Margreet Hofland – Het genie van Rome

margreet hoflandMARGREET HOFLAND
Het genie van Rome

Roman – Nederlands
Ingenaaid, 560 blz. 22,50
ISBN 90-6265-546-7
Eerste druk 2003

Het grote romandebuut van MARGREET HOFLAND over de beroemde Italiaanse schilder Caravaggio.

Op een januaridag in 1571 wordt de pasgetrouwde kamenierster van de marchesa di Caravaggio op weg naar Milaan tijdens een noodweer van haar eer beroofd. Negen maanden later baart ze een zoon in wiens gelaat zij de man herkent die hem verwekte: een wonderschoon gezicht met een gepassioneerde, haast duivelse blik.

Het genie van Rome vertelt het levensverhaal van deze Caravaggio, die een van de beroemdste Italiaanse schilders werd en wiens werk de schilderkunst in heel Europa beïnvloed heeft. Zijn turbulente leven rond 1600 staat deels geboekt in politierapporten waarin hij als zeer agressief beschreven wordt. Margreet Hofland brengt in Het genie van Rome Caravaggio tot leven, en met hem de stad Rome, toen én nu.

Vier eeuwen later ontdekt Lucas Antheunissen dat hij als twee druppels water lijkt op Caravaggio, het genie van Rome. Maar ook Lucas levensloop vertoont overeenkomsten met die van Caravaggio en eenmaal in Italië ontdekt hij zijn eigen schilderstalent. Eline, zijn vriendin, ziet hoe Lucas steeds meer van haar en de wereld vervreemdt en vraagt zich af of Lucas’ gedachte van verwantschap een obsessie is dan wel werkelijkheid. Lucas kan niet anders dan de weg gaan die Caravaggio al eerder insloeg, een leven van groots talent, roem, manipulatie en wanhopig makende liefde.

HET GENIE VAN ROME is historische, suspense- en reisroman ineen.

Meer over Het genie van Rome

De pers over Het genie van Rome
“Als toneelrecensent Lucas Antheunissen (33) in 1985 kunstacademie-docente Eline (32) leert kennen, ziet deze al gauw een grote uiterlijke en innerlijke gelijkenis tussen hem en de Italiaanse schilder Caravaggio (1573-1610). Eline ontdekt dat een verre voorvader van Lucas uit Italië kwam en de onwettige zoon van Caravaggio was. Deze originele debuutroman speelt afwisselend in de 20ste eeuw (1951-1985) en de 16de eeuwse wereld van Caravaggio. Het levendige verhaal zal vooral liefhebbers van Italiaanse renaissanceschilderkunst boeien. Een kleurrijk debuut.” – Biblion

“Schrijvers debuteren over het algemeen voorzichtig. Met een bundel korte verhalen bijvoorbeeld, of met een novelle. Bij uitgeverij In de Knipscheer gaat het anders. Het genie van Rome is een 550 pagina’s tellende roman van Margreet Hofland waarin het levensverhaal van de meesterschilder Caravaggio wordt vervlochten met dat van een aantal personen in onze tijd. Zo krijgt Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een 20ste-eeuwse tegenhanger in de persoon van Lucas Antheunissen, een verzonnen verre nazaat van de meester van het clair-obscur. De schrijfster schildert een even kleurig als genuanceerd portret van de jong gestorven meester en zijn omgeving. Caravaggio komt in dit boek zo goed uit de verf dat je je afvraagt of Hofland niet beter een gewone historische roman over hem had kunnen schrijven. Maar toch is Hofland er wel in geslaagd er een meeslepend verhaal van te maken.” – Haagsche Courant

Delen op uw favoriete social network!

Leo Stappers – Jongens toch, drie romans

Leo StappersLEO STAPPERS
JONGENS TOCH

Drie afzonderlijke, genaaid-gebrocheerde romans, 112, 112 en 104 blz. in boekenhuls. 29,50
ISBN 90 6265 540 8
Eerste druk 2003

Het DRIEvoudige romandebuut JONGENS TOCH van LEO STAPPERS.

Het thema van JONGENS TOCH – boeken van geloof, hoop en liefde – wordt bepaald door het dilemma dood versus leven en loopt daarmee vooruit op het thema van de Boekenweek 2003 (vanaf 12 maart): STYX – LEVEN EN DOOD IN DE LETTEREN. De ingrediënten zijn kunst, esoterie, religie.

Leo Stappers
Met de liefde, de grootste van deze drie, begint JONGENS TOCH. Tegen de klippen op, want neerslachtig zijn ze, verstaan de jongens in RIJM VAN OUDE LIEFDE, de kunst te leven. Zelfmoord wordt wel overwogen, maar afgewezen. Lessus, de hoofdpersoon, schrijft een verhaal. Maar in RIJM VAN OUDE LIEFDE wordt over dat verhaal enkel gepraat. Via allerlei invallen komt de liefde ter sprake, komt liefde tot stand.

Leo Stappers
GROEN GLOORT DE HOOP is het middendeel van het drieluik, een soort divertissement. Spannend en met eenzelfde erotische spanning als `Rijm van oude liefde’. GROEN GLOORT DE HOOP is het verhaal van een driehoeksverhouding. De hoofdpersoon is, zo blijkt langzaamaan, een gewezen prostitué met bijzondere belangstelling voor esoterische kunstvormen. En er is de taal waaraan alle personages duidelijk plezier beleven. Die taal, vooral, laat zien dat de jongens levensvatbaar zijn.

Leo Stappers
In EEN WANKEL GELOOF, EN NOG EEN gaan de jongens met ernst en passie diep in op het overkoepelende thema van JONGENS TOCH, vervat in Heines vers: Schlafen is gut, der Tod ist besser, aber am besten währe: nicht sein. De handeling wordt gegeven in de vorm van een interview. De taal, ook als die in citaten tot hen komt, blijkt voor hen eens te meer een levensvoorwaarde, een manier van leven.

Is de verhaalontwikkeling in de roman episch, op het cerebrale af, de taal is lyrisch, poëtisch, zinderend. En er is volop humor en zelfrelativering. De couleur locale van het Limburgse klinkt door in de bijzondere taal. Leo Stappers (1948), – filosoof, schilder, kenner van de middeleeuwen, bibliothecaris en verzamelaar – zet met JONGENS TOCH een tot nu toe onbekend schrijverschap neer.

“De landschappelijke en stedelijke passages dragen een sterk Peter Handke-handschrift, de bibliofiel-theologische exercities zouden Umberto Eco niet mishagen. Da’s alvast niet niks voor een debuut, maar het knappe moet nog komen. Als een bekwaam vakman heeft Stappers namelijk gezorgd voor een tegenstem in het verhaal. De literatuur heeft er een stem bij gekregen.” – Dagblad De Limburger

Delen op uw favoriete social network!

Loes Flendrie – Zomerslaap

loes flendrieLOES FLENDRIE
Zomerslaap

Nederland / Roman
Paperback, 218 blz., 15,75
ISBN 90-6265-549-1
Eerste druk 2003

Jonge moeder raakt tengevolge van encefalitis, hersenontsteking, in coma, maar overleeft. Over haar ervaringen in Bethlehem Ziekenhuis, het Leyenburg Ziekenhuis, het Westeinde Ziekenhuis en in het Rijnlands Zeehospitium vertelt Loes Flendrie in Zomerslaap.Het ontroerende verhaal van LOES FLENDRIE over haar gevecht op leven en dood twintig jaar geleden.

Toen, in 1982, was zij meer dood dan levend. Getroffen door een hersenontsteking lag zij bijna zes weken in coma. Als ze daaruit ontwaakt weet ze niet meer wie ze was, kan ze zich niet bewegen, niet meer praten. Ze voelt zich een plant. Stapje voor stapje treedt in de maanden die volgen herstel op. Tegen wil en dank – want eigenlijk wil ze dood – maakt ze zich alles en iedereen opnieuw eigen: haar man en kinderen, haar ouders, de reuk en smaak van drank en eten, haar eigen lichaam (met blijvende gebreken), haar spraak. Woordje voor woordje leert ze opnieuw praten, lezen en schrijven en leert ze de betekenis van woorden weer kennen dankzij haar eigen dichtbundel, ‘Een teken van leven’, die in 1980 was verschenen.

En wat zij niet voor mogelijk hield, gebeurde toch: zij werd de taal weer machtig en pakte haar ambitie om te schrijven op. In 1985 komt haar tweede dichtbundel ‘Met het oog op de wereld’ uit, en in 1989 debuteerde zij als prozaschrijfster met de geprezen bundel erotische verhalen Tongstrelend. In de jaren daarna schreef ze de detectives Met zonder Pardon en Wederom Pardon.

Maar pas nu, twintig jaar na de persoonlijke ramp in haar leven, is Loes Flendrie (Leiden, 1951) in staat terug te blikken op dat cruciale halfjaar uit haar leven, en haar pijnlijke strijd vóór het leven opnieuw door te maken en haar tocht langs het Haagse Bethlehemziekenhuis, het Leyenburg ziekenhuis, het Haagse Westeinde en het Rijnlands Zeehospitium in Katwijk op papier te zetten. En ze doet dat in Zomerslaap, ondanks de tragiek, met humor en lichte zelfspot.

De pers over Zomerslaap
“Loes Flendrie doet in romanvorm verslag wat haar overkwam toen zij in juni 1983 werd getroffen door een hersenontsteking. Zij raakte in coma en zweefde op de rand van de dood. Hoewel zwaar gehandicapt lukte het haar te overleven en weer te gaan functioneren. In dit boek vertelt zij hoe zij dit alles heeft ervaren: het verblijf in het ziekenhuis, de revalidatie en de hulp van familieleden en vrienden. Met lichte zelfspot en soms agressief reagerend vertelt zij haar verhaal. Voor lotgenoten herkenbaar.” – uit: Het Nederlandse Boek

“In dit aangrijpende autobiografische verslag wordt de lezer toeschouwer bij een hoogst persoonlijke strijd, met alle intieme details, van een 31-jarige vrouw die getroffen wordt door een zeldzame en bijna fatale hersenontsteking. Vanaf haar ontwaken uit een coma moet zij helemaal opnieuw leren leven en omgaan met een lichaam dat niets meer kan. Zij doet dit, ondanks de zwaarste beproevingen, als een heldin. Het ontstaan van dit boek mag wel een wonder heten, als men bedenkt dat in de periode die het beschrijft, het geheugen van de schrijfster niet of nauwelijks functioneerde. Het lezen van dit boek is meer een emotie dan een genoegen. Vooral ook is het boek een eerbetoon aan de standvastigheid van de man, de vader en de moeder van de schrijfster.” – uit: Biblion

Ik wil dood man! Zie je dat dan niet?

Je zal maar een tor in je hoofd hebben zitten. Wanneer de 31-jarige Loes Flendrie in een Leids café staat, lijkt er een langs de binnenkant haar hoornvlies te kruipen. ‘Hoe ik ook knipperde en met mijn hoofd schudde hij bleef met zijn kleverige poten stevig op zijn plek.’

Wat is hier aan de hand? Flendrie werd twintig jaar geleden getroffen door een acute hersenontsteking en heeft haar ervaringen beschreven in het boek Zomerslaap, dat bij de Haarlemse uitgeverij In de Knipscheer is verschenen.
Het is een eerlijk en schokkend relaas geworden, waarin de Leidse schrijfster zichzelf allerminst spaart. Het boek valt op zijn zachtst gezegd ook nogal met de deur in huis. Zonder veel uitleg ziet de lezer haar van alles overkomen, waarbij lang niet altijd duidelijk is, wat er nu precies gebeurt.
De volgende dag was ik nog steeds niet dood, schrijft Flendrie na de eerste dag vol hevige aanvallen. Geen woorden meer. Nu ik zo duidelijk was teruggevallen tot een lagere orde stonden die niet langer tot mijn beschikking. Kunt u dit zien?, is de vraag die haar zes weken later uit een coma doet ontwaken. Een van de verplegers houdt een lichtje voor haar ogen. Hoewel ze dan nog niet kan praten, zijn haar gedachten duidelijk genoeg. Ze schijnt te reageren op het lampje, hoorde ik de barserik verbaasd zeggen. Ik werd kwaad. Natuurlijk lul! En even later, als het lichtje vervaagt: Haal me terug klootzak!
Vanaf dat moment begint haar leven opnieuw. Ze kan niet praten en heeft nauwelijks nog geheugen. Ze drinkt uit het oude tuitbekertje van haar twee zoons, plast in haar bed, maar vraagt zich tegelijkertijd af of ze eigenlijk kinderen heeft. Verder zijn er tal van lichamelijke klachten; haar heup zit op slot en haar rechterhand zit stijf als een vogelklauw tegen mijn borst geklemd.
Het grillige ziektebeeld wordt in de tekst weerspiegeld. De schrijfster vliegt van de hak op de tak, hanteert hier en daar een wispelturige stijl, vermengt herinneringen met werkelijkheid en lijdt aan waanvoorstellingen. In paniek gilt ze tegen de zusters dat er fietsen op haar kamer staan, even later denkt ze dat ze kaal is.
Het verhaal wordt ook voortdurend onderbroken door gedichten, citaten afkomstig uit dossiers van de Hersenstichting en het door haar vader nauwkeurig bijgehouden Vorderingenboek Nr. 1. van J. Flendrie. Daarin wordt van dag tot dag vermeld welke vooruitgang de patiënt maakt. Op 7 augustus bijvoorbeeld: ZONDAGAVOND Ze beweegt haar rechterhand en ook haar been (rechts)! of op 20 augustus: Ze is bijna zindelijk! Er gebeuren nog maar zelden ongelukjes.
Maar de langzame lichamelijke vorderingen kunnen niet voorkomen dat een depressie keihard toeslaat. Waarom hebben jullie me toch laten leven? blijft ze herhalen. Ze wil gewoonweg niet meer. Het is genoeg geweest. In haar nieuwe hoedanigheid kan ze met de beste wil van de wereld niets mooi ontdekken.
De opbeurende indruk die ze tijdens gesprekken een psychotherapeut probeert te wekken, is slechts schijn. ‘In stilte beraamde ik zelfvernietigende plannen, toen ik braaf over de geboortes van mijn beide zonen, mijn baan, mijn sigaretten, mijn wijntje op zn tijd en overige geneugten uit het onbereikbare verleden verhaalde. Ik wil dood man! Zie je dat dan niet? Hoor je dat dan niet achter mijn bange beleefdheid?’
Zodra ze de intensive care mag verlaten, steekt ze meteen een sigaret op. Dit nieuwe en onbruikbare lichaam haatte ik bovenal, dus zoog ik me aan de papieren killer vast. De verpleegster moet de sigaret dan wel voor haar beet houden.
Religie – Praten met God helpt altijd lieve kind – dat de zusters haar na overplaatsing naar een revalidatiecentrum in Katwijk proberen aan te bieden, is voor haar geen optie. Er is maar een ding wat haar op de been kan houden: de hoop op een snelle thuiskomst.” – Frank Provoost in Mare

Delen op uw favoriete social network!

Chawwa Wijnberg – Echo van de roos

chawwa wijnbergCHAWWA WIJNBERG
Echo van de roos

Nederlands / Poëzie
Ingenaaid, 80 blz. 13,50
ISBN 90-6265-552-1
Eerste druk 2003

De verhuizing van Chawwa Wijnberg enkele jaren geleden van Midden-Nederland naar Zeeland lijkt een nieuwe ontwikkeling in haar werk te hebben losgemaakt. Waar haar blik eerst vooral naarbinnen was gericht – naar haar leven, haar verleden en de sporen daarvan in haar omgeving – richt die zich nu met Echo van de roos naar buiten, op Zeeland. En als een kind ziet ze de schoonheid van het alledaagse, de rust van de stad waar ze de stadsdichter van mag zijn: Middelburg. Chawwa Wijnberg toont doorkijkjes, frietkotten, grachten en parken. Oude pijn lijkt draagbaar door de vreugde die ze in Zeeland mag beleven.

Chawwa zou Chawwa niet zijn als ze niet kritisch om zich heen bleef kijken: ze volgt de wereld en reageert op dat wat er gebeurt. En zo wisselen liefdesliedjes en stadsoden elkaar af maar is er ook ruimte voor de elfde september, de wandelende jood of het eigen ego. Deze zo van elkaar verschillende onderwerpen vormen een eenheid in Echo van de roos waarmee Chawwa Wijnberg door het precies gekozen detail, de liefde voor het kleine aandacht geeft aan datgene waaraan anderen voorbijgaan.

Chawwa Wijnberg (1942) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij was als joods kind een onderduikkind. Haar vader zat in het verzet en werd in de oorlog door de Duitsers gefusilleerd.
Zij debuteerde in 1989 met Aan mij is niets te zien. “Het niet-doordeweekse debuut van een authentiek dichteres” (Standaard der Letteren). In 1993 verscheen Handboek voor de joodse kat, waarover Poëziekrant schreef: “Een van de opmerkelijke dichteressen uit de Nieuwe Wilden. Deze bundel bevestigt haar talent. Kenmerkend voor haar poëzie zijn de weerbaarheid en de humor.”
In haar derde bundel Matses en monsters (2001) vindt Wijnberg de woorden om te beschrijven wat overlevenden van de holocaust nog dagelijks ervaren. “Zang en dans dus, tot op de laatste bladzijde. De poëzie van Chawwa Wijnberg is onontkoombaar uitnodigend. Wie haar leest gaat met haar mee op reis” (Paul Gellings).

Begin dit jaar werd Chawwa Wijnberg voor 2003 benoemd tot stadsdichter van Middelburg. Als dichter trad zij inmiddels vijf keer op in de Nacht van de Poëzie.

De pers over Echo van de roos
“CHAWWA WIJNBERG is van 1942. Voor de meeste mensen een jaar als zoveel andere, maar niet voor haar, voor het meisje dat alleen als onderduikster de oorlog kon overleven. Zestig jaar later is het nog altijd 1942. Haar geheugen zorgt dat het vandaag gewoon gisteren is. Nooit, nooit gaat de oorlog meer over. Van die obsessie getuigt ze in haar poëzie in Echo van de roos. Dit is Chawwa Wijnberg op haar best, in meer dan één opzicht herinnert ze aan Judith Herzberg. Woorden ter bezwering. Woorden om met het verleden in het reine te komen. Woorden die een beklemmend beroep op de lezer doen: ‘De echo van de roos/wandelt als de jood voorbij/was ze er ooit/en waar was jij.'” – uit: Provinciale Zeeuwse Courant

“Een ware taalkunstenares is Chawwa Wijnberg. Je ziet haar in sneltreinvaart, van bundel tot bundel, veranderen en zichzelf onverwisselbaar trouw blijven. Hier ligt de nadruk op het luchtige en het exotische. Toch is het niet allemaal zo lieflijk als het wellicht bij eerste lezing lijkt. Want wie Echo van de roos leest, moet er rekening mee houden dat doornen ook hun echo hebben en dat deze poëzie ontegenzeglijk bijtende kanten heeft. Zoals tederheid en een donkere humor elkaar afwisselen, zo wisselen ook het rijm en het vrije vers elkaar af, wat niet betekent dat wat niet rijmt niet zingt. Er zijn zelfs gedichten waarin het metrum de suggestie van rijm wekt en daarin schuilt het hart van de poëtica van Chawwa Wijnberg: zingende taal. Hier is iemand aan het woord die zonder zelfherhaling steeds authentieker wordt en daarvan steeds meer laat zien in gedichten die geen moment vervelen.” – uit: Paul Gellings in NIW

Delen op uw favoriete social network!

Cor Gout – Noirette boek met cd

cor goutCOR GOUT
Noirette, boek mét CD
(55′ 05″)
Verhalen – Nederlands
Genaaid gebonden, royaal formaat 17,5 x 24,5 cm staand, 76 blz.,
geheel in 4-kleuren met 61 illustraties van Sebastien Morlighem
€ 27,50
ISBN 90-6265-555-6

“De illustratie in het literaire verhaal is terug!”

In zijn opmerkelijke prozadebuut Noirette brengt Cor Gout tien verhalen bijeen, prachtig poëtisch van taal, waarbij de klank en de kleur en het ritme van de tekst ook zichtbaar worden in een 60-tal vierkleurenillustraties en hoorbaar zijn in zeven nummers op de meegeleverde CD.

De op zichzelf staande verhalen volgen elkaar als verwante dromen op en leiden door de samenhang tussen woord, beeld en geluid tot een aparte ervaring: literatuur kun je behalve lezen óók zien en horen. Als een chroniqueur situeert Cor Gout zijn verhalen in Den Haag en Scheveningen. Maar deze plaatsen zijn meer personages dan decors of entourages en worden tot mythische figuren – extra benadrukt door het werk van beeldend kunstenaar Sebastien Morlighem – die gevormd worden door de gebeurtenissen die op hun grondgebied hebben plaatsgevonden en door de verhalen die door de tijden heen over hen zijn verteld.

Voor de bijbehorende CD zijn van zeven verhalen ook audio-versies gemaakt en uitgevoerd door Cor Gout (stem), Luc Houtkamp (tenorsaxofoon en computer: geluiden), Jan Moebius (laptop: ritmetracks) en Wilbert de Joode (contrabas).

Door toevoeging van beeld en geluid ontstaan meer lagen in de verhalen en zijn ze op meer dan één niveau zeer leesbaar.

Delen op uw favoriete social network!

Alexander Strachan – Wereld zonder grenzen/’n Wêreld sonder grense

alexander strachanALEXANDER STRACHAN
Wereld zonder grenzen / ’n Wêreld sonder grense

Zuid Afrika, Roman
Vertaald uit het Zuid-Afrikaans door Rolf Wolfswinkel
Ingenaaid, 128 blz., 13,50
ISBN 90-6265-511-4
Eerste druk 2003

Wereld zonder grenzen wordt beschouwd als een klassiek werk over de Zuid-Afrikaanse grensoorlog. Deze buiten Zuid-Afrika vrijwel onbekend gebleven grensoorlogen (met name met Angola en Mozambique) duurden vanaf de jaren zestig tot in de jaren tachtig en vormden een last van het verleden waarmee de Zuid-Afrikanen tot op dit moment geconfronteerd worden, te vergelijken met het Viëtnamtrauma voor de Amerikanen. De journalistiek in Zuid-Afrika leed in die jaren nog onder de strenge censuur. De informerende functie van de pers werd overgenomen door Afrikaanse schrijvers die onder het mom van fictie meer nieuws over deze verzwegen oorlogen naar buiten brachten dan waartoe de kranten en de televisie in staat waren.

In een reeks van korte fragmenten roept Alexander Strachan met een minimum aan woorden een beklemmend gevoel op en vertelt hij een genadeloos oorlogsverhaal over de traumatische effecten van de oorlog op een macho en toch sensitieve, anonieme jonge soldaat.

Wereld zonder grenzen was in 1984 het debuut van Alexander Strachan en verscheen het eerst in het Afrikaans. Het boek beleefde herdruk op herdruk en werd in 1985 bekroond met de Eugène Maraisprijs en in 1986 onder dezelfde titel verfilmd. Vele vertalingen verschenen (maar tot nu toe NIET in het Nederlands!) waarbij recensenten verwezen naar “Heart of Darkness” en “Apocalypse Now”. Deze Nederlandse vertaling verschijnt in deze uitgave samen met de originele Afrikaanse tekst waardoor de verwantschap tussen beide talen nog eens benadrukt wordt.

De pers over Wereld zonder grenzen“In uiterst sober proza schetst Strachan in zijn debuut de ervaringen van een anonieme jonge man, die is opgegroeid in de macho-omgeving van een Afrikaner boerderij en een commando-opleiding doorloopt. ‘Stil en gevaarlijk’, noemt hij zichzelf als hij met verlof terugkeert naar huis. Eenmaal thuis kan hij niet meer deelnemen aan het leven op de boerderij. Dit boekje doet, kort als het is, niet onder voor REMARQUE’S “Van het westelijk front geen nieuws” of voor die prachtnovelle van W.F. HERMANS “Uit de mist van het schimmenrijk”. De ontreddering van de oorlog, de volkomen waanzin, die mensen verandert in beesten en hen op zichzelf terugwerpt, is even beklemmend beschreven.” – uit: Trouw

“Er bestaat een merkwaardige gewoonte om oorlogen te romantiseren. Maar er zijn ook oorlogen die onwerkelijk blijven, waaruit geen helden zijn voortgekomen en waarover weinig verhalen worden verteld. De jarenlange Angolees-Namibische grensoorlog is er daar een van. Wie wel een poging heeft gedaan om die oorlog op papier te zetten is de Zuid-Afrikaanse schrijver Alexander Strachan. Hij weet dat met Wereld zonder grenzen overtuigend te doen. Heldendom wordt in dit verhaal niet beschreven. De grenzen die overschreden worden, zijn dan ook eerder de morele en psychische grenzen dan de fysieke landsgrens.” – uit: NRC Handelsblad

“Zo goed geschreven dat je het in één adem uitleest. Zou breed onder de aandacht gebracht moeten worden vanwege de inhoudelijke, morele en stilistische kwaliteiten.” – drs. Cees van der Pluijm

Delen op uw favoriete social network!

Nicolás Guillèn – Hebben en houden

nicolas guillenNICOLAS GUILLEN
Hebben en houden
Cuba / Poëzie
Vertaling: Stefaan van den Bremt
Ingenaaid, 136 blz., 20 x 14,5 cm, 17,95
ISBN 90-6265-539-4
Eerste druk 2003

In 2002 was het honderd jaar geleden dat de in 1989 overleden beroemde Cubaanse dichter NICOLAS GUILLEN werd geboren. Met zijn generatiegenoten Pablo Neruda en César Vallejo behoort hij tot de grote dichters van Spaanstalig Amerika. Met Hebben en houden verschijnt voor het eerst in Nederlandse vertaling een uitgebreide selectie uit een tiental poëziebundels van Nicolás Guillèn. Stefaan van den Bremt voegde een Nawoord toe over dé nationale dichter van Cuba en zijn dichterschap.

Nicolás Guillèn, zelf zoon van een mulat, legde de grondslag voor een Afro-Cubaanse poëzie en brak daarmee met de tot dan bestaande aan Europa schatplichtige poëzie. De Cubaanse volksmuziek, waarin tradities uit West-Afrika en Spanje elkaar gevonden hebben, werd zijn inspirerend voorbeeld. Nu de Cubaanse son in het Westen weer volop in de belangstelling is komen te staan, kan het niet anders of juist deze dichter moest mee herontdekt worden!

Lof van Cees Nooteboom: ‘Nicolás Guillèn is niet alleen de grootste Cubaanse dichter, hij is ook één van de boeiendste, muzikaalste en meest bewogen dichters van het Spaanse taalgebied, waarin hij een aantal totaal nieuwe elementen bracht, nieuwe klanken, woorden en ritmes uit zijn Afrikaanse erfenis.’

Hebben en houden is samengesteld en vertaald door STEFAAN VAN DEN BREMT, bekroond met de Belgische nationale prijs voor literaire vertalingen.

De pers over Hebben en houden
“Hoewel sommige gedichten van Guillèn uitgesproken politiek zijn, vond hij zichzelf in de eerste plaats een dichter met een melancholische inborst. Stefaan van den Bremt heeft Guillèns gedichten zo mooi en soepel vertaald dat ook de Nederlandstalige lezer zal aanvoelen dat hij een onvervangbare plaats inneemt in het Latijns-Amerikaans poëtisch panorama.” – Guy Posson in Standaard der Letteren

Delen op uw favoriete social network!

Pauline J. van Munster – Lied van Mod

alexander strachanPAULINE J. VAN MUNSTER
Lied van Mod

Nederlands – Roman
Paperback, 150 blz., € 15,–
ISBN 90-6265-548-3
Eerste druk 2003

Als over de eerste roman van deze auteur (Het evangelie volgens Daphne uit 2000) geschreven wordt “Deze debuutroman zal ik na lezing nooit meer `boekje’ noemen. Dat heeft te maken met de niet-Nederlandse mentaliteit en de durf die eruit spreken.” (De Groene Amsterdammer) en “De sfeer. Die blijft tot het laatst toe mooi, loom in zijn vreemdheid.” (De Volkskrant) en over de tweede roman (De geheime brieven van Marta uit 2001) “Net zo’n perfecte tweede roman als `Het evangelie volgens Daphne’ een echt eerste roman was.” (De Volkskrant) en “Volstrekt geloofwaardig, geen woord te veel, geen zin overbodig.” (Trouw) BENT U DAN NIEUWSGIERIG NAAR DE DERDE ROMAN VAN DEZE AUTEUR? Verheug u dan op Lied van Mod door Pauline J. van Munster dat onlangs is verschenen.

Ik heb iemand vermoord, verklaart Mod. Als zestienjarig meisje loopt Mod van huis weg. Haar moeder ziet haar liever gaan dan blijven, haar vader is al langer uit het zicht verdwenen tot bitterheid van zijn vrouw. De uit de kluiten gewassen Mod vindt onderdak en werk als klusser in een klooster. Deze gesloten gemeenschap van vrouwen, die wat afgezonderd van de bewoonde wereld naar eigen wetten leeft, wordt nog uitgebreid met Myrna, een aan de poort ter vondeling gelegde blinde baby.

Al vanaf dat moment is er tussen Mod en Myrna een apart gevoel van intimiteit en verwantschap dat 15 jaar later – onontkoombaar en voorbestemd, lijkt het – wreed verstoord zal worden. De ramp die zich dan voltrekt wordt door de nonnen in gemeenschap zwijgzaam toegedekt. Mod trekt haar eigen conclusie.

Pauline J. van Munster (Nijmegen, 1959) schreef eerder de korte romans Het evangelie volgens Daphne (2000) en De geheime brieven van Marta (2001) waarin, evenals in Lied van Mod, onverwachte dood en erotiek vanzelfsprekende elementen in het verhaal zijn.

De pers over Lied van Mod
“De derde roman van Pauline J. van Munster is in veel opzichten een ongewoon boek: een slimme structuur en chronologie, een tragische hoofdpersoon en een stijl die zonder meer gedreven en broeierig is. Ze laat zien hoe ieder paradijs steeds opnieuw aangerand en bezoedeld wordt door het kwaad waarmee wij erfelijk belast zijn. Het is met name haar bezwerende stijl die je al lezend doet wegzweven van de harde, concrete wereld naar de rustgevende illusie van het klooster. Haar eerste boeken ken ik niet. Die leemte zal ik snel opvullen!” – Wim Vogel in Haarlems Dagblad

Delen op uw favoriete social network!

Marc Wildemeersch – Knijp nu je ogen dicht

Marc WildemeerschMARC WILDEMEERSCH
Knijp nu je ogen dicht

België Roman
Paperback, 192 blz., 14,90
ISBN 90 6265 551 3
Eerste druk 2003

Knijp nu je ogen dicht is het romandebuut voor volwassenen van Marc Wildemeersch over de ‘grote oorlog’ die in tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog slechts sporadisch thema is in de Nederlandse (inclusief de Vlaamse!) literatuur.

De titel staat voor zowat alles wat in het boek vervat zit en komt uit het gedicht ‘Wiegeliedje’ voor de geliefde van Paul Van Ostaijen, een personage in de roman. Het is geschreven in Antwerpen op 29 april 1918, tijdens het laatste offensief van de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog. Hij droeg het op aan zijn grote liefde Emma Clement: ‘Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard en strek je heupen naar je lust. Ach du, du.’ Evenals dit gedicht ademt de roman liefde en passie uit. Bert Stubbe, de protagonist in Wildemeersch roman, raakt net voor hij in 1914 vertrekt naar Canada in de ban van de wulpse Anna Vere. Mede daardoor voelt hij zich nooit echt goed in zijn vel in het beloofde land van vele migranten.

Verder verwijst de titel naar de vlucht voor de werkelijkheid. De Grote Oorlog is uitgebroken en Bert besluit zonder enige illusie naar Europa terug te keren om er met de Canadezen tegen de Duitsers te vechten. Hij gaat bijna ten onder aan de verschrikking van de oorlog, maar loopt dan opnieuw Anna tegen het lijf. Samen proberen zij niet vermalen te worden in de blinde mechaniek van een wereldoorlog.

Van Ostaijen is in het bezette Antwerpen gebleven en collaboreert met de Duitsers. Na de oorlog vinden Anna, Bert, Paul en Emma elkaar terug in Berlijn en proberen ze elk op hun manier met hun verleden af te rekenen. De hoofdstad van het ontredderde Duitsland vormt daarvoor het ideale kader.

Tenslotte slaat de titel op de oerfunctie van literatuur: sluit je ogen en laat het verhaal je meesleuren naar een andere wereld. Enerzijds dompelt Wereldoorlog I de lezer in een hallucinant universum van chemische oorlogsvoering, kanonnenvlees en geestelijke ontaarding. Anderzijds lonkt een wereld van intellectuele hoogstandjes en lichamelijk genot. Keuze is er helaas niet. Knijp nu je ogen dicht gaat over de zoektocht van een man naar zichzelf en zijn relatie tot de anderen.

Marc Wildemeersch woont in Brugge. Hij publiceerde eerder in België de jeugdroman Noem ons geen helden over de Grote Oorlog.

De pers over Knijp nu je ogen dicht
“Marc Wildemeersch (1958) maakt met Knijp nu je ogen dicht zijn romandebuut voor volwassenen. Zijn verhaal is sterk. Een jongeman uit de kringen van Paul van Ostaijen emigreert, mislukt en keert als soldaat terug in de Eerste Wereldoorlog. Hij beleeft de verschrikkingen en overleeft o.a. vanwege zijn liefde voor Anna, die hij als emigrant achterliet. Na de oorlog reizen ze naar Berlijn waar ze met ‘collaborateurs’ als Van Ostaijen wachten op een veilige terugkeer naar België. Een goed verhaal, een interessant onderwerp en goede thema’s.” – Biblion

Marc Wildemeersch : Knijp je ogen dicht
Paul van Ostaijen en W.O. I

Geachte lezers,

Ik beoefen 5 of 6 disciplines die gewoonlijk tot de beeldende kunsten worden gerekend, en ik hou me onledig met de poëzie in het algemeen en met de visuele en concrete poëzie in het bijzonder. Paul van Ostaijen is met zijn bundel Bezette Stad, verschenen in 1921, in Vlaanderen de eerste en een van de voornaamste beoefenaars van de visuele poëzie geweest. In het boek dat vandaag aan de orde is, is Van Ostaijen een hoofdrolspeler. Vandaar mijn link met Van Ostaijen en Marc Wildemeersch.
Knijp nu je ogen dicht is, dat is intussen duidelijk geworden, een verhaal dat zich afspeelt in en om de eerste wereldoorlog.
Ik heb een zekere kijk op die oorlog, dank zij een ooggetuige. Een oom van mij, oom Sylvain, had het gepresteerd om zich als 17-jarige als vrijwilliger bij het Belgisch leger te laten inlijven. Dat mocht niet, hij was te jong, maar Sylvain was niet iemand die zich aan wetten en reglementen gelegen liet.
Hij kon daar boeiend over vertellen en hij heeft dat dikwijls gedaan. Hij zat daar achter de IJzer, in de loopgraven, de tranché’s zei hij, en hij hield de Duitsers tegen. Als je je kopje bovenstak, zei hij, was het er af. Die uitdrukking is in onze familie spreekwoordelijk geworden. Als iemand iets gevaarlijks moest gaan doen, of gaan waar het niet plus was, zegt men nog: pas op je kop.
Het verhaal dat het meest indruk op mij heeft gemaakt, en dat mede mijn kijk op de oorlog, mens en macht heeft bepaald, gaat over zwarten. Het is waar dat, als het moeilijk of gevaarlijk was, eerst de Vlamingen in het vuur werden gejaagd. Maar niet altijd. Bij een offensief of een stormloop werden soms als eersten door de Fransen gerekruteerde Senegalezen ingezet. Die werden half dronken gevoerd, dachten dan dat zij onsterfelijk waren en werden, bajonet op het geweer, het vuur en de dood ingejaagd. Van zon peloton keerde niemand terug en de lijken, of wat ervan overbleef, werden in een grote kuil geworpen, en zand erover. Een massagraf.

Van Ostaijen, geboren in 1896 en gestorven in 1928. Hij heeft nu een standbeeld in Antwerpen. Ik hoef hem u niet voor te stellen. Er zijn, 100 jaar na zijn dood, in en na 1996, zoveel boeken over hem verschenen dat een opsomming ervan de mij toegemeten tijd ruim zou vullen. Ik kan dat niet resumeren en zal het vooral over Van Ostaijen en W.O. I hebben.

In 1914, als de oorlog begint, is Paul van Ostaijen 18 jaar oud. En eigenlijk moeit hij zich niet met de oorlog. Er is de beschieting van Antwerpen geweest, er zijn veel mensen gevlucht, maar daarna herneemt het leven zijn gewone burgerlijke gang. Er is van alles in Antwerpen, cinema, theater, cabaret en de bezetter zorgt voor extra vertier. De oorlog, dat is 150 km. verder, in de Westhoek, Bachten de Kupe, tussen de IJzer en de zee. Dat is de zaak van Sylvain; Paul zal het een zorg wezen. Alhoewel.
Maar er gebeuren dingen die voor het leven van Van Ostaijen en voor de evolutie van de Vlaamse literatuur van beslissende invloed zullen blijken te zijn.
Van Ostaijen is geen brave en geen briljante student geweest. Hij is bij de Jezuïeten, die franskiljons waren, op school geweest en op het atheneum waar hij zich opwerpt als leider van de Vlaamse Club. Een diploma heeft hij niet behaald. Hij moet gaan werken en krijgt een jofel baantje als klerk op het stadhuis. En hij schrijft. Hij wordt free-lance journalist. Hij verslaat sportwedstrijden, bokswedstrijden voor de Antwerpse Courant.
En hij begint ook, voor een andere krant, over kunst te schrijven. Voor de Vlaamsche Gazet schrijft hij, reeds in 1914, o.a. over Hugo van Hofmannsthal en over Alain-Fournier die in 1914 sneuvelde bij Verdun. Hij schrijft in 1916-17 een reeks artikelen over de voorgeschiedenis van de Vlaamse Beweging in Ons land, een blad geleid door de in 1946 als collaborateur terechtgestelde Dr. August Borms.
En hij leert Floris Jespers kennen, en via de schilder Jespers de hele Antwerpse avant-garde.
En deze avant-garde is Flamingant. In die tijd zijn Vlaams en modernistisch zowat synoniem. Vrijwel alle modernisten, zeker in Antwerpen, zijn flamingant. De Jespersen, Paul Joostens, Berckelaers, alias Seuphor, ook degenen wiens cultuurtaal eigenlijk het Frans was.
En ook Van Ostaijen. Hij is een modernist en een flamboyante flamingant. Sommigen hebben getracht dit aspect te minimaliseren of het als een puberale beweging af te doen. Dat is manifest onwaar.
Hij werkt voor het blad De Goedendag. De naam zegt al veel. En Van Ostaijen schrijft: Elke jongere is een aktivist! En hij betoogt dat de nieuwe generatie moet kijken door de bril van het flamingantisme.
Hij is voor een onafhankelijk Vlaanderen, soms ook federalist, maar ook voor de Groot-Nederlandse Beweging. Hij verandert in gedachten nog al eens van marsrichting.
Hij is eigenlijk een soort Van Severen, Joris van Severen, die ook aan de IJzer staat, er om zijn Vlaams-gezindheid wordt gedegradeerd en later de Verdinaso opricht.
Als je Van Severens het tijdschrift Ter Waarheid bekijkt, dan zie je een in 1921 modern ogend blad. En met Van Severen heeft Van Ostaijen ook het parool onverfranst en onverduitst gemeen. En het verlangen een volkstribuun te zijn, een leider. Maar anders dan Van Severen is hij geen groot redenaar.
Voor Van Ostaijen betekent activist zijn niet zozeer trachten de Vlaamse eisen te realiseren met de hulp van de bezetter, het betekent: vrijheidsstrijd; het staat voor actie, leven, voor alles wat nieuw is, maar ook voor de opbouw van een gemeenschapskunst, voor verzet tegen de burgerlijke, elitaire, franskiljonse cultuur.
Hij was overigens geen voorstander van de bezetting.
In 1916 verschijnt Music Hall, zijn eerste bundel. Van de oorlog geen spoor, maar het flamingantisme wordt beleden als een nieuw geloof.

Wederkeer
Aan Victor de Meijere

Uit de verre streken van lome
Zelfverloochening,
Flamingantisme, ben ik tot u gekomen
Als een boeteling.

Niets barrevoets,
De handen saamgebonden,
Door as, het hoofd geschonden,
Met al het uiterlike mijns demoeds
Om de bedreven zonden.

Niet als de verloren zoon,
Die, uitgeput en zwak,
Aarzelend, om smaad en hoon,
Wederkeert onder ’t ouderlike dak.

Maar wel gelijk de jongen, die in ontrouw
Met zn zoete liefje heeft geleefd,
Plots in zich voelt het berouw
Om al het goeds dat hij gebroken heeft,
En met diepe demoed zich weerom naar zn lief begeeft.

En zo gaat het nog even door, maar dat bespaar ik u want, grote poëzie is dat niet.

Wat gebeurt er nog? In 1917 bezoekt Kardinaal Mercier, primaat van België, Antwerpen.
Dames en heren, wij beleven andere tijden en er zijn geen kardinalen meer als vroeger. Mgr. Danneels, onze huidige kardinaal en papabile naar het schijnt, is een West-Vlaming, dat zegt al veel – onze Nederlandse gasten zullen het daarmee eens zijn – en een geleerde thomist. Hij kan voor de vuist weg een uur spreken over de esthetica van Thomas van Aquino. Maar Mgr. Mercier was zegt Paul van Ostaijen in het boek van Marc Wildemeersch een echte smeerlap. Ik kan dat niet voor mijn rekening nemen, want ik wil hier niet de verdenking op mij laden een antiklerikaal te zijn. Bovendien heeft deze Mercier ook wel iets goeds gedaan en met name herhaaldelijk de Duitsers terecht gewezen als zij al te ruw optraden.
Maar één ding is zeker: hij was een racist. Geen Germaanse racist, maar een Latijnse racist. Er zijn, zegt hij letterlijk maar in het Frans uiteraard er zijn rassen die geschapen zijn om te bevelen en andere die geschapen zijn om te gehoorzamen. Het is zeer eenvoudig: zij die geschapen zijn om te bevelen spreken Frans.
Deze Mgr. komt naar Antwerpen.
U moet bedenken: 1917, het is oorlog. Oom Sylvain staat nog steeds in het slijk, hij houdt nog steeds de Duitser tegen aan de IJzer en hij heeft intussen wat Frans geleerd. Want hij wordt in het Frans bevolen en als hij het niet begrijpt wordt hij in het Frans gestraft. En wie er ook in de loopgraven zit is Constant Van Ostaijen, de broer van Paul. Er woedden daar twee oorlogen: de Belgen vechten er tegen de Duitsers en de Vlamingen tegen La Belgique.
Mgr., die zeer anti-Vlaams is, die ook tegen de vernederlandsing van de Gentse Universiteit gekant is, en werkelijk denkt en gelooft – want dat is een kwestie van geloof – dat de Vlamingen geschapen zijn om te gehoorzamen, komt dus naar Antwerpen.
En Van Ostaijen protesteert. Niet alleen natuurlijk. Zon 40, 50 man. Hij moet heftig geprotesteerd hebben want hij wordt gearresteerd en veroordeeld tot drie maanden cel. En 29 frank boete. Door een Belgische burgerlijke rechtbank.

De Duitsers, die niet van Mercier houden, die hem wantrouwen, terecht, en die met hun Flamenpolitiek het principe van verdeel en heers toepassen, kunnen dat niet ongedaan maken. Maar zij zorgen dat het vonnis voorlopig geen praktische gevolgen heeft. Van Ostaijen moet niet zitten. En dat brandmerkt hem als inciviek.

Er is nog iets anders gebeurd in 1917. Van Ostaijen ontmoet Emilie Clement.
Ze moeten elkaar reeds van zien en reputatie gekend hebben. Want hij flaneerde graag langs de Meir, chique, excentriek en enigszins ouderwets gekleed, met een bontmuts op. Daar paraderen ook de Duitse officieren met hun hoge col en hun monocle, en ook Emilie, gezegd Emma, die zich graag door die officieren liet fêteren en wellicht al eens een glaasje meedronk.
Als Paul haar bij een tramhalte aanspreekt in het Frans, dat is heel typisch, daar moet je een échte flamingant voor zijn zegt zij: zijde nie beschoold? Dat is niet omdat hij haar, een getrouwde vrouw, aansprak want ze had man en kind al verlaten maar omdat hij, Paul, dat in het Frans deed.
Desondanks ontstaat er een liaison.
Paul zal haar Emmeke noemen en zij noemt hem Polte. Polte. Want zo’n man laat zich niet Poltje noemen.

In oktober 1918 verschijnt zijn tweede bundel, Het Sienjaal. Er is veel christelijk geïnspireerde lijdensmystiek in deze bundel, veel humanitair idealisme en anderzijds martiale bevlogenheid:
Vastbera, wij staan.
In kamp. Wij staan.
Wies Moens is hier niet veraf.

Slechts één enkel gedicht refereert aan de oorlog, al vallen er, op de diverse fronten, duizenden doden. Per dag.
Maar de oorlogsjaren waren voor hem zorgeloze jaren getuigde hij later en wellicht de beste van zijn korte leven.

In 1918 worden plannen gemaakt om een Vlaamse Rijkswacht op te richten, eigenlijk een militie om de orde te handhaven, een instrument in de handen van de activisten waarin Van Ostaijen uiteraard een belangrijke post zou bekleden: adjudant-kolonel. Hij was waarlijk een potentiële Van Severen.
Maar datzelfde jaar kwam een einde aan de oorlog althans aan de gevechten.
Oom Sylvain komt in triomf naar Brugge terug en krijgt voor de rest van zijn lange leven een extra pensioentje als oorlogsvrijwilliger. Hij zit safe.
Maar Polte en Emmeke niet. Zij nemen een verstandige noodmaatregel. Van Ostaijen voorziet de repressie tegen de activisten en beseft dat zijn straf is opgeschorst, maar niet geseponeerd. En Emmeke heeft zich hopeloos gecompromitteerd. Zij liet zich in een open koets met Duitse militairen door de stad rijden. Tijd dus voor de aftocht. En haar relaties regelen een vlucht richting Berlijn.

In Berlijn begint voor hen een boeiend maar armoedig bestaan. Emmeke blijft een nachtvlinder maar verdient de kost. Paul vindt geen werk maar leert de artistieke boheme en avant-garde kennen en luistert naar de Spartakisten Rosa Luxenburg en Karl Liebknecht, die worden vermoord. Maar dat hoef ik u niet te vertellen. Het staat in het boek Knijp nu je ogen dicht.
En in Berlijn schrijft hij grotesken en concipieert hij zijn bundel Bezette Stad. Door de zorgen van vrienden, Floris en Oscar Jespers en Ren�Victor, verschijnt die in Antwerpen in 1921, nog vóór hij in datzelfde jaar naar zijn vaderstad terug keert.
Bezette Stad is zijn belangrijkste werk. Het is een uniek monument van visuele poëzie en ritmische typografie, een werk waarmee Van Ostaijen zich inschrijft in de geschiedenis van de Europese avant-garde.
Later schrijft hij zijn bekend geworden gedichten Marc groet s morgens de dingen, Berceuse presque nóire, Rijke armoede van de trekharmonika en andere. Maar dat is eigenlijk een stapje terug.

Pas in Berlijn schijnt hij zich te hebben gerealiseerd wat de oorlog eigenlijk was. Hij heeft zijn ervaringen in Bezette Stad op een unieke manier uitgeschreven en gevisualiseerd.
Vive Mercier! staat er sarcastisch. Op de voorlaatste bladzijde lezen we: de soldaten zijn dood leve de helden. En op de laatste: leve de gekrepeerden.

Dames en heren, niet Van Ostaijen voert het hoge woord in dit werk van Marc Wildemeersch over W.O. I, maar de dood. Ik citeer u de meest pakkende regel uit zijn boek: Alleen de dood voert privé-gesprekken.

renaat ramon,
Brugge, 28 februari 2003

Delen op uw favoriete social network!

«Een interessante combinatie van fictie en werkelijkheid.» – Drs. E.A. van Kemenade

Marc WildemeerschOver ‘Knijp nu je ogen dicht’ van Marc Wildemeersch voor NBD/Biblion, 01-05-2003:
Marc Wildemeersch (1958) maakt met ‘Knijp nu je ogen dicht’ zijn romandebuut voor volwassenen. Zijn verhaal is sterk. Een jongeman uit de kringen van Paul van Ostaijen emigreert, mislukt en keert als soldaat terug in de Eerste Wereldoorlog. Hij beleeft de verschrikkingen en overleeft o.a. vanwege zijn liefde voor Anna, die hij als emigrant achterliet. Na de oorlog reizen ze naar Berlijn waar ze met ‘collaborateurs’ als Van Ostaijen wachten op een veilige terugkeer naar België. Een goed verhaal, een interessant onderwerp en goede thema’s.
Lees hier de hele recensie
Meer over ‘Knijp nu je ogen dicht’

Delen op uw favoriete social network!