«Pleidooi voor een natuurkunde waarin plaats is voor zoiets als ‘geest’.»

Opmaak 1Meine Fernhout over ‘De blinde kamer’ in een interview in Amphora (jrg. xxxv, nr. 4), december 2016:
(…) Teylers Museum was het eerste museum in ons land. Doordat het niet meedoet aan hypes, is het hierdoor ook een ‘museum van het museumwezen’ geworden. (…) Er was, in een en dezelfde oogopslag, natuurwetenschap en er was een gevoel voor geschiedenis. (…) Of ik een conflict heb gezocht, dat bij dit museum past, of andersom, dat is moeilijk te zeggen. (…) Hoofdpersoon Rick Alting von Geusau is opgegroeid in merkwaardige omstandigheden, nogal alleen en hij was voornamelijk te vinden in de zogeheten blinde kamer van een villa aan zee. Hij las zich daar drie keer in de rondte. Wat hij las, voerde hem mee; het ging hem soms boven de pet, maar hij kon er niet vanaf blijven. (…) De kiem voor wat later een aversie tegen de hoogmoed van de materialisten wordt, is dan gelegd. Veel van wat hij later meemaakt, is te beschouwen als een aanloop tot een pleidooi voor een natuurkunde waarin plaats is voor zoiets als ‘geest’. (…) Hij stelt zelfs het plan voor om een tentoonstelling te maken over de contacten tussen de natuurkundige Pauli en de psychiater Jung. Die twee kenden elkaar goed. Materie en geest: er zou een stippellijn tussen beiden lopen, en geen streep. Zijn voorstel wordt doodgezwegen. (…) Als het lichaam van de vrouw die ‘het licht heeft stilgezet’, in het Spaarne gevonden wordt, is Rick Alting von Geusau de meest voor de hand liggende verdachte. Op dat moment bevindt hij zich in Noorwegen – niet op de vlucht, maar op zoek naar stilte. Hij belandt in de cel en schrijft op wat er naar zijn idee toe doet. (…)
Lees hier het interview in Amphora, kwartaalblad van de vereniging Vrienden van het Gymnasium
Meer over ‘De blinde kamer’

«Sterk debuut met doorwrochte ideeën-roman.» – André Oyen

Opmaak 1Over ‘De blinde kamer’ van Meine Fernhout op Ansiel, 5 mei 2016:
Rick Alting von Geusau (…) is de vrucht is van een eenmalig avontuurtje en heeft zijn vader nooit gekend. Met zijn moeder woonde hij in een apart huis met een blinde kamer (de bibliotheekkamer van zijn grootvader) waarin hij alle opgeslagen kennis, vooral filosofisch en natuurkundig, tot zich nam. Over zijn studie, bijbaan als taxichauffeur en baan in het Teylers Museum wordt geschreven én over zijn pogingen het licht te begrijpen en ook over de vrouwen in erotische zin zet hij een stevige boom op. De roman is een mooi en intelligent boek dat op een heel geraffineerde manier het bewustwordingsproces van de hoofdpersoon toont. De auteur is een uiterst bekwaam stilist en hanteert een prachtige taal die zowel filosofisch, beeldend als poëtisch is.
Lees hier en hier de recensie
Meer over ‘De blinde kamer’

«Roman van het dualisme die zeker de moeite loont. » – Jos Radstake

Opmaak 1Over ‘De blinde kamer’ van Meine Fernhout voor Biblion, 20 januari 2016:
In deze roman van Meine Fernhout (1946, ooit gitarist bij de Bintangs, museoloog, filosoof en kunstdocent) vertelt de hoofdpersoon vanuit de Koepelgevangenis zijn verhaal. Rick Alting von Geusau wordt ervan verdacht een innig bevriend natuurkundige, een vrouw die erin geslaagd zou zijn het licht stil te zetten, te hebben vermoord. Vanuit de gevangenis vertelt hij over wat hem in zijn leven is overkomen. Een bepalende jeugd – zonder vader, maar met een bijzondere moeder – in Bergen aan Zee, in een apart huis met een blinde kamer (de bibliotheekkamer van zijn grootvader, waarin hij alle kennis, vooral filosofisch en natuurkundig, tot zich nam) belicht hij. Over zijn studie, bijbaan als taxichauffeur en baan in het Teylers Museum wordt geschreven en over zijn pogingen het licht te begrijpen. De roman is een boek van het dualisme: wetenschap tegenover mystiek; rationalisme versus romantiek; materie versus geest; materialisme versus geborgenheid. De roman, met daarin veel kennis over licht-natuurkundigen, bevat heftige wetenschapskritiek. Een zware ideeënroman die zeker de moeite loont.
Meer over ‘De blinde kamer’

Cornelis Le Mair – Vanitas

Cornelis Le MairCORNELIS LE MAIR
Vanitas

Nederland
roman
gebrocheerd 416 blz., € 24,50
978-90-6265-526-7
eerste druk 2002
rechtstreeks bij uitgever

Cornelis Le Mair (Eindhoven, 1944) studeerde op 24-jarige leeftijd cum laude af in portret- en figuurschilderen aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Onder de Nederlandse realisten in de schilderkunst neemt Cornelis le Mair een aparte positie in. Hij werkt in de grote Europese traditie aan een oeuvre dat een buiging is naar de oude meesters.

Met zijn romandebuut Vanitas voert Le Mair de lezer in een naïef-romantische vertelstijl het leven binnen van de jonge schilder Caspar Lestrange. Terwijl de kunstenaar speurt naar schedels op een begraafplaats als attribuut voor zijn stillevens ontmoet hij door een schokkend toeval een beeldschoon meisje. Zij blijkt een ideaalbeeld in zijn streven naar het ultieme portret van de vrouwelijke schoonheid.

Na zijn vertrek naar een Spaans eiland kan de twijfelende held het meisje, ondanks erotische escapades niet vergeten. Terug op zijn boerderij ziet hij haar onverwacht weer. Bij nacht krijgt het avontuur temidden van grafmonumenten een dramatische ontknoping. Blijft haar betoverende verschijning nu voor hem voor goed onbereikbaar? Zijn pogingen haar op het doek te brengen stranden. Dat doet hem vluchten naar Antwerpen waar zijn optreden als troubadour eindigt in een liefdesnacht met twee vrouwen. Kunnen zij hem mogelijk helpen het verdwenen kerkhofmeisje terug te vinden?

Vanitas is behalve een picareske ook een ideeënroman, waarin de lezer kan genieten van de prachtige literaire monologen over de klassieke schilderkunst van Caspar Lestrange die getuigen van een verbazingwekkende eruditie.

De pers over Vanitas
Vanitas is een als geslaagde roman vermomd pleidooi voor schoonheid en technische vaardigheid. Uit: Standaard der Letteren (Onno Blom)

Le Mairs held heeft iets van een schelm die de wereld doorziet en overal mee wegkomt, dat maakt hem sympathiek. Uit: Leeuwarder Courant (Kees ’t Hart)

“Wat Le Mair te melden heeft is vaak zeker niet oninteressant. Verreweg het grootste aantal bladzijden wordt – hoe kan het anders – gewijd aan de schilderkunst, van verleden tot heden. Een beetje clichématig omdat het te verwachten viel, zet hij zich als nostalgisch romanticus af tegen hedendaagse opvattingen van het kunstenaarschap – ‘de terreur van de vrije expressie’ – en houdt hij een pleidooi voor het ouderwetse vakmanschap. Voor Le Mairs vakmanschap en toewijding als schilder mag men zijn pet afnemen. Hij is van werkelijk alle technische aspecten van zijn vak op de hoogte. En mensen die van zijn werkwijze het naadje van de kous willen weten moeten dit boek beslist kopen.” – Uit: Eindhovens Dagblad