«Goede kijk op het dagboek en zijn literaire waarde.» – André Oyen

VoorplatExtaze30Over ‘Extaze 30. Dagboek’ op Lezers tippen lezers, 28 juni 2019:
Dagboeken zijn autobiografisch geschriften , die verondersteld worden geen of weinig fictie te bevatten en de lezer toch kunnen boeien. Heel vaak bepalen de omstandigheden (oorlog, ziekte, bijzondere omstandigheden) de populariteit van het dagboek, als het gepubliceerd wordt. Alhoewel de dagboeken van Anne Frank – en zeker de eerste gedeelten daarvan – de indruk van spontaniteit geven, heeft nader onderzoek aangetoond dat de schrijfster ze wel degelijk bedoeld had voor naoorlogse publicatie. Zij was zich dus zeer bewust van een onzichtbare, ‘meekijkende’ lezer. Hetzelfde betrof de serie Geheim Dagboek van Hans Warren, die een apart hoofdstuk in de Nederlandse literatuur vormt aangezien het letterlijk een heel mensenleven omspant, geeft het niet alleen een goed beeld van de schrijver maar ook van de Nederlandse samenleving als geheel. Het literaire tijdschrift Extaze heeft in zijn dertigste editie het dagboek als rode draad. Zoals gewoonlijk biedt het tijdschrift een geraffineerde mix van essay, kortverhalen, gedichten en ook het beeld dit keer van Arpaïs Du Bois krijgt alle aandacht. (…) De essays zijn goed uitgebalanceerd en geven een vrij goede kijk op het dagboek en zijn literaire waarde. (…) Echt weer een Extaze om van te smullen!
Lees hier de recensie
Meer over Extaze 30

Literair tijdschrift Extaze 30 ‘Dagboek’ [Jrg. 8, nr. 2]

VoorplatExtaze30Extaze 30– Dagboek
achtste jaargang nr. 2, mei 2019
redactie Cor Gout, Els Kort (vormgeving)
genaaid gebrocheerd, geïllustreerd, 96 blz.,
€ 15,00
presentatie 16 mei 2019
ISBN 978-90-6265-766-7

Waarom worden dagboeken geschreven en wat kun je er nu precies in lezen? Deze vragen stelt Monica Soeting in haar essay ‘Dagboeken’. In ‘Ik is een ander’ beantwoordt Jaap Goedegebuure de dubbele vraag als volgt: mensen schrijven dagboeken om zichzelf te doorgronden, de maat te nemen, zichzelf vermanend toe te spreken. Of ze vullen het boek met aantekeningen die dienen als geheugensteuntje, die soms worden uitgewerkt tot iets essentieels. Monica Soeting zal het met Goedegebuure eens zijn, maar weet dat dit persoonlijk aspect pas laat in de geschiedenis van het dagboek tot uitdrukking is gekomen. Goedegebuure’s overtuiging dat een gepubliceerd dagboek pas de moeite waard is als het de lezer laat delen in de innerlijke verkenningen van de auteur krijgt bevestiging van het in 1957 uitgegeven dagboek van J. Slauerhoff. In ‘Flarden van een zelfportret’ haalt Hein Aalders de criticus Johan van der Woude aan, die in dat dagboek een dynamische verschijning herkent, scherpziend, dromerig, rancuneus en idealistisch.
Een beschrijving die aansluit bij het beeld dat Aalders van de schrijver schetst. Een citaat uit Harry Haarsma’s korte essay over beeldende dagboeken sluit onbedoeld aan op het essay van Clara Bolle: ‘Het dagboek is een donkere kamer, het licht wordt spaarzaam toegediend want licht vreet aan de waarheid’. Clara Bolle’s essay, dat verder reikt dan het genre van het dagboek, leidt langs poëtische wegen naar de moeilijkheid van het wijkende woord: de schrijver geeft woorden aan het bestaan, hij wil de essentie grijpen, maar op het moment dat hij het wil vastpakken is het verdwenen.

In dit nummer verder korte verhalen van Chrétien Breukers, Evelien Flink, Leonie Pas, Lydi Groenewegen, Pieter Drift en gedichten van Hanz Mirck, Jeanet Kingma, Job Degenaar, Mart van der Sterre, Mattijs Deraedt, Willem van Toorn en Steven Van Der Heyden. Het beeld is van Arpaïs Du Bois.

De presentatie van ‘Extaze 30’ vindt plaats op donderdag 16 mei 2019. Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg). Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde. Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur, dus graag op tijd aanwezig zijn. Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen). Reserveren: redactie@extaze.nl. Presentatie: Cor Gout. Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign).
Meer over presentatie Extaze 30
Lees ook het digitale supplement van ‘Extaze’
Meer over ‘Extaze’

Jan Kostwinder: dichter 101 voor Rogi Wieg

VoorplatWiegKringOver ‘In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg’, 22 juni 2017:
In de hommagebundel voor Rogi Wieg ‘In de kring van menselijke warmte’ dragen 100 dichters uit het Nederlandse taalgebied een gedicht op aan Rogi Wieg. Te laat voor de hommagebundel attendeerde Albert Hagenaars de uitgeverij op het feit dat ook Jan Kostwinder (1960-2001) een gedicht schreef voor Rogi Wieg. Het zou in de jaren negentig gepubliceerd zijn in het literaire tijdschrift ‘Adem’ en werd in 2003 door samenstellers Hein Aalders en Chrétien Breukers opgenomen in Kostwinders verzamelde gedichten ‘Alles is er nog’.
Lees hier het gedicht
Meer over ‘In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg’
Meer over Rogi Wieg bij Uitgeverij In de Knipscheer

«Ik ga, na al die jaren, álles van Van Leeuwen lezen.» – Chrétien Breukers

BoelivanLeeuwen8‘Van boek naar boek: Boeli van Leeuwen’ op Weblog van Chrétien Breukers, 3 mei 2017:
Ik herinner mij een gesprek met Jos Knipscheer. Eind jaren tachtig (van de vorige eeuw). Het ging over de romans van Tip Marugg en Boeli van Leeuwen. Volgens mij was Marugg net genomineerd voor een grote prijs. Dat vond Jos Knipscheer weliswaar terecht, maar toch beviel het hem niet dat Van Leeuwen niet genomineerd was. (…) Drie boeken las ik van Boeli van Leeuwen: Schilden van leem, De rots der struikeling en De eerste Adam. Jaren had ik niet aan hem, of aan zijn werk gedacht, tot gisteren. (…) Ik bekeek het slotstuk van de trilogie: De indiaan baarde een neger ( hier is een en ander terug te zien ) en haalde de boeken van Van Leeuwen tevoorschijn. Ik hoorde de stem van Knipscheer weer mopperen. (…) Gisteravond herlas ik Schilden van leem bijna helemaal. In één ademtocht, desgewenst. Ik ga, na al die jaren, alles van Van Leeuwen lezen. Het is zo ver. Lezen is iets vreemds: je springt van boek naar boek, zonder plan of systeem, en hoe je precies bij schrijvers terechtkomt, of om welke reden: het blijft een raadsel.
Lees hier het betreffende blog
Meer van Chrétien Breukers op deze site
Meer over Boeli van Leeuwen op deze site

«De positie van de jeugd in de moderne cultuur. Een interessant nummer.» – Gerard Oevering

VoorplatExtaze9Over Extaze 9 voor NBD Biblion, 01-05-2013:
Extaze is een literair tijdschrift dat het begrip ‘literair’ zeer ruim neemt. Naast poëzie, proza en literaire essays worden ook beschouwingen over beeldende kunst, muziek en film opgenomen. In dit 9e nummer (2014-1) staat in de essays de positie van de jeugd in de moderne cultuur centraal. Boomkens (cultuurfilosoof) vraagt zich af of de voortgaande vernieuwing van het neoliberale marktdenken sterker zal zijn dan de authenticiteit van de jeugd. Oosterling (filosoof) hoopt op een ‘mediale verlichting’ in de opvoeding van de jeugd tot burgerschap in deze wereld van de communicatiemedia. Bakker (mediadeskundige) onderzoekt in ‘De digitale generatie’ het verband tussen mediagebruik, geletterdheid en intellectuele achteruitgang en morele ontreddering. Verder bevat dit nummer verhalen en gedichten van Nederlandse en Vlaamse auteurs over de jeugd, proza van o.m. Breukers, Bruyneel, Gertrude Kunze en poëzie van Delphine Lecompte, Stelle Boelsma. De meesten hebben publicaties in boekvorm op hun naam staan. De sfeervolle illustraties zijn van Stefan Serneels. Een interessant nummer.»
Meer over ‘Extaze 9’
Meer over ‘Extaze’

«Wie kan dat als dichter in 23 regels oproepen?» – Chrétien Breukers

VoorplatAfgekaptDichtwerk75Over het gedicht ‘Een zeer zacht spijkerbed’ uit ‘Afgekapt Dichtwerk’ van Rogi Wieg op De Contrabas, 11 april 2014:
Het is mooi, en het is huiveringwekkend. Die man die door het leven is gegaan, om vervolgens… gedichten te gaan schrijven, iets wat hij altijd al heeft gedaan, kortom. En hoe kwam hij tot dat inzicht? Na een heilzame sessie, van zes dagen (lees de bijbel er op na), op de zich als een zeer zacht spijkerbed manifesterende Jezus. (…) Het heeft alles wat Wieg altijd al had, lichte pathetiek, nou ja, meer dan lichte pathetiek, een hang naar het religieuze of mystieke en het überpersoonlijke waar niet iedereen zomaar mee weg kan komen.
Lees hier het hele stuk
Meer over ‘Afgekapt Dichtwerk’
Meer over Rogi Wieg bij In de Knipscheer

«Een buitengewoon fraai verzorgd literair tijdschrift.» – André Oyen

VoorplatExtaze9Over ‘Extaze 9 Literair tijdschrift’ op iedereenleest.be, 7 april 2014:
Extaze wil niet alleen een podium voor proza en poëzie zijn, maar ook voor elke vorm van literaire non-fictie. Het begrip ‘onbegrensd’ kan ten slotte ook in ruimtelijke zin begrepen worden. (…) De afzonderlijke nummers van Extaze zijn niet strikt thematisch geordend, maar enige samenhang tussen de bijeengebrachte stukken is er wel. Het karakter van het nummer wordt versterkt door het werk van een beeldend kunstenaar. Literaire inhoud, beeldend werk en vormgeving zijn nauw met elkaar verbonden. De nieuwe Extaze nummer 9 staat helemaal in het teken van de Jeugd. Stefan Serneels zorgt voor knap illustratiewerk en ook daar duikt het thema ‘jeugd’ geregeld op. Extaze is een apart tijdschrift met Nederlandse en Vlaamse bijdrages voor een veeleisend Nederlands en Vlaams lezerspubliek. Naast het papieren blad stelt de redactie van Extaze een website samen met daarin informatie over het blad, een agenda, recensies, columns, poëzie, afbeeldingen en film- en geluidsfragmenten.
Lees hier de recensie of hier
Meer over ‘Extaze 9’

Extaze 9 [2014-1] Jeugd. Literair tijdschrift

VoorplatExtaze9Extaze 9
Jeugd
Genaaid gebrocheerd, geïllustreerd, 96 blz.
15,00
februari 2014
ISBN 978-90-6265-850-3

Extaze 9 kent als thema ‘Jeugd’. Twee filosofen en een mediadeskundige reflecteren op de cultuur van onze dagen en de rol die de jeugd daarin speelt. Daarbij stelt elk zijn eigen vragen. Hoe bereiden wij ze voor op deze nieuwe wereld? Wat zijn hun idealen? Hoe strijdbaar zijn ze? Verruilen zij de oude media voor de nieuwe en kijken ze niet meer om naar de oude vormen van kennis- en informatieoverdracht?

Henk Oosterling formuleert zijn vragen in een essay getiteld Extatische pedagogiek? – De doorslaggevende rol van mediawijsheid en ecowijsheid in de educatie. Hoe bereiden we onze kinderen op deze wereld voor? Hoe leren we hen zich te verhouden tot de technologische extase waarin ze verzeild zullen raken of al verzeild zijn geraakt? Wat betekent de aloude pedagogische stelregel ‘grenzen stellen’ in een wereld die grenzeloos is geworden? Wat leren we onze screenagers over media? Een geheel aan de nieuwe mens aangepaste, extatische pedagogiek is onvermijdelijk. Oosterling theoretiseert niet slechts, hij vertelt ook over de praktijk van zijn project Rotterdam Vakmanstad/Skillcity.

René Boomkens stelt zijn vraag aan het eind van zijn essay Eeuwig jong – De jeugd van ‘absolute beginners’ tot marketingtool. De geschiedenis, waargenomen als strijd, als een heen-en-weer beweging tussen heftige conflicten en periodes van evenwicht, waarbij het vaak de jeugd is die het woord neemt en ‘een nieuw begin’ aankondigt, lijkt tot aan het eind van de twintigste eeuw tot rust te zijn gekomen bij een ideaal van jeugd en jeugdigheid, een alomvattende jeugdcultuur waar ook de jongeren deel van uitmaken en die schaamteloos commercieel wordt uitgebuit. De eeuwige jeugd van het neoliberale markmechanisme lijkt te impliceren dat we niet hoeven te verwachten dat de jeugd plotseling het woord zal nemen. Of wordt die verwachting gelogenstraft, zoals telkens weer in de geschiedenis het geval is geweest?

Piet Bakker stelt in De digitale generatie vast dat iedere ‘leeftijdscohort’ (een groep die in een bepaalde periode is geboren) een specifiek voorkeursmedium heeft. Wie regelmatig onder jongeren verkeert, weet dat ze verknocht zijn aan hun computerscherm. Zullen zij de oude media inruilen voor nieuwe en daarbij steeds minder vaak omkijken? Die kans bestaat, maar of dit een teken zou zijn van intellectuele achteruitgang is de vraag.

Voorts korte verhalen van Chrétien Breukers, Jonas Bruyneel, Luc Geeraert, Cor Gout, Ronnie Krepel, Gertrude Kunze en Fred Lanzing, gedichten van Estelle Boelsma, Delphine Lecompte en Wout Waanders en tekeningen van Stefan Serneels, waarbij het thema ‘jeugd’ geregeld opduikt.

De presentatie van dit nummer zal plaatsvinden in Pulchri, Lange Voorhout 15, Den Haag (Extaze in Pulchri 9), op donderdag 27 februari 2014, aanvang: 20.00 uur.
Meer over Extaze

«Rogi Wieg schreef op geheel eigen wijze, die niet veranderde, niet werd aangepast en – ik las vandaag zijn nieuwe bundel ‘Khazarenbloed’ – ook in 2012 volledig intact is.» – Chrétien Breukers

KhazarenbloedOver ‘Khazarenbloed’ van Rogi Wieg op De Contrabas, 4 september 2012:
Alles is er nog, de prozazinnen die meanderend voortgaan. De zinnen die even pijn doen (‘Het regent deze zomer zoveel, / maar ook deze zomer is een uitgangspunt.’). Nou ja, deze bundel is weer helemaal en volledig Rogi Wieg. Hij is nooit weggeweest, dus het heeft geen zin om te spreken van een come back.

Lees hier het blog

Mooie woorden (3) over Te leven op duizend plaatsen van Rob Groenewegen

1. Nelleke Noordervliet, schrijver, recensent:
Jo Otten was een romanticus uit Rotterdam. Het lijkt een contradictio in terminis, maar die karakterisering geeft precies de sfeer van de man en zijn tijd weer: dynamisch, controversieel. Otten was een eenzaat, een rusteloze reiziger, een gekweld mens. Verlegen en stoutmoedig, ambitieus en arrogant, talentvol en maar half geslaagd als schrijver, een persoonlijkheid waar je niet makkelijk de vinger achter krijgt. Juist doordat er over hem weinig of geen voorgekookte kennis bestaat, lezen we zijn biografie met de onbevangenheid die garant staat voor verrassingen. Het interbellum, dat we zo goed kennen via de mannen van Forum en al wat er over hen is geschreven, krijgt diepte in de uitstekende biografie van Jo Otten door Rob Groenewegen.

2. Elsbeth Etty in NRC, zaterdag 1 oktober 2011:
Naar de schrijver Jo Otten, die in 1928 promoveerde op de dissertatie Het Fascisme en in 1932 de opwindende novelle Bed en wereld publiceerde, ben ik al lang nieuwsgierig. Als bewonderaar en ijverig lezer van Menno ter Braak, E. du Perron en andere schrijvers uit het interbellum kwam ik zijn naam herhaaldelijk tegen. Nu weet ik alles van hem, dankzij de gedetailleerde biografie waarop neerlandicus Rob Groenewegen jongstleden 29 september in Leiden promoveerde. Te leven op duizend plaatsen. Jo Otten 1901-1940 (In de Knipscheer, 814 blz. € 45) vertelt het tragische levensverhaal van deze overgevoelige Rotterdamse intellectueel. In een defensief nawoord probeert de biograaf te rechtvaardigen waarom “een vergeten literaire figuur” zo’n omvangrijke biografie verdient. Overbodig: een goed boek als dit, over een fascinerend mens in een belangrijke historische periode heeft geen rechtvaardiging nodig.

3. Rob Hartmans in De Groene Amsterdammer op 20 oktober 2011 onder de titel ‘Tamelijk irritant’ (fragment):
Zoals zoveel intellectuelen van zijn generatie flirtte hij met Mussolini en in 1928 promoveerde hij op een proefschrift over het Italiaanse fascisme. Hij was bevriend met de uitgever van bibliofiele boeken A.A.M. Stols en ging begin jaren dertig om met de in Rotterdam docerende Menno ter Braak, met wie hij tevens in de redactie van het blad Filmliga zat. Zijn letterkundige activiteiten werden echter maar matig gewaardeerd en de kliek rond Ter Braak nam hem niet echt serieus, wat later resulteerde in een eindeloze reeks uiterst negatieve recensies. De ironie van het lot wilde dat de Rotterdammer Otten halverwege de jaren dertig naar Den Haag verhuisde, waar hij op 10 mei 1940 werd geraakt door een van de drie bommen die op de Hofstad vielen.
Doordat de zogenaamde Forum-generatie van Ter Braak en Du Perron vooral na de oorlog buitenproportioneel werd opgehemeld, raakte Otten in de vergetelheid en stond hij, bij de weinigen die zijn naam nog kenden, te boek als een derde- of vierderangs literator. In hoeverre is dat terecht? In zijn biografie van Otten wil Rob Groenewegen niet op deze vraag ingaan, en wil hij slechts ‘begrip kweken voor het leven en werk van een bijzonder mens, iemand die nauwelijks tegen het leven was opgewassen en een kruistocht voerde tegen de wetmatigheden waaruit dat leven bestond.’ Hiermee heeft hij zich een even moeilijke als ondankbare taak op de hals gehaald. (…)
Interessant aan het boek is dat Groenewegen vrij adequaat het literaire en intellectuele klimaat van het interbellum schetst en terecht wat kanttekeningen plaatst bij de reputatie van Ter Braak en de zijnen. Maar door dit op te hangen aan de tamelijk irritante figuur van Jo Otten vergt hij veel van de lezer.

4. In Vandaar dit boek van Meindert van der Kaaij in Trouw, zaterdag 22 oktober 2011:
Toen ik met mijn onderzoek begon was Otten min of meer van de aardbodem verdwenen. Niemand kende hem meer. Zijn werk was onbekend en bijna nergens te krijgen, terwijl mannen zoals Ter Braak, Du Perron en Marsman beroemd zijn. Het lijkt nu soms wel alsof er in het interbellum geen andere mensen waren die iets zinnigs te zeggen hadden en dat is volgens mij historisch gezien onjuist.
Ook het belang van het maandschrift Forum, waarin Ter Braak en Du Perron schreven, is overdreven door naoorlogse literatuurhistorici. Dat blad had welgeteld driehonderd abonnees. Ik denk dat, hoe invloedrijk Forum ook ongetwijfeld was, dit tijdschrift niet de hegemonie had in het literaire discours van toen zoals het huidige beeld suggereert.
Juist zijn onbekendheid en het feit dat hij een schrijver van het tweede plan was maakte Otten zo geschikt voor een biografie. Ik vind dat je van een cultuur ook kennis kunt nemen via de verliezers en de derderangs figuren, vaak zelfs nog beter dan via de winnaars. Antihelden hebben net zo goed invloed op een cultuur als helden. Het is goed om van de ideeën van de antihelden uit de literatuur te belichten om zo het beeld te completeren en zelfs te wijzigen.
Otten had contact met de schrijvers die na de oorlog bekend werden en via een omweg schonk dat me een blik achter de schermen.
Zie

5. Corinna van Schendel (E. du Perron Genootschap), 24 oktober 2011:
Wat een leesbaar en evenwichtig boek is de biografie van Otten geworden! Nelleke Noordervliet heeft gelijk. Ik las het boek moeiteloos uit, terwijl Otten me niks zei. Dankzij de korte hoofdstukken werd ik als lezer stap voor stap door een mij onbekend milieu en idem Rotterdam gevoerd naar de Boschbesstraat en Casuariestraat in Den Haag, die me wel wat zeggen. Via de eigenzinnige levenslijn van Jo, een niet steeds innemend persoon, wordt het interbellum vanuit een nieuwe invalshoek belicht. Dat geldt ook voor figuren als Menno ter Braak, E. du Perron, Stols, Buckland Wright.
Rob Groenewegen blijft gelukkig steeds kritisch over zijn held (en zijn tijdgenoten), zet vraagtekens bij motieven, redeneringen en gedragingen of zoekt naar een verklaring. Het slot met Ottens citaat ‘Dood zijn is zo erg nog niet…’ is een prachtige afsluiting van zijn biografie. Dankzij het register is het boek een prima naslagwerk over allerlei personen.

6. Ezra de Haan op Literatuurplein.nl, 2 november 2011:
Rob Groenewegen brengt dit leven in kaart. Het is een prestatie die bewonderenswaardig is. Van de wereld die Otten kende is weinig overgebleven. Toch wist Rob Groenewegen genoeg boven water te halen. Hierdoor komt niet alleen Jo Otten maar ook literair Nederland ten tijde van het interbellum tot leven. Het schrijven van een biografie is geen sinecure. Het schrijven van een biografie van Jo Otten zeker niet. (…) De vergelijking met een waterval komt nog het best overeen met het effect dat het lezen van deze biografie op de lezer heeft. Rob Groenewegens biografie leest als een trein. Ook merk je dat hij een duidelijke zielsverwantschap heeft met zijn onderwerp. Daarmee is Rob Groenewegen de kunstenaar die je volgens Otten als biograaf moet zijn en wordt ook het ‘innerlijk contact’ dat je met de gebiografeerde moest hebben aangetoond. Te leven op duizend plaatsen voldoet volledig aan Ottens eisen van weleer. ‘Geschiedenis schrijven is herscheppen en herscheppen is niet mogelijk zonder verbeelding.’ (…) Daarmee is Te leven op duizend plaatsen een welverdiend monument voor Jo Otten geworden. Niet alleen wordt de periode waarin hij leefde uitstekend beschreven, ook de vele facetten van zijn persoonlijkheid krijgen genoeg aandacht. De tot nu toe enigszins vergeten schrijver komt als een ware feniks weer tot leven en met hem een van de modernisten in de Nederlandse literatuur. Rob Groenewegen toont zich in deze biografie de gedroomde biograaf van Jo Otten. Als een valse hond heeft hij zich in de ogenschijnlijk ongrijpbare mobiele mens Otten vastgebeten en hij wist vast te houden totdat diens levensverhaal vastlag.
Lees meer

7. NBD/Biblion, 10 november 2011:
In deze ruim achthonderd pagina’s dikke biografie (oorspronkelijk een proefschrift) beschrijft Rob Groenewegen op gedetailleerde wijze het korte leven en werk van de in Rotterdam geboren Otten, op veel pagina’s staat wel een lang citaat in de vorm van een tekstblok.
Lees meer

8. Chrétien Breukers, schrijver, redacteur, 14 november 2011:
‘Verdient Otten dan wel zo’n uitgebreide biografie?’ Daarop is maar één antwoord mogelijk: ‘Ja.’
Vergeten auteurs waren ooit onderdeel van ‘het’ literaire leven. Hun werk is – ooit – opgenomen in het weefsel van teksten dat literatuur nu eenmaal is. Er werd op gereageerd. Het werd bewonderd of afgekeurd.
Dat Groenewegen (met schaarse bronnen) een deel van dat leven weet te presenteren, in een boek dat a good read is, dwingt bewondering af.
Lees meer

9. Rien van den Berg in Nederlands Dagblad, 25 november 2011:
Deze biografie is een duizelingwekkend verhaal vol wetenswaardigheden rond het Rotterdamse (literaire) leven tijdens het interbellum. Groenewegen laat niets onbesproken en is uiterst zorgvuldig en volledig (misschien té) in zijn analyse van Otten en de tijd waarin hij leefde. Daarmee is deze biografie veel meer dan de levensbeschrijving van een man geworden. Het biedt ook een schat aan informatie over architectuur, kunst, film, politieke stromingen, etc. (…) Als veelzijdige, grillige figuur is Otten geen gemakkelijk ‘materiaal’ voor een biograaf. Groenewegen is er desondanks in geslaagd een evenwichtig beeld te schetsen van diens leven en tijd en daarmee is de biografie een aanwinst voor wie geïnteresseerd is n deze literaire periode.
Lees

10. Boekenpost [116, jrg. 19], nov/dec 2011:
Groenewegen schetst hierin het beeld van een auteur in het interbellum die zocht naar erkenning, maar die vanuit de kantlijn van de literatuur machteloos moest toezien hoe zijn medestrevers, onder wie de essayist en criticus Menno ter Braak, de dienst uitmaakten. (…) Het gevoel en de verbeelding, het verstand en de werkelijkheid: het zijn de belangrijkste thema’s in dit boek. In het zicht van een nieuwe wereldoorlog trachtte Otten een geschikte balans te vinden tussen deze ongelijksoortige grootheden, waarbij hij zich liet leiden door angst. Van dit proces deed hij onder meer verslag in zijn caleidoscopische novelle Bed en wereld (1932) en het theoretische supplement, het modernistische essay Mobiliteit en revolutie (1932), dat als bijlage in Te leven op duizend plaatsen is opgenomen. Literatuur, architectuur, studentenleven, film, politiek en filosofie komen samen in deze biografie, waarin het leven van Otten wordt ontrafeld tegen de achtergrond van het culturele leven in Rotterdam tijdens het interbellum. Als uniek document is aan dit boek toegevoegd van de Rotterdamse journalist-schrijver Ben Stroman (1902-1985), die op 8 maart 1940 tijdens de boeken week zijn licht liet schijnen over de ‘letterkundige schimmels en kasplanten’ van de Maasstad.