Chawwa Wijnberg – Nerf en flanken

Chawwa Wijnberg
Nerf en flanken
Gedichten. Nederland
Ingenaaid, 88 blz.,
ISBN 978-906265-631-8 € 15,75
Eerste druk 2008

Het titelgedicht Nerf en flanken is typerend voor de poëzie van Chawwa Wijnberg. Vol passie bezingt ze de liefde, zoekt ze naar passende woorden, stuit ze op de grenzen van de taal en kiest ze vervolgens voor een metafoor die beeld en sfeer puntgaaf beschrijft.

het hek ertussen, stonden ze
twee paarden
bewogen hun zachte warme lippen
ze kusten
hun nekken zwaans gebogen
genegen
met dat hek ertussen
woordloos bij elkaar

Naast pure lyriek is er echter ook ruimte voor juist die onderwerpen die slechts zeer zelden in de poëzie terechtkomen zoals het koken voor de ander of de liefde voor een kleinkind. Dat kan in heldere, niets verhullende taal maar ook met schurende of verrassende woorden.

het brieven schrijven / stokt me / als gaten in de keel

In gedichten zoals Onderduik en Mam geeft Chawwa Wijnberg op ingetogen en misschien daardoor juist uiterst pijnlijke wijze vorm aan de eeuwigdurende oorlog die haar ten deel viel. Het is het toen en nu waar ze steeds weer op reageren moet. Soms met compassie. Soms ook vol woede. Liever zou ze in een wereld leven zoals die van Aardbeientaal of Appel. Het zijn gedichten vol verfijnde observatie en humor. En liefde, altijd weer de liefde.

In de gedichtenreeks voor Boaz weet Chawwa Wijnberg de wereld van het kind en die van de grootmoeder tot een geheel te smeden. Eigenlijk is ze beide in deze bundel, die je gerust een ode aan het leven mag noemen.

Koos van den Kerkhof – Oud zink

inge bakKoos van den Kerkhof
Oud zink

Gedichten, Nederland
Ingenaaid, 64 blz.
ISBN 978-906265-625-7 € 14,50
Eerste druk 2008

Oud zink is de neerslag van jarenlang dichterschap. In zijn vaak autobiografische gedichten en ook in de stadsgedichten, die hij als stadsdichter van Venlo schreef, weet Koos van den Kerkhof feilloos de juiste woorden te vinden. Dicht op de huid schetst hij zijn omgeving met haast pijnlijke precisie. Naast deze, soms in parlando geschreven, poëzie staat er ook meer experimenteel werk in deze bundel. Hier neemt de dichter de ruimte om de taal naar zijn hand te zet-ten. Experimenten die qua taal en vorm een heel an-der soort poëzie opleveren maar die in draagkracht even sterk is. Het gaat hierbij vooral om het spel en de schoonheid, zowel wat betreft het onderwerp als de woordkeuze. Zijn metaforen geven glashelder weer hoe Koos van de Kerkhof zijn poëzie schrijft.

Boerenkool

Woorden zijn net de boerenkool
van toen ik veertien was.
IJsdruppels in de krulbladeren.

Ik kromde de vingers onder de latten
zette de krat, met snijkoude
stronken gevuld, op de bascule.

Tot het op en neer wippende mes
stilstond op gelijke hoogte
met het vaste mes, brak ik de bladeren af.

De boerenkool was aan zijn gewicht.
Dus bleef je er af. Net als van de woorden.

Koos van den Kerkhof (Tegelen, 1946) is docent aan de schrijversschool van het Centrum voor de Kunsten in Eindhoven, was vanaf september 2002 twee jaar stadsdichter van Venlo en publiceert over schrijven, literatuur en kunst. het schrijflab.nl

Raj Mohan – Bapauti/Erfenis

raj mohanRaj Mohan
Bapauti/Erfenis

Gedichten, Suriname
Sarnami/Nederlands
Ingenaaid, 80 blz.
ISBN 978-906265-599-1
Prijs: € 16,90
Eerste druk 2008

de schaduw van mijn voorouders
heb ik met zorg verzonken
in het stromende water
van Banáras
langs een oude badplaats
in de schoot van Moeder Ganges

slijk van Suriname
vastgekleefd aan mijn voetzolen
laat nog steeds sporen achter
op de glanzende straattegels
van Holland

bij elke stap

Raj Mohan is geboren in 1962 in Suriname. Zijn wortels liggen in India waar zijn voorouders vandaan komen. Zijn herinneringen aan Suriname, zijn sterke band met India en zijn thuisland Nederland maken van hem een voyeur van deze drie uiteenlopende culturen. Hij studeert muziek in Amsterdam en in Mumbai in de school van Ravi Shankar en maakt al decennia naam als zanger/muzikant en componist van zijn op deze traditie geïnspireerde cross-over muziek. Hij treedt afwisselend op met zijn bands Vistar, Raj Mohan Ensemble en Shai’rana. Met zijn nieuwste CD Kantráki/Contract Labourer (PAN Records 213) met door hem op muziek gezette eigen gedichten in het Sarnami, de moedertaal van de Hindostanen in Suriname en Nederland, keerde hij afgelopen zomer voor het eerst sinds 1974 terug naar Suriname voor een tournee die daar grote indruk maakte. Vier van deze gedichten/ liedteksten, waaronder Kantráki/Contractarbeider, maken deel uit van zijn eerste gedichtenbundel Bapauti/Erfenis waarmee hij zich achter de kleine groep Hindostaanse dichters schaart die schrijven in het Sarnámi.

Zijn poëzie (door hem samen met de Surinaamse dichter Shrinivasi in het Nederlands vertaald) kenmerkt zich door zijn eenvoud waardoor hij op een doeltreffende manier zijn publiek weet te bereiken. Wat in het bijzonder opvalt, is dat hij schijnbaar moei-teloos dicht – vaak in een episch lyrische stijl – over nog steeds getaboeïseerde thema’s als incest en vrouwenonderdrukking binnen de Hindoestaanse en Indiase samenleving.

Munye Oduber-Winklaar – Zo reken ik nu met je af

munye oduber winklaarMUNYE ODUBER – WINKLAAR
Zo reken ik nu met je af / Ta asina y awor mi ta regla cuenta cu bo

Nederlandse Antillen. Gedichten
Ingenaaid, 160 blz. € 16,90
tweetalig Papiamento-Nederlands
ISBN 90-6265-576-2
Eerste druk 2007

Munye Oduber-Winklaar is op Bonaire geboren, maar woont op Aruba waar zij is opgegroeid. Vanaf 2003 publiceert ze korte verhalen en gedichten in tijdschriften en bloemlezingen zowel in het Engels (in Trinidad and Tobago) als in het Papiamento (op Aruba). De spreekwoordelijke Caribische meertaligheid komt letterlijk tot uitdrukking in Ta asina y awor mi ta regla cuenta cu bo, haar eerste boekpublicatie. In de gedichten bezweert ze in haast meditatieve woordstromen de pijngolven van een verloren gegane liefde: Zo reken ik nu met je af.

Je verleiden met de meest
onweerstaanbare
liefkozingen
van vlindervleugels
Je vertrok geen spier

«In de Caribische literatuur is ‘Coming out of the kumbla’ een bekende uitdrukking die aangeeft hoe vrouwen hun koloniale publicatieangst resoluut opzij zetten en tot een diepgaande beschrijving komen van hun persoonlijke leven en het leven in het algemeen vanuit het standpunt van ‘womanism’. Met deze bundel schaart Munye Oduber-Winklaar zich in deze stroming van bekentenislyriek. Ze beschrijft uitvoerig een relatie die weliswaar mislukt, maar waaruit de hoofdpersoon versterkt en zelfbewust tevoorschijn komt. Ze doet dat op een manier waarvan in de literatuur van Aruba geen precedenten zijn.’ – Wim Rutgers

Jan Kees van de Werk – Gevleugeld vuur

Jan Kees van de WerkJan Kees van de Werk
gevleugeld vuur
poëzie, Nederland
Ingenaaid, 128 blz.,
€ 16,50
ISBN 90-6265-571-8
Eerste druk 2006

De nieuwe dichtbundel van Jan Kees van de Werk bestaat uit twee delen: gevleugeld vuur en woorden op de wind.
Het eerste deel verwoordt zijn directe levensomgeving, het tweede deel roept zijn Afrikaanse ervaringen op. Twee werelden die elkaar overlappen, aanvullen en in evenwicht houden, en waarin de natuur een bindend element is. De staccato vormgegeven en hoofdletterloze gedichten worden voor de lezer een vloeiend verhaal waaraan hij zijn eigen interpunctie kan geven. “Een kunstenaar maakt slechts de helft van zijn kunstwerk.”

Wat over zijn eerder verschenen poëzie geschreven is geldt evenzeer voor gevleugeld vuur:

“Bij Jan Kees van de Werk is de verbeelding aan de macht. Met de verwondering van een kind en het inzicht van een volwassene zuigt hij indrukken op, met de kracht van het woord verbeeldt hij zijn ervaringen, ontmoetingen, gevoelens.” – Amersfoortse Courant

“Hij neemt de tijd om betekenis toe te kennen aan de bewegingen in het zand, aan het onzekere licht van een nieuwe dag op de horizon, (…), aan de schaduwen van het leven die over de gezichten van de mensen trekken.” – Breyten Breytenbach

“Geurende poëzie van de enige Nederlandse griot.” – de Volkskrant

Jan Kees van de Werk is ‘de peetvader’ van de Afrikaanse literatuur in Nederlandse vertaling. Hij startte in 1978 de Afrikaanse Bibliotheek waarin in 20 jaar 50 delen zijn verschenen en maakte zo de literatuur uit Afrika bekend in Nederland en België. Voor zijn journalistieke werk over Afrika en voor de Afrikaanse literatuur werd hij meermalen bekroond zowel in Nederland (Dick Scherpenzeelprijs, 1992) als in Afrika (o.a. APNET Award for Support to African Publishing, 2002). Als dichter werd hem in 2002 de Imbongi Yesizwe Poetry International Award toegekend.

De pers over Gevleugeld vuur«Bij deze dichter speelt de natuur een allesoverheersende rol. Het is de natuur van wandelen en vondsten oprapen, van ruiken, horen, voelen en proeven. De dichter roept, via indringende impressies, kleine herinneringen op aan zijn gezin, maar ook aan de sfeer van vroeger: de bewonderde, nu dementerende moeder die zo mooi piano speelde. In het tweede deel verplaatst het decor zich, bijna ongemerkt, naar het Afrikaanse landschap: het is dezelfde manier van kijken, nu naar een kleurrijker flora en fauna en met meer tromgeroffel. Daartussendoor poogt hij de vreemde cultuur te doorgronden. De vorm is liedjesachtig: korte regels, weing lidwoorden, maar wel veel alliteratie en assonantie. De intieme natuurimpressies van deze reiziger, Afrikakenner en dichter lijken door hun vorm en zangerigheid meer geschikt om te beluisteren dan om te lezen.» – Els van Geene NBD/Biblion

Jan Kees van de Werk: dichter, reiziger, waarnemer

«Jan Kees van de Werk is dichter, reiziger, waarnemer. In een vroeger leven was hij uitgever van de Afrikaanse Bibliotheek en vurig pleitbezorger voor een paar van de meest verrassende schrijvers die het continent heeft voorgebracht: veel te vroeg overleden kunstenaars als Sony Labou Tansi uit Congo en Yvonne Vera uit Zimbabwe; of Werewere Liking die in Ivoorkust werkt. Mensen die op hun eigen manier de taal naar hun hand hebben gezet.
Poëzie is een geconcentreerde vorm van de taal naar je hand zetten en Jan Kees van de Werk doet dat op een heel eigenzinnige manier. Hij stript de taal. Geen hoofdletters, punten of komma’s. Vaak niet meer dan één enkel woord op een dichtregel. Schaars gebruik van bijvoeglijke naamwoorden waar anderen zo vaak en zo kwistig mee strooien.
Als je zijn nieuwste bundel – Gevleugeld vuur – opendoet loop je dus geen overdadig geornamenteerde kathedraal binnen. Eerder bevind je je in een eenvoudige witgeschilderde dorpskerk, waar geen beeldenstorm woedt die je naar adem doet happen.
Toch is er veel te zien. Hollandse landschappen in het eerste deel van de bundel: de bossen in de buurt van het huis van de dichter, de hemel
erboven, reigers, vee en grijze regen. De Afrikaanse landschappen in het tweede deel zetten je in de schroeiende woestijnzon. Ook daar heerst de
hemel, lopen olifanten en kamelen over de pagina’s. Die landschappen worden ook bevolkt. In Afrika trekken de vrouwen de aandacht. Van de Werk beschrijft ze met een combinatie van verrukking en bewondering, zoals de zinnelijke godinnen op het eiland Gorée voor de kust van Senegal. Daar gaan ze, in “sirenen van goree”, bevrijd van de loden herinnering aan de slavernij, waar het eiland ooit de (Hollandse!) draaischijf van was. In Nederland staat zijn eigen familie meer op de voorgrond, vooral zijn dochters die hij liefdevol portretteert.

En de dichter zelf? Hij gaat, hij valt, hij krijgt een doorn in zijn voet ergens in een droge bijna-woestijn. En thuis wordt hij beslopen door een vuile ziekte, die hij verbeeldt in “menière”, een huiveringwekkende ervaring die alleen beëindigd wordt door de geruststellende aanwezigheid van één van zijn dochters.
‘geen visa/nodig/voor stilte/en geluiden’ begint het Afrika-deel van de bundel ferm. De dichter verlaat Nederland, trekt door delen van Afrika, maakt daar prachtige reisverslagen van (ze heten “de karavaan van de verbeelding” en “kaurischelpen en kamelen”) en sleept zijn eigen taal, het Nederlands met zich mee. Zo kan het zelfs gebeuren dat een groep toehoorders ergens in een dorp in Mali zich de regels ‘henna kleurt hand’ (uit “zandtaal”) eigen maakt en als een soort avondmantra blijft herhalen. Prachtig beschreven in “de karavaan…” Het kan best zijn dat voor sommigen de dichter teveel weglaat of te grote gedachtesprongen maakt. Dan helpt het wanneer je de Hollandse polder, de Zimbabwaanse savanne of de Sahel kent. Dan vallen de beelden goed op hun plek. Maar vaak hoeft dat helemaal niet; dan staat er gewoon wat er staat. Dat heeft te maken met het ritme dat Jan-Kees van de Werk zijn poëzie meegeeft, een metrum dat je oppakt als je de gedichten hardop leest. Het heeft ook te maken met de verassende woordwendingen. Ergens regent het ‘cirkels op de sloot’. Elders wast een meisje zich in de rivier en ‘hangt druppels in de lucht’. Denk maar eens aan het beeldgebruik van iemand als Dylan Thomas, die in Under Milkwood de nachtelijke zee beschrijft als ‘starless and bible-black’… Lees dus niet alleen de regels, lees er vooral ook naast en tussen. Daar zit je eigen verbeelding en die krijgt in gevleugeld vuur en de andere bundels van Van de Werk alle ruimte.» – Bram Posthumus (Kinshasa) in www.veritate.net/edm/viewer.jsp?m=djyN&s=l7RFC

Hugo Pos – Een uitroep zonder uitroepteken

90-6265-247-6HUGO POS
Een uitroep zonder uitroepteken

Nederland – Kwatrijnen
72 blz., paperback
€ 12,50
ISBN: 90-6265-247-6
Eerste uitgave 1987

Hugo Pos (1913) debuteerde in 1985 met de verhalenbundel Het doosje van Toeti (over zijn vroege jeugd in Paramaribo). Episodes uit zijn bewogen leven vertelde hij aan Jos de Roo in Oost en West en Nederland (1986). En zo is Pos na zijn pensionering als rechter nu plotseling schrijver geworden.
Maar schrijven voor zijn plezier heeft hij al sinds zijn studentenjaren gedaan, kwatrijnen met name, een vorm die hem op het lijf geschreven lijkt – vierregelige gedichten waarin op speelse toon de grote thema’s van de poëzie – liefde, leven en dood – aan bod komen:

Eros en Thanatos, fut, kameraad,
ze zijn de ruggengraat van mijn kwatrijnen
houd maar je dagboek bij, in grote lijnen
is gisteren even vrolijk als vandaag

Uit al die her en der gepubliceerde (in tijdschriften, als motto’s in zijn beide boeken, in de particuliere gelegenheidsuitgaven 12 Kwatrijnen en Het tweede dozijn kwatrijnen en nooit eerder gepubliceerde kwatrijnen, heeft Hugo Pos er zestig samengebracht in Een uitroep zonder uitroepteken – Een boekje om te koesteren.

Ik hijgde leven, leven, leven,
als ik naar bed moest ben ik opgebleven
tot ik erachter kwam: `La Vida breve’,
hooguit een uitroep zonder uitroepteken.

Klaas Jager – Klipgeiten

klaas jagerKlaas Jager
Klipgeiten. Gedichten

Nederland, Poëzie
Ingenaaid, 96 blz., € 14,50
ISBN 90 6265 564 5
Eerste druk 2004

Klaas Jager (Friesland, 1961) debuteerde in 2001 met Windwakken in de tijd, een dichtbundel waarin liefde voor de natuur en filosofie en fascinatie voor het mysterie tijd op subtiele en schitterende wijze in de taal tot uiting komen.

Klipgeiten, de tweede bundel van Klaas Jager, laat meer facetten van deze dichter zien. In persoonlijke herinneringen, dagboekfragmenten en existentiële beschouwingen verdicht hij het leven zoals hij dat ervaart. De alles verslindende tijd, een onnavolgbare eekhoorn in zijn takkenbos van hartslagen, is een voortdurende bron om uit te putten. Een verdwenen open plek van een voormalige kapvlakte, het wachtkamergevoel zich tussen twee werelden te bevinden, het eenkennige verlangen, ‘een luikje dat naar een kant toe opengaat’: het zijn allemaal ijkpunten van een scherpe waarnemer die niets onopgemerkt aan zich voorbij laat gaan.
Klaas Jager laveert met woorden door de wereld van kleine en grote gebeurtenissen. Hij probeert antwoord, een rustplek, te vinden voor het overschot aan vragen, soms lyrisch, soms ingehouden en bijna analytisch, maar steeds in authentieke metaforen en met oog voor het detail. Hij is het rusteloze beest dat dezelfde stenen om blijft keren tot er woorden verschijnen, zoals kleine kuddes klipgeiten tegen de witsteile wand.

Iemand moet zijn in plaats van worden, schrijft de dichter in een van zijn gedichten. Als Klaas Jager iets is, dan is het wel dichter.

Het gevecht met de tijd, vooral met aftakeling en ouderdom in het vooruitzicht, is voor Jager (1961) bijna dagwerk geworden. Uiterlijk is alles “naar wens”. Hij probeert de “dagdingen” maar over zich heen te laten komen. Maar onafwendbaar is daar het uurwerk dat geen sprookjes meer vertelt, het kortstondige van de liefde en alle andere verworvenheden. De dichter probeert dan de tijd te vertragen (het liefst zou hij “roestend op een zijspoor” willen staan) of tenminste even overtuigend als Engelse toneelspelers te “doen alsof”. De blije blik en onverwoestbare hoop van de EO-op-tv is evenmin aan hem besteed. Hij heeft alleen zijn eigen woorden, “als kleine klipgeiten tegen de witsteile wand”, om nog wat leven te veroveren. De dichter verbeeldt kortom de mens in gevecht met tijd en afbraak. Soms verliest hij zich daarbij in filosofische analyses, waar dan weer prachtmetaforen tegenoverstaan. Voor poëzieliefhebbers. – Els van Geene, Biblion

‘Windwakken in de tijd’, het debuut van Klaas Jager uit 2001, stond vooral in het teken van de natuur. In ‘Klipgeiten’ de nieuwe gedichtenbundel, laat de dichter zich van meer kanten zien. Zo komen intermenselijke relaties veelvuldig aan bod en durft Jager zijn persoonlijke gevoelens op dit gebied prijs te geven. Veel van dit nieuwe werk valt op door een grote mate van toegankelijkheid. En daarbij maakt hij gebruik van uitstekende klankritmes.
Bijzonder is de gedichtencyclus die hij over het park De Overtuin in Oranjewoud schreef. Een mooi voorbeeld van wat Jager met De Overtuin als inspiratiebron aan de muze ontworstelde is het volgende gedicht:

We zaten op het vale bankje
naast de kruidentuin, in de
walm van tijm en lavendel.

Je vroeg of ik weten wilde
hoe het met ons aflopen zou,
van a tot z, ofschoon je niet

echt in de mond durfde te
nemen wat in de schoot
van de nabije toekomst lag,

het zinloos vond om verder
dan een dag vooruit te kijken.

Dus sprak ik niet uit wat
ook jij voorzag, dus haalde

ik jou innig aan en zei dat
het nooit voorbij zou gaan.

– Heerenveense Courant, 14 juli 2004

In de fascinerende diversiteit van zijn nieuwe bundel overheerst een lichte melancholie, de stemming van iemand die de hete adem van de tijd in zijn nek voelt, zonder zwaarmoedig te raken. Het is duidelijk geen jongeling die spreekt in ‘Takkenbos van hartslagen’ (fragment): – Y. van der Molen in de Woudklank, 22 juli 2004

Want het is huiveringwekkend hoe
vliegensvlug het allemaal, als een

onnavolgbare eekhoorn in zijn takkenbos
van hartslagen, naar de allerlaatste springt.

Toch verliest Klaas Jager het heden geen moment uit het oog. In ‘Hars’,
ontstaan op een terras in Gorredijk waar hij graag zit (fragment):

Het water tegenover het terras
bij de Vergulde Turf ligt al in de
schaduw van de brug en de brug al
in die van de hoge winkelpanden.

De herfst is ophanden, ligt gereed
voor de kust om op te stomen, maar
vandaag kleeft de zomer nog als
hars aan de jonge vrouwen vast.

Hoewel natuurelementen een belangrijke inspiratiebron voor hem zijn, wil Jager beslist niet als ‘natuurdichter’ door het leven, het gaat hem nu vooral om mensen. Als hij enkele liefdesgedichten plaatst in een decor van een oud park (de Overtuin) is daar meteen weer het element tijd: hij houdt van oude parken vanwege hun geordende natuur die gaandeweg is overwoekerd. Toch is er geen sprake van echte wanorde: net als verzen die het pad effenen door een chaos van woorden. En zo geeft het schrijven van poëzie, het oproepen van een onzichtbare maar duidelijk waarneembare wereld, structuur aan het leven. Die samenhang is terug te vinden in zijn werk, dat opvalt door zuiverheid. Nergens dendert vals pathos over de pagina’s.

Het gaat over vertraging, verstilling, het gaat over kleine ogenblikken, zo klein dat je een microscoop nodig hebt om ze te zien. Maar in het bos dat Klipgeiten is kun je ze met het blote oog zien en wees Klaas Jager daar eeuwig dankbaar voor. – Tim Donker in De Recensent, 06-09-2004

‘Klipgeiten’ is de tweede gedichtenbundel van Klaas Jager. Goed aansprekende poëzie met oog voor details en dat vanuit een persoonlijke benadering, waardoor de afstand wel eens kleiner is dan je als lezer zou willen. – Het Nederlandse Boek, november 2004

John Leefmans – Retro. Gedichten

John LeefmansJohn Leefmans
Retro. Gedichten

Suriname, Poëzie
Ingenaaid, 104 blz., 15,75
ISBN 90 6265 498 3
Eerste druk 2001

John Leefmans (Suriname, 1933) verliet op 15-jarige leeftijd Suriname. Maakte carrière als diplomaat en woont pas sinds 1995 weer definitief in Nederland. Hij is secretaris van het Surinaamse Forum, voorzitter van de stichting Surinaams Muziek Collectief en lid van de redactieraad van OSO, tijdschrift van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek. Hij was met onder andere Pim de la Parra, Rudi Kross en Ronald Venetiaan redacteur van/publicist in het Surinaamse tijdschrift Mamjo, en mede-oprichter van het toentertijd in Leiden geruchtmakende (anti)-literaire blad Kat t-t kaf. Bij Radio Nederland had hij eind jaren vijftig een wekelijkse rubriek Fa un tan.
In 1981 verscheen zijn eerste dichtbundel Intro onder het pseudoniem Jo Löffel. Retro, nu onder zijn eigen naam, beschouwt hij als zijn tweede bundel. Hij nam in 2000 deel aan Poetry International en vertaalde poëzie van onder meer Jules Deelder in het Sranan.

De pers over Retro
“Sisyphus hak ik dagelijks hier rust / vlecht kransen ongevraagd onbesteld / in ’t grauwe vlak, codes voor archeologen / en dagelijks de dullen moor / de muur bestormend met zijn hoofd / maar alle stenen blijven boven / gereserveerd voor de donder” (uit ‘Nocturne’).

De bundel zelf wil ik kort en krachtig samenvatten onder het motto ‘Genieten voor erudieten’. De gedichten van Leefmans voeren de lezer mee naar verre landen, Tantalus wisselt even snel met Xenophoon als Angelen plaatsmaken voor Saksen. De gedichten stomen verder en gunnen je geen enkele moment rust.

“Hier zijn we dan, mijn vrouw en ik / net levend, een werk van Westerik / Wij praten vol wijsheid met elkaar / en worden wat ouder met het jaar / Soms vliegen we uit, uit de duiventil / maar keren terug, als de melker het wil” (uit ‘Ecce’).» – geciteerd uit Yves Joris in Meander 196

Klaas Jager – Windwakken in de tijd

Klaas JagerKlaas Jager
Windwakken in de tijd. Gedichten

Nederland, Poëzie
Ingenaaid, 80 blz., 13,50
ISBN 90 6265 528 9
Eerste druk 2001

Een jeugd in het bos en open veenweidegebied van Oranjewoud en het Lage Midden vlakbij Heerenveen brengt Klaas Jager, (Luinjeberd, 1961) dichter tot zichzelf. Hij ontwikkelt een grote passie voor de natuur en gaat in dialoog met zijn omgeving, waarin het dode en het levende bij waarneming tot leven komen en als het ware een bewustzijn krijgen: alles verkeert in zijn eigen tijd en heeft zijn eigen beleving. Zijn professie als veldbioloog, specifiek gericht op vogelonderzoek, zorgt voor de kennis en ervaringen die de voedingsbodem vormen voor zijn poëzie. Tijdens het langdurige verblijf in de natuur denkt hij in sterk naar de tijd verwijzende metaforen na over het leven, de dood en het dichten.

Zijn passie voor de natuur heeft hij goed binnen een breed kader weten te verwoorden met een eigen invulling die zijn waarnemingen uit hun beperktheid tillen. (Het Nederlandse boek). Met zijn poëzie is iets bijzonders aan de hand: die is namelijk behoorlijk goed. (VPRO, Anton de Goede). Natuurliefde wordt in de stapel recente bundels het meest overtuigend in beeld gebracht met Windwakken in de tijd. Door neologismen en vakjargon (bijvoorbeeld woordledig, uitvlieggat en zondagmorgenik) plus typografische wendingen en een niet aflatende soms bezwerende toon weet hij een origineel ervaringsveld te scheppen. Onverwachte sprongen van de ene werkelijkheid in de andere kom je niet vaak tegen bij een debutant. (Haagsche Courant)

De pers over Windwakken in de tijd
«Zijn professie als veldbioloog, specifiek gericht op vogelonderzoek, zorgt voor de kennis en ervaringen die de voedingsbodem vormen voor zijn poëie, lees ik op de achterflap. Hij ontwikkelt een grote passie voor de natuur en gaat in dialoog met zijn omgeving, waarin het dode en het levende bij waarneming tot leven komen en als het ware een bewustzijn krijgen. De dichtbundel bestaat uit een grillig samengaan van verschillende dichtvormen: een eigen geschapen natuur die doorheen de pagina’s woekert en zich niet laat temmen door vaste vormen.
Een fragment als “Woord, ternauwernood / geschreven, dun / drijvend kroos over / het oppervlak, door / een zwakke bries / uiteengedreven / zo goed als los / van waar het was / in het niet te zeggen / niets vooraf.” (uit ‘WOORDEN’) staat in schril contrast met de voortwoekerende woordenstroom in ‘Contact’: “Ook vandaag weer, een hand van het licht / Zoekt en betast de dingen / In de kamer, // Veert op tegen de muur, rekt zich uit.”

Bij momenten krijgt men de indruk de natuurdichter Alberto Caeiro (een alter ego van F. Pessoa) aan het woord te horen:

Pessoa: “(…) ik zag dat er geen Natuur is, / dat Natuur niet bestaat, / Dat er bergen zijn, valleien, vlakten, / Dat er bomen zijn, bloemen en grassen, / dat er stenen zijn, rivieren, / Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort, / dat een ware, werkelijke samenhang / een ziekte van ons denken is”

Klaas Jager: “in de hartslag / van de tijd, het / peristaltische ogenblik // brekend op de rand / van een volgend weer / uiteen tot een ander” (uit ‘Denken dat het waar kan zijn).

Dit is geen dichtbundel die je even op een rustige namiddag doorleest, tenzij je een groot deel van de woordenkracht niet wilt proeven. Elke keer weer wordt de aandacht van de lezer getrokken naar nieuwe details in de tekst. Gelukkig wisselen hermetische teksten af met lichtvoetige natuurobservaties, want wie de ganse tijd door het dichte struikgewas moet wringen, dreigt immers al snel het geheel van de natuur uit het oog te verliezen.» – Yves Joris in Meander 196

Carel de Haseth – Zolang er kusten zijn. Gedichten

Carel de HasethCAREL DE HASETH
Zolang er kusten zijn

Curaçao, Gedichten
Ingenaaid, 40 blz. 12,50
ISBN 90-6265-524-6
Eerste druk 2001

langs de zoom van de zee
zullen wij hem ongetwijfeld vinden
mensen van onbekende streken
langs kusten van goud, ivoor of slaven
of al was het maar in simpele hutten
aan de monding van een modderrivier
of op overigens nutteloze eilanden

mensen zullen wij zeker vinden
zolang er kusten zijn
waar vis uit het water spoelt
waar schepen komen

en waar wij mensen treffen
zullen wij met hen spreken
in taal, gebaar of daad
: van mens tot mens

Carel de Haseth (Curaçao, 1950 debuteerde in 1969 met de dichtbundel 2 dagen vóór Eva. Hij schrijf zowel in het Papiaments als in het Nederlands. Zolang er kusten zijn is zijn vijfde (en tweede geheel Nederlandstalige) bundel. Over Bida na koló/Kleuren van Leven (1981) schreef Jos de Roo in Trouw: ‘onafhankelijkheidspoëzie van hoog gehalte.’
Voor zijn prozadebuut Katibu di Shon ontving De Haseth in 1989 de Cola Debotprijs van het Eilandgebied Curaçao.