurend onderbroken door gedichten, citaten afkomstig uit dossiers van de Hersenstichting en het door haar vader nauwkeurig bijgehouden Vorderingenboek Nr. 1. van J. Flendrie. Daarin wordt van dag tot dag vermeld welke vooruitgang de patiënt maakt. Op 7 augustus bijvoorbeeld: ZONDAGAVOND Ze beweegt haar rechterhand en ook haar been (rechts)! of op 20 augustus: Ze is bijna zindelijk! Er gebeuren nog maar zelden ongelukjes.
Maar de langzame lichamelijke vorderingen kunnen niet voorkomen dat een depressie keihard toeslaat. Waarom hebben jullie me toch laten leven? blijft ze herhalen. Ze wil gewoonweg niet meer. Het is genoeg geweest. In haar nieuwe hoedanigheid kan ze met de beste wil van de wereld niets mooi ontdekken.
De opbeurende indruk die ze tijdens gesprekken een psychotherapeut probeert te wekken, is slechts schijn. ‘In stilte beraamde ik zelfvernietigende plannen, toen ik braaf over de geboortes van mijn beide zonen, mijn baan, mijn sigaretten, mijn wijntje op zn tijd en overige geneugten uit het onbereikbare verleden verhaalde. Ik wil dood man! Zie je dat dan niet? Hoor je dat dan niet achter mijn bange beleefdheid?’
Zodra ze de intensive care mag verlaten, steekt ze meteen een sigaret op. Dit nieuwe en onbruikbare lichaam haatte ik bovenal, dus zoog ik me aan de papieren killer vast. De verpleegster moet de sigaret dan wel voor haar beet houden.
Religie – Praten met God helpt altijd lieve kind – dat de zusters haar na overplaatsing naar een revalidatiecentrum in Katwijk proberen aan te bieden, is voor haar geen optie. Er is maar een ding wat haar op de been kan houden: de hoop op een snelle thuiskomst.” – Frank Provoost in Mare

Delen op uw favoriete social network!

Chawwa Wijnberg – Echo van de roos

chawwa wijnbergCHAWWA WIJNBERG
Echo van de roos

Nederlands / Poëzie
Ingenaaid, 80 blz. 13,50
ISBN 90-6265-552-1
Eerste druk 2003

De verhuizing van Chawwa Wijnberg enkele jaren geleden van Midden-Nederland naar Zeeland lijkt een nieuwe ontwikkeling in haar werk te hebben losgemaakt. Waar haar blik eerst vooral naarbinnen was gericht – naar haar leven, haar verleden en de sporen daarvan in haar omgeving – richt die zich nu met Echo van de roos naar buiten, op Zeeland. En als een kind ziet ze de schoonheid van het alledaagse, de rust van de stad waar ze de stadsdichter van mag zijn: Middelburg. Chawwa Wijnberg toont doorkijkjes, frietkotten, grachten en parken. Oude pijn lijkt draagbaar door de vreugde die ze in Zeeland mag beleven.

Chawwa zou Chawwa niet zijn als ze niet kritisch om zich heen bleef kijken: ze volgt de wereld en reageert op dat wat er gebeurt. En zo wisselen liefdesliedjes en stadsoden elkaar af maar is er ook ruimte voor de elfde september, de wandelende jood of het eigen ego. Deze zo van elkaar verschillende onderwerpen vormen een eenheid in Echo van de roos waarmee Chawwa Wijnberg door het precies gekozen detail, de liefde voor het kleine aandacht geeft aan datgene waaraan anderen voorbijgaan.

Chawwa Wijnberg (1942) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij was als joods kind een onderduikkind. Haar vader zat in het verzet en werd in de oorlog door de Duitsers gefusilleerd.
Zij debuteerde in 1989 met Aan mij is niets te zien. “Het niet-doordeweekse debuut van een authentiek dichteres” (Standaard der Letteren). In 1993 verscheen Handboek voor de joodse kat, waarover Poëziekrant schreef: “Een van de opmerkelijke dichteressen uit de Nieuwe Wilden. Deze bundel bevestigt haar talent. Kenmerkend voor haar poëzie zijn de weerbaarheid en de humor.”
In haar derde bundel Matses en monsters (2001) vindt Wijnberg de woorden om te beschrijven wat overlevenden van de holocaust nog dagelijks ervaren. “Zang en dans dus, tot op de laatste bladzijde. De poëzie van Chawwa Wijnberg is onontkoombaar uitnodigend. Wie haar leest gaat met haar mee op reis” (Paul Gellings).

Begin dit jaar werd Chawwa Wijnberg voor 2003 benoemd tot stadsdichter van Middelburg. Als dichter trad zij inmiddels vijf keer op in de Nacht van de Poëzie.

De pers over Echo van de roos
“CHAWWA WIJNBERG is van 1942. Voor de meeste mensen een jaar als zoveel andere, maar niet voor haar, voor het meisje dat alleen als onderduikster de oorlog kon overleven. Zestig jaar later is het nog altijd 1942. Haar geheugen zorgt dat het vandaag gewoon gisteren is. Nooit, nooit gaat de oorlog meer over. Van die obsessie getuigt ze in haar poëzie in Echo van de roos. Dit is Chawwa Wijnberg op haar best, in meer dan één opzicht herinnert ze aan Judith Herzberg. Woorden ter bezwering. Woorden om met het verleden in het reine te komen. Woorden die een beklemmend beroep op de lezer doen: ‘De echo van de roos/wandelt als de jood voorbij/was ze er ooit/en waar was jij.'” – uit: Provinciale Zeeuwse Courant

“Een ware taalkunstenares is Chawwa Wijnberg. Je ziet haar in sneltreinvaart, van bundel tot bundel, veranderen en zichzelf onverwisselbaar trouw blijven. Hier ligt de nadruk op het luchtige en het exotische. Toch is het niet allemaal zo lieflijk als het wellicht bij eerste lezing lijkt. Want wie Echo van de roos leest, moet er rekening mee houden dat doornen ook hun echo hebben en dat deze poëzie ontegenzeglijk bijtende kanten heeft. Zoals tederheid en een donkere humor elkaar afwisselen, zo wisselen ook het rijm en het vrije vers elkaar af, wat niet betekent dat wat niet rijmt niet zingt. Er zijn zelfs gedichten waarin het metrum de suggestie van rijm wekt en daarin schuilt het hart van de poëtica van Chawwa Wijnberg: zingende taal. Hier is iemand aan het woord die zonder zelfherhaling steeds authentieker wordt en daarvan steeds meer laat zien in gedichten die geen moment vervelen.” – uit: Paul Gellings in NIW

Delen op uw favoriete social network!

Cor Gout – Noirette boek met cd

cor goutCOR GOUT
Noirette, boek mét CD
(55′ 05″)
Verhalen – Nederlands
Genaaid gebonden, royaal formaat 17,5 x 24,5 cm staand, 76 blz.,
geheel in 4-kleuren met 61 illustraties van Sebastien Morlighem
€ 27,50
ISBN 90-6265-555-6

“De illustratie in het literaire verhaal is terug!”

In zijn opmerkelijke prozadebuut Noirette brengt Cor Gout tien verhalen bijeen, prachtig poëtisch van taal, waarbij de klank en de kleur en het ritme van de tekst ook zichtbaar worden in een 60-tal vierkleurenillustraties en hoorbaar zijn in zeven nummers op de meegeleverde CD.

De op zichzelf staande verhalen volgen elkaar als verwante dromen op en leiden door de samenhang tussen woord, beeld en geluid tot een aparte ervaring: literatuur kun je behalve lezen óók zien en horen. Als een chroniqueur situeert Cor Gout zijn verhalen in Den Haag en Scheveningen. Maar deze plaatsen zijn meer personages dan decors of entourages en worden tot mythische figuren – extra benadrukt door het werk van beeldend kunstenaar Sebastien Morlighem – die gevormd worden door de gebeurtenissen die op hun grondgebied hebben plaatsgevonden en door de verhalen die door de tijden heen over hen zijn verteld.

Voor de bijbehorende CD zijn van zeven verhalen ook audio-versies gemaakt en uitgevoerd door Cor Gout (stem), Luc Houtkamp (tenorsaxofoon en computer: geluiden), Jan Moebius (laptop: ritmetracks) en Wilbert de Joode (contrabas).

Door toevoeging van beeld en geluid ontstaan meer lagen in de verhalen en zijn ze op meer dan één niveau zeer leesbaar.

Delen op uw favoriete social network!

Alexander Strachan – Wereld zonder grenzen/’n Wêreld sonder grense

alexander strachanALEXANDER STRACHAN
Wereld zonder grenzen / ’n Wêreld sonder grense

Zuid Afrika, Roman
Vertaald uit het Zuid-Afrikaans door Rolf Wolfswinkel
Ingenaaid, 128 blz., 13,50
ISBN 90-6265-511-4
Eerste druk 2003

Wereld zonder grenzen wordt beschouwd als een klassiek werk over de Zuid-Afrikaanse grensoorlog. Deze buiten Zuid-Afrika vrijwel onbekend gebleven grensoorlogen (met name met Angola en Mozambique) duurden vanaf de jaren zestig tot in de jaren tachtig en vormden een last van het verleden waarmee de Zuid-Afrikanen tot op dit moment geconfronteerd worden, te vergelijken met het Viëtnamtrauma voor de Amerikanen. De journalistiek in Zuid-Afrika leed in die jaren nog onder de strenge censuur. De informerende functie van de pers werd overgenomen door Afrikaanse schrijvers die onder het mom van fictie meer nieuws over deze verzwegen oorlogen naar buiten brachten dan waartoe de kranten en de televisie in staat waren.

In een reeks van korte fragmenten roept Alexander Strachan met een minimum aan woorden een beklemmend gevoel op en vertelt hij een genadeloos oorlogsverhaal over de traumatische effecten van de oorlog op een macho en toch sensitieve, anonieme jonge soldaat.

Wereld zonder grenzen was in 1984 het debuut van Alexander Strachan en verscheen het eerst in het Afrikaans. Het boek beleefde herdruk op herdruk en werd in 1985 bekroond met de Eugène Maraisprijs en in 1986 onder dezelfde titel verfilmd. Vele vertalingen verschenen (maar tot nu toe NIET in het Nederlands!) waarbij recensenten verwezen naar “Heart of Darkness” en “Apocalypse Now”. Deze Nederlandse vertaling verschijnt in deze uitgave samen met de originele Afrikaanse tekst waardoor de verwantschap tussen beide talen nog eens benadrukt wordt.

De pers over Wereld zonder grenzen“In uiterst sober proza schetst Strachan in zijn debuut de ervaringen van een anonieme jonge man, die is opgegroeid in de macho-omgeving van een Afrikaner boerderij en een commando-opleiding doorloopt. ‘Stil en gevaarlijk’, noemt hij zichzelf als hij met verlof terugkeert naar huis. Eenmaal thuis kan hij niet meer deelnemen aan het leven op de boerderij. Dit boekje doet, kort als het is, niet onder voor REMARQUE’S “Van het westelijk front geen nieuws” of voor die prachtnovelle van W.F. HERMANS “Uit de mist van het schimmenrijk”. De ontreddering van de oorlog, de volkomen waanzin, die mensen verandert in beesten en hen op zichzelf terugwerpt, is even beklemmend beschreven.” – uit: Trouw

“Er bestaat een merkwaardige gewoonte om oorlogen te romantiseren. Maar er zijn ook oorlogen die onwerkelijk blijven, waaruit geen helden zijn voortgekomen en waarover weinig verhalen worden verteld. De jarenlange Angolees-Namibische grensoorlog is er daar een van. Wie wel een poging heeft gedaan om die oorlog op papier te zetten is de Zuid-Afrikaanse schrijver Alexander Strachan. Hij weet dat met Wereld zonder grenzen overtuigend te doen. Heldendom wordt in dit verhaal niet beschreven. De grenzen die overschreden worden, zijn dan ook eerder de morele en psychische grenzen dan de fysieke landsgrens.” – uit: NRC Handelsblad

“Zo goed geschreven dat je het in één adem uitleest. Zou breed onder de aandacht gebracht moeten worden vanwege de inhoudelijke, morele en stilistische kwaliteiten.” – drs. Cees van der Pluijm

Delen op uw favoriete social network!