Albert Hagenaars – Tropendrift

albert hagenaarsALBERT HAGENAARS
Tropendrift

Nederland / Poëzie
In het Engels vertaald door John Irons
Pap., 128 blz., 15,00
ISBN 90-6265-538-6
Eerste druk 2003

Kijk hier naar de poëzievideo van het gedicht ‘Singapore: Bugis Street’

Evenals zijn romans en vorige poëziebundels staat Tropendrift in het teken van reizen, interculturele relaties en bovenal de liefde, en wel de liefde in al haar aspecten. De bundel is het verslag van een poëtische reis door enkele landen in Zuidoost-Azië telt zeven cycli die alle gebonden zijn aan een locatie: Thailand, Maleisië & Singapore, Sumatra, Java, Bali, Singapore & Maleisië, Thailand.

Het centrale thema is het besef dat oorlog niet ophoudt bij het sluiten van vrede, dat voor verwerking van leed inzicht nodig is. Verwezen wordt naar de Tweede Wereldoorlog (o.a. de internering van Hollandse en Indische Nederlanders in Japanse kampen en de inzet van Nederlandse krijgsgevangenen aan de beruchte Birma Spoorlijn), de Politionele Acties, de coup van Soeharto in 1965 en de Vietnam-oorlog.

De compositie van respectievelijk 3-6-9-12-9-6-3 gedichten berust op de structuur van de Borobudur. Deze bekende Boeddhistische tempel, een boek met in steen uitgehouwen reliëfs ter lering en vermaak, staat in het midden van Java, dat op zich weer het geografisch centrale en belangrijkste eiland van de Indonesische archipel vormt. Indonesië wordt in de compositie van de bundel als het ware omarmd door de plaatsen die onderweg aangedaan worden door de hoofdpersonen, een ik met meereizende familie.

Van Albert Hagenaars (Bergen op Zoom, 1955) verscheen werk in Duitse, Engelse en Franse vertalingen. De Engelse vertaling Tropical Drift is van John Irons, die onder andere ook Bernlef, Claus en Komrij vertaalde.
zie ook het blogspot over Tropendrift

De pers over Tropendrift
‘Stilistisch vertoont Albert Hagenaars een opvallende voorkeur voor het kwatrijn. Zijn beeldspraak getuigt van een sterk poëische trefkracht.’ – Poëziekrant.

‘Waar Hagenaars ook over schrijft, of het nu gaat over het leven in grote Europese steden of over de vervreemding van het eigen verleden, telkens onthult zich een onvermoeibaar streven naar (her)formulering van de dichterlijke plaatsbepaling. En laat ik het onomwonden zeggen: Albert Hagenaars weet waar hij het over heeft, kent de wetten van het vers en laat zich niet verleiden tot klakkeloze opname in de oneigenlijke verzuiling van onze dichtersbent.’ – Vrij Nederland.

‘Het verwerken van sterk symbolisch geladen motieven en de ongewone, koele, soms zelfs sinistere beeldspraak verlenen de toon van deze poëzie iets obsessioneels en vaak iets intrigerends.’ – Prisma Lectuurvoorziening.

‘Taalstructuren die hun spanning ontlenen aan een geheimzinnige, moeilijk ontleedbare uitstraling. Taalbouwsels waarin als het ware het artistieke temperament van de dichter rechtstreeks werd neergeslagen. Dit neerslaan en uitstralen levert dan een poëzie op die niet in proza kan worden omschreven, maar wel sterk is en fascineert. Raadselachtig, verre van makkelijk, markant en mooi.’ – Brabantia.

‘IJle taalschetsen die intrigeren door hun opzettelijk tekort. De vorm is ook voor Hagenaars niet een vanzelfsprekend iets, maar een ding van buiten waarbij weerstand noodzakelijk is.’ – Haarlems Dagblad.

«De dichter onderneemt in diverse gedaanten zijn tocht door Zuid-Azië. Hij verplaatst zich in ouders en kinderen, soldaten en geliefden. Ook schrijft hij over de speciale band tussen moeders en zonen en die tussen vaders en dochters en het dwangmatige aspect daarvan. In de relatie van de ik met zijn oosterse geliefde is er sprake van een synthese. Het gaat dus om verplaatsingen in de meest ruime zin. Hij reist door de geografische ruimte. De tijd omvat behalve de duur van de reis ook het verleden, tijd vóór zijn geboorte. Daarbij verplaatst hij zich in mensen die hij leert kennen of hoort en leest in verhalen. Albert Hagenaars past dit toe op een niet-expliciete manier die intrigeert. Hij houdt het geheim in deze zeer consistente cyclus gevangen.
De levens van ouders hebben hun directe neerslag op die van de kinderen. En wij allen zijn indirect verbonden met de vele, vele mensen, die door de grote gebeurtenissen in de geschiedenis werden en worden getroffen. Steeds worden ook verhalen uit die geschiedenis herschreven, vervalst of verzwegen. Formules die de wereld willen verklaren, geven geen verklaring voor het leed. Sterk in deze poëzie is dat Hagenaars geregeld de fictieve gedaante benadrukt van de opgevoerde personages. Gelijk de ik een literair personage is. Zij zijn de uitkomsten van feiten, voorstellingen en vervalsingen. Dat maakte hen nog tragischer. Het ware kan niet worden achterhaald.» – Yvonne Né in BN/De Stem

«Zo blijkt de reis een tocht naar binnen. Naar het eigen leven, naar de eigen relaties, naar eigen emoties, inzichten, herinneringen en eerlijkheid. En daarmee is het niet altijd even goed gesteld. Verraad, onbespreekbare familiegeheimen, ontucht en landverhuizers op een zondige weg naar een volgende toekomst, dat zijn de betekenissen en associaties die deze goed geconstrueerde regels projecteren tegen het achterdoek van een exotisch en woelig verleden. Oorlog en geweld zijn de themas waar het in deze bundel om draait. De Jappenkampen, de Birmaspoorlijn, ook de oorlog in Vietnam en de coup van Suharto, maar al deze voorbeelden uit de menselijke geschiedenis worden niet uitsluitend aangehaald om te bewijzen hoe slecht het met de vooruitgang is gesteld. Ze bewijzen dat vrede geen zaken van staten is maar van mensen die tot inzicht zijn gekomen. Die geleden hebben en dat grote en het kleine persoonlijke leed verwerkt hebben.
Hagenaars wil met deze knappe gedichten ook internationaal erkenning afdwingen. Daarom is de bundel tweetalig, links steeds de fraaie Engelse vertaling door John Irons, rechts daaropvolgend het oorspronkelijke Nederlands.» – Camiel Hamans in Brabant Cultureel

«De bundel Tropendrift vormt de neerslag van een bedevaart door Zuid-Oost Azië en de Gordel van Smaragd. De tocht staat symbool voor de menselijke speurtocht naar harmonie. In de Borobudur, het boeddhistische heiligdom op het Indonesische eiland Java, vond Hagenaars een blauwdruk voor de structuur van Tropendrift. Bij de Borobudur passeer je al die reliëfs, vergelijkbaar met onze reliëfs, die op de computer staan. Maar op het hoogste punt, bij de bovenste stoepa, vind je niets, dat wil zeggen: geen godheid die aanbeden wordt. Tenslotte draait het om je eigen inzicht.» – Nick J. Swart in Brabants Dagblad

«In deze tweetalige dichtbundel (Nederlands en Engels) beantwoorden de tropen allang niet meer aan jongensachtige dromen van palmen, tempels en aapjes. Glas, staal en razend verkeer contrasteren met loerende ogen in het struikgewas, oosterse trots verzet zich tegen westerse hoogmoed. Vooral in het huidige Indonesië speelt het verleden van lang verzwegen familiegeheimen mee. Vaak wordt dat gesymboliseerd in de figuur van de vader: angstwekkend geniformeerd of met lieve kampogen. Op de Borobudur kan de wijsheid van de Boeddha de realiteit van afval en stank nauwelijks verhullen. Wat sterk overkomt, is de sfeer van dreiging en angst. Een verrassende bundel.» – Els van Geene voor Biblion (Nederlandse Bibliotheek Dienst)

«Bij Albert Hagenaars is het trouwens sowieso onduidelijk of hij het wel over zijn huidige zelf heeft, want hij torst immers meerdere zielen in de borst, getuige in mijn hoofd, waar de mannen die ik ben denken te slapen (uit De tempel van de poëzie I). Intrigerend is de vervlechting van heden en verleden, een procédé dat Hagenaars geregeld pakkend toepast. Albert Hagenaars staat ook garant voor beklijvende beelden als: Het meer te diep voor de zon. Jij voor mij en Ik was een jonge man en bevocht het niet en Toen ik vroeg naar vroeger en Het lemmet trilt na in de stam. Jij in mij en vooral het onvergetelijke het kwaad dat over de rand van de doopvont komt. De bundel is zo hecht gecomponeerd dat de gedichten amper op zich gelezen kunnen worden. Dat geeft het geheel een verhalend karakter. Je zou deze bundel kunnen lezen als een poëtisch reisverslag.» – Bert Bevers in Stroom (nr. 12, maart 2004)

E. de Haan – Ik belde mijn muze. Gedichten

ezra de haanE. DE HAAN
Ik belde mijn muze. Gedichten

Nederland / Poëzie
Paperback, 64 blz., 12,50
ISBN 90 6265 559 5
Alleen nog rechtstreeks te bestellen bij de uitgever

Het pogen intense gevoelens, het ‘woordloze’, te vatten in woorden is de essentie van Ezra de Haans poëziedebuut Ik belde mijn muze. Het gewoel en het gevecht in de menselijke geest krijgen hier een beeldende dimensie.

Relaties laten soms littekens na, maar telkens is er een zalving, die mooie taal waaraan een mens zich kan optrekken, de herinnering dat het mooi was, en het verlangen dat gekoesterd kan blijven. De Haans poëzie is niet beschrijvend of verklarend, maar laat plaats voor interpretatie.

Tegelijk is het plezier van de dichter om het spelen met de taal van de gedichten af te lezen. Het spelen is echter geen doel op zich, het heeft een functie: de melodieën en alliteraties zorgen voor sfeer; prachtige woordassociaties roepen beelden op en zetten vraagtekens die nopen tot herlezen. In die zin is deze poëzie verleidend: een minnaar die met mondjesmaat verleidt, die niet alles in een keer prijsgeeft, die indrukken achterlaat ter overdenking en die doet verlangen naar meer.

Eerder verschenen van E. de Haan (1957) in 1996 de vertelling Vonk (‘Een uiterst boeiend geschreven debuutnovelle over de eind dertiger Vonk die in een wat vroege midlife crisis geraakt,’ Biblion) en in 1999 de korte roman Kermis in de hel over één dag uit het leven van een boekhandelaar: ‘Deze dinsdag stapelen de ergernissen zich op tot een catastrofale climax. Ezra de Haan weet de beklemmende sfeer goed te vatten. Met het dichtslaan van het boek heb je het idee dat het allemaal nog wat langer had mogen duren.’ – Boom Pers

De pers over Ik belde mijn muze
«De nieuwe ontwikkeling in de poëzie wordt gekenmerkt door een breedsprakige zegging; een beroep op de straattaal met al haar trendy
uitdrukkingen; een lichamelijk gebonden beeldspraak; en een haast vanzelfsprekende aandacht voor het snijpunt van enerzijds de volslanke dagelijkse realiteit en anderzijds het intieme, soms intiemste domein.
Grootste gemene deler is het plezier waarmee het materiaal taal onder handen wordt genomen. Over de ruggen van de stromingen van de laatste veertig jaar heen doet het werk van de dichters Ezra de Haan, Tjitske Jansen en Mustafa Stitou denken aan dat van de Vijftigers, de gematigde vleugel om precies te zijn, zonder evenwel daardoor duidelijk beïnvloed te zijn.

Ezra de Haan (1957), die pas in 1996 debuteerde, is een interessante exponent van bedoelde groep. Eén van zijn beginregels, Ik zal woorden voor je kneden, heeft programmatische kracht. In Ik belde mijn muze is zijn taal weliswaar kariger dan dat van de meeste anderen, maar door zijn tekstuele koprollen en hinkstapsprongen krijgen de gedichten een veel grotere interactie dan je op basis van het aantal woorden zou vermoeden. De Haan is op z’n best als hij de lezer van regel tot regel bijstuurt, en even zo vaak weet te verrassen: Geen hond zit als een mens / En toch zit ze zo: / Een als mens vermomde hond / Zoals de wolf in ons / Maar dan zonder schaapskleren. Beide betekenismogelijkheden in de slotregel hebben geldigheid. De hond komt als motief overigens op veel plaatsen terug in het boek, soms in komische combinaties: De luim van God komt mij voor / Als de muil van een dog: fel, vol lef / Dat wel. Melk alles uit, maar sta klem / Ik snak naar een kans, ratel over later / Maar leed valt mij ten deel. De in de Nederlandse poëzie weinig populaire palindromen kunnen hun geluk niet op met De Haan!» – Haagsche Courant, 2004

Meer over E. de Haan bij In de Knipscheer

Chawwa Wijnberg – Echo van de roos

chawwa wijnbergCHAWWA WIJNBERG
Echo van de roos

Nederlands / Poëzie
Ingenaaid, 80 blz. 13,50
ISBN 90-6265-552-1
Eerste druk 2003

De verhuizing van Chawwa Wijnberg enkele jaren geleden van Midden-Nederland naar Zeeland lijkt een nieuwe ontwikkeling in haar werk te hebben losgemaakt. Waar haar blik eerst vooral naarbinnen was gericht – naar haar leven, haar verleden en de sporen daarvan in haar omgeving – richt die zich nu met Echo van de roos naar buiten, op Zeeland. En als een kind ziet ze de schoonheid van het alledaagse, de rust van de stad waar ze de stadsdichter van mag zijn: Middelburg. Chawwa Wijnberg toont doorkijkjes, frietkotten, grachten en parken. Oude pijn lijkt draagbaar door de vreugde die ze in Zeeland mag beleven.

Chawwa zou Chawwa niet zijn als ze niet kritisch om zich heen bleef kijken: ze volgt de wereld en reageert op dat wat er gebeurt. En zo wisselen liefdesliedjes en stadsoden elkaar af maar is er ook ruimte voor de elfde september, de wandelende jood of het eigen ego. Deze zo van elkaar verschillende onderwerpen vormen een eenheid in Echo van de roos waarmee Chawwa Wijnberg door het precies gekozen detail, de liefde voor het kleine aandacht geeft aan datgene waaraan anderen voorbijgaan.

Chawwa Wijnberg (1942) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij was als joods kind een onderduikkind. Haar vader zat in het verzet en werd in de oorlog door de Duitsers gefusilleerd.
Zij debuteerde in 1989 met Aan mij is niets te zien. “Het niet-doordeweekse debuut van een authentiek dichteres” (Standaard der Letteren). In 1993 verscheen Handboek voor de joodse kat, waarover Poëziekrant schreef: “Een van de opmerkelijke dichteressen uit de Nieuwe Wilden. Deze bundel bevestigt haar talent. Kenmerkend voor haar poëzie zijn de weerbaarheid en de humor.”
In haar derde bundel Matses en monsters (2001) vindt Wijnberg de woorden om te beschrijven wat overlevenden van de holocaust nog dagelijks ervaren. “Zang en dans dus, tot op de laatste bladzijde. De poëzie van Chawwa Wijnberg is onontkoombaar uitnodigend. Wie haar leest gaat met haar mee op reis” (Paul Gellings).

Begin dit jaar werd Chawwa Wijnberg voor 2003 benoemd tot stadsdichter van Middelburg. Als dichter trad zij inmiddels vijf keer op in de Nacht van de Poëzie.

De pers over Echo van de roos
“CHAWWA WIJNBERG is van 1942. Voor de meeste mensen een jaar als zoveel andere, maar niet voor haar, voor het meisje dat alleen als onderduikster de oorlog kon overleven. Zestig jaar later is het nog altijd 1942. Haar geheugen zorgt dat het vandaag gewoon gisteren is. Nooit, nooit gaat de oorlog meer over. Van die obsessie getuigt ze in haar poëzie in Echo van de roos. Dit is Chawwa Wijnberg op haar best, in meer dan één opzicht herinnert ze aan Judith Herzberg. Woorden ter bezwering. Woorden om met het verleden in het reine te komen. Woorden die een beklemmend beroep op de lezer doen: ‘De echo van de roos/wandelt als de jood voorbij/was ze er ooit/en waar was jij.'” – uit: Provinciale Zeeuwse Courant

“Een ware taalkunstenares is Chawwa Wijnberg. Je ziet haar in sneltreinvaart, van bundel tot bundel, veranderen en zichzelf onverwisselbaar trouw blijven. Hier ligt de nadruk op het luchtige en het exotische. Toch is het niet allemaal zo lieflijk als het wellicht bij eerste lezing lijkt. Want wie Echo van de roos leest, moet er rekening mee houden dat doornen ook hun echo hebben en dat deze poëzie ontegenzeglijk bijtende kanten heeft. Zoals tederheid en een donkere humor elkaar afwisselen, zo wisselen ook het rijm en het vrije vers elkaar af, wat niet betekent dat wat niet rijmt niet zingt. Er zijn zelfs gedichten waarin het metrum de suggestie van rijm wekt en daarin schuilt het hart van de poëtica van Chawwa Wijnberg: zingende taal. Hier is iemand aan het woord die zonder zelfherhaling steeds authentieker wordt en daarvan steeds meer laat zien in gedichten die geen moment vervelen.” – uit: Paul Gellings in NIW

Nicolás Guillèn – Hebben en houden

nicolas guillenNICOLAS GUILLEN
Hebben en houden
Cuba / Poëzie
Vertaling: Stefaan van den Bremt
Ingenaaid, 136 blz., 20 x 14,5 cm, 17,95
ISBN 90-6265-539-4
Eerste druk 2003

In 2002 was het honderd jaar geleden dat de in 1989 overleden beroemde Cubaanse dichter NICOLAS GUILLEN werd geboren. Met zijn generatiegenoten Pablo Neruda en César Vallejo behoort hij tot de grote dichters van Spaanstalig Amerika. Met Hebben en houden verschijnt voor het eerst in Nederlandse vertaling een uitgebreide selectie uit een tiental poëziebundels van Nicolás Guillèn. Stefaan van den Bremt voegde een Nawoord toe over dé nationale dichter van Cuba en zijn dichterschap.

Nicolás Guillèn, zelf zoon van een mulat, legde de grondslag voor een Afro-Cubaanse poëzie en brak daarmee met de tot dan bestaande aan Europa schatplichtige poëzie. De Cubaanse volksmuziek, waarin tradities uit West-Afrika en Spanje elkaar gevonden hebben, werd zijn inspirerend voorbeeld. Nu de Cubaanse son in het Westen weer volop in de belangstelling is komen te staan, kan het niet anders of juist deze dichter moest mee herontdekt worden!

Lof van Cees Nooteboom: ‘Nicolás Guillèn is niet alleen de grootste Cubaanse dichter, hij is ook één van de boeiendste, muzikaalste en meest bewogen dichters van het Spaanse taalgebied, waarin hij een aantal totaal nieuwe elementen bracht, nieuwe klanken, woorden en ritmes uit zijn Afrikaanse erfenis.’

Hebben en houden is samengesteld en vertaald door STEFAAN VAN DEN BREMT, bekroond met de Belgische nationale prijs voor literaire vertalingen.

De pers over Hebben en houden
“Hoewel sommige gedichten van Guillèn uitgesproken politiek zijn, vond hij zichzelf in de eerste plaats een dichter met een melancholische inborst. Stefaan van den Bremt heeft Guillèns gedichten zo mooi en soepel vertaald dat ook de Nederlandstalige lezer zal aanvoelen dat hij een onvervangbare plaats inneemt in het Latijns-Amerikaans poëtisch panorama.” – Guy Posson in Standaard der Letteren

F. Starik – Simpele Ziel met CD

F. StarikF. STARIK
Simpele Ziel

Nederlands Poëzie
Paperback, 120 blz., CD 42 minuten, 17,90
Eerste druk 2002
90-6265-531-9

In Simpele Ziel stelt F. STARIK genadeloos en humorvol als altijd zijn vragen naar houding en identiteit: hoe moet ik leven en wie ben ik? Hij zoekt zijn antwoorden in de bedrieglijke eenvoud van het alledaagse. Simpele Ziel bevat toegankelijke gedichten, die laten zien dat zelfs de meest onbeduidende zaken nooit zonder samenhang of betekenis kunnen, nee, mógen zijn.
Op de cd Simpele Ziel zingt F. Starik twaalf gedichten uit de bundel, op muziek van Cor Vos en Von der Möhlen Geluidswerken. Op de cd staan klassieke chansons, liederen met orkestbegeleiding en loungenummers. In het titelnummer wordt F. Starik bijgestaan door het vijftigkoppig Voerendaals Mannenkoor.

De pers over Simpele Ziel
Starik is een beeldend kunstenaar en ‘performing poet’ die onlangs het prachtige Simpele Ziel uitbracht, een van de zeldzame geslaagde voorbeelden van poëzie die op muziek is gezet omdatje aan alles merkt dat Starik beide genres beheerst. Een must. Maria Barnas in VPRO-gids

F. StarikHier is de bundel die de Nederlandstalige popmuziek eindelijk van tekst voorziet.

“Ook een must zijn FRANK STARIK en het Voerendaals mannenkoor. Starik is een beeldend kunstenaar en ‘performing poet’ die onlangs een prachtige cd heeft uitgebracht: Simpele ziel. Ik vind die cd een van de zeldzame geslaagde voorbeelden van poëzie die op muziek is gezet, omdat je aan alles merkt dat Starik beide genres beheerst.” – VPRO gids

Walter Palm – Met lege handen ging ik slapen…

Walter PalmWALTER PALM
Met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker

Poëzie
Nederland / Curaçao
Ingenaaid, royaal formaat, 128 blz.
€ 16,90
Eerste druk 2002, uitverkocht
ISBN 90 6265 537 8

“Met de bundeling van deze gedichten presenteert een van de belangrijkste moderne Antilliaanse dichters zich nu voor het eerst aan een Nederlands lezerspubliek.” – uit het Voorwoord van Wim Rutgers

WALTER PALM (Curaçao, 1951), sinds 1980 in Nederland, debuteerde op twintigjarige leeftijd in het Antilliaanse tijdschrift WATAPANA en schrijft en publiceert sindsdien gedichten in het Papiaments, het Engels en het Nederlands. Zijn Nederlandse gedichten brengt hij nu voor het eerst in 6 afdelingen bijeen.

Over de bijna honderd gedichten die in deze bundel verzameld zijn schrijft Wim Rutgers: “Een klein poëzisch oeuvre [waarin] de woordprecisie vergezeld gaat van talrijke metaforen in een rijkdom aan beelden die het karige woordgebruik compenseert.”

De pers over Met lege handen ging ik slapen, …
Dichters liegen

Aan Bertus Aaafjes wordt de uitspraak toegeschreven Dichters liegen de waarheid. Hij wilde daarmee een essentieel verschil tussen proza en poëzie aangeven.
Proza berust op waarheid, of om het sterker uit te drukken, proza dient om de waarheid vorm te geven. En als proza leugenachtig zou zijn, verwerpen we het. Dat houdt niet in dat proza niet een fantasiebeeld zou mogen weergeven, maar dan weten we dat. Als iemand een sprookje vertelt, denken we er niet aan om het verhaaltje af te keuren en als leugenachtig te bestempelen.
Met poëzie is het anders gesteld. Poëzie schept via taal een andere wereld, een tweede werkelijkheid wordt die wel eens genoemd, waarvan de waarde berust op het feit dat we ons bewust zijn van het feit dat die in de eerste werkelijkheid niet bestaat.
Het verschijnen van de nieuwe bundel poëzie van de Antilliaanse dichter Walter Palm, getiteld Met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker, toont de geldigheid van het aforisme van Aafjes aan. We kunnen het ook anders formuleren. Poëzie heft de tegenstellingen op, of nog beter poëzie verzoent de tegenstellingen. Dat is in de wereld van de werkelijkheid van het proza niet mogelijk, dat zou de geloofwaardigheid van het proza aantasten.
Op blz. 76 staat een voorbeeld van wat we bedoelen met de bewering dat poëzie tegenstellingen verzoent.

De hemel is zee, de zee is hemel

In zeeblauwe hemel.
trekken straaljagers schuimwitte strepen.
In hemelsblauwe zee
trekken spierwitte zeilschepen als wolken voorbij.

De tegenstelling zee – hemel wordt hier ontkend en verzoend. Speels gebruikt de dichter in r. 1 als versierend bijvoeglijk naamwoord bij het woord hemel zeeblauwe. en in regel 3 wordt zee hemelsblauwe genoemd. Die twee woorden bepalen het gedicht. Door de hemel zeeblauw te noemen en de zee hemelsblauw is de tegenstelling op poëtische wijze opgeheven.
Het is een gedicht waar de lezer lang bij stil blijft staan. Regel 2 is een voorbeeld van poëtische klankverwerking. Niet alleen de alliteratie van de s in drie woorden, maar ook de assonantie van de tr in trekken en straaljagers brengt een welluidende harmonie, die in het laatste woord van de regel zijn voltooiing vindt. Eerst zit je als lezer te luisteren en te kijken naar die twee regel tot je opeens de alliteratie en de assonantie toegepast ziet en hoort. Een regel om nooit te vergeten. De afsluitende regel van dit kwatrijn completeert het klankenspel. De w in wolken, stoort niet, omdat die w al voorkomt in de tweede regel. Schuimwitte in r. 1 en spierwitte in r. 4 bereiden de w als eerste letter in wolken al voor. Trouwens de w in zeeblauwe zorgt in r. 1 en r. 3 ervoor dat in elke regel de w-klank aanwezig is.
Misschien denken sommige lezers nu dat dat allemaal wel vergezocht is, dat je een gedicht zo niet moet lezen. Als echter na deze kleine klankanalyse al blijkt hoe vernuftig de klanken zijn opgebouwd, groeit wel de bewondering voor de dichter.
Naast dit gedicht, dat zal nu wel duidelijk zijn, blijken ook de andere met grote zorg geschreven. De dichter zelf zegt het al in het gedicht van blz. 47

Geschenk van dromen, maanlicht en ochtenddauw

Met lege handen
ging ik slapen,
met een gedicht
werd ik wakker.

Ik koesterde het,
poetste het,
tot het glom
als de eerste ochtendstraal.

Niet voor niets is de titel van dit gedicht gekozen tot de titel van de hele bundel. De eerste strofe geeft aan dat de inspiratie uit het onbewustzijn de bron is van de gedichten. De tweede strofe omschrijft in een metafoor de werkwijze van de dichter. Het gedicht wordt pas voltooid na zijn intensieve, ambachtelijke werk.
Het gebruik van beeldspraak is ontleend aan elementen die te maken hebben met wind, water, lucht en hemel, en die de mens op een eiland sterker aanspreken dan de bewoner van een groot continent. Dat ligt voor de hand, zijn we achteraf geneigd te concluderen. Telkens komt de verbondenheid van die elementen weer ter sprake. Een groot uitgestrekt land wordt een zee van land genoemd, bergen zijn versteende golven. Geen wonder dat de dichter in het openingsgedicht reeds getuigt van het besef dat de mens, die zich het centrum voelt van het levende, later ontdekt dat hij toeschouwer is die op een afstand waarnemer wordt. Het voortdurende besef in de gedichten van de onvolmaaktheid van de mens verhoogt de geloofwaardigheid van de bundel.
Wim Rutgers leidt deze gedichten in met een voorwoord, waarin hij onder meer stelt dat Walter Palm zich nu voor het eerst richt tot een Nederlands lezerspubliek. Daarom is het verantwoord dat een aantal oudere gedichten van Walter Palm in deze bundel zijn opgenomen. Elke poëzieliefhebber, waar dan ook in het koninkrijk, kan nu kennis nemen van deze rijke aanwinst van Nederlandstalige poëzie. In de moderne Nederlandse poëzie ben ik nog geen bundel tegengekomen die zozeer de aandacht verdient van lezers van diverse pluimage of die nu in het Europese deel of het Antilliaanse deel van het Koninkrijk wonen. Juist de universele gerichtheid zal een diversiteit van lezers aanspreken.

Pim Heuvel

Walter Palm: Met lege handen ging ik slapen, met een gedicht werd ik wakker Deze bundel Verzamelde gedichten, kwam in 2002 uit bij uitgeverij In de Knipscheer te Haarlem, Nederland, ISBN 90 6265 5378 NUR 306. De bundel is gelukkig ook verkrijgbaar op Curaçao.

Meer over Walter Palm bij Uitgeverij In de Knipscheer

José Lezama Lima – Mijn ziel rust niet in een asbak

José Lezama LimaJOSÉ LEZAMA LIMA
Mijn ziel rust niet in een asbak
Cuba, Poëzie
Vertaling : Stefaan van den Bremt
Paperback, 120 blz. € 17,90
ISBN 90-6265-523-8
Eerste druk 2001

De Cubaan José Lezama Lima (1910-1976) is een van de topauteurs uit de Spaans-Amerikaanse literatuur: hij wordt nu eens de Caribische Joyce genoemd, dan weer de Caribische Proust. Niet eerder werd van hem een boek in Nederlandse vertaling uitgebracht. Zoals vaak bracht proza hem de wereldroem die hij als dichter al verdiende.

In Mijn ziel rust niet in een asbak brengt vertaler Stefaan van den Bremt een belangrijke keuze van Lezama Lima’s poëzie en poëtisch proza bijeen uit elk van zijn vijf van 1941 tot 1977 uitgebrachte gedichtenbundels, zijn debuut uitgezonderd: ‘Zijn eerste dichtbundel was een revelatie. De tweede was een revolutie. De overvloed aan beelden is getemperd om een hogere vlucht te gunnen aan hyperbolische taferelen die werkelijkheid en droom laten fuseren.’ (Max Henriaquez Urena in Panorama historico de la literatura cubana).

Voor Lezama’s is poëzie een antwoord op de uitdaging van de werkelijkheid. De dichter transformeert alles wat tot het rijk van zijn verbeelding wordt toegelaten. Het onderscheid tussen mythe en wetenschappelijk feit is snel opgeheven.

Stefaan van den Bremt (1941, Aalst), sinds 2000 lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, is een erkend dichter van een 15-tal bundels (waarvan deels vertalingen verschenen in het Duits, Frans, Engels, Italiaans en Spaans) en vertaler van een dozijn werken uit het Frans (o.m. Ségou I van Maryse Condé), Spaans (o.a. Octavio Paz) en Duits (Bertolt Brecht en Franz Kafka). Zijn werk is meermalen bekroond, o.a. met de prijs voor het beste literaire debuut in 1968 en met de Belgische staatsprijs voor literair vertaalwerk in 1988.

John Leefmans – Retro. Gedichten

John LeefmansJohn Leefmans
Retro. Gedichten

Suriname, Poëzie
Ingenaaid, 104 blz., 15,75
ISBN 90 6265 498 3
Eerste druk 2001

John Leefmans (Suriname, 1933) verliet op 15-jarige leeftijd Suriname. Maakte carrière als diplomaat en woont pas sinds 1995 weer definitief in Nederland. Hij is secretaris van het Surinaamse Forum, voorzitter van de stichting Surinaams Muziek Collectief en lid van de redactieraad van OSO, tijdschrift van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek. Hij was met onder andere Pim de la Parra, Rudi Kross en Ronald Venetiaan redacteur van/publicist in het Surinaamse tijdschrift Mamjo, en mede-oprichter van het toentertijd in Leiden geruchtmakende (anti)-literaire blad Kat t-t kaf. Bij Radio Nederland had hij eind jaren vijftig een wekelijkse rubriek Fa un tan.
In 1981 verscheen zijn eerste dichtbundel Intro onder het pseudoniem Jo Löffel. Retro, nu onder zijn eigen naam, beschouwt hij als zijn tweede bundel. Hij nam in 2000 deel aan Poetry International en vertaalde poëzie van onder meer Jules Deelder in het Sranan.

De pers over Retro
“Sisyphus hak ik dagelijks hier rust / vlecht kransen ongevraagd onbesteld / in ’t grauwe vlak, codes voor archeologen / en dagelijks de dullen moor / de muur bestormend met zijn hoofd / maar alle stenen blijven boven / gereserveerd voor de donder” (uit ‘Nocturne’).

De bundel zelf wil ik kort en krachtig samenvatten onder het motto ‘Genieten voor erudieten’. De gedichten van Leefmans voeren de lezer mee naar verre landen, Tantalus wisselt even snel met Xenophoon als Angelen plaatsmaken voor Saksen. De gedichten stomen verder en gunnen je geen enkele moment rust.

“Hier zijn we dan, mijn vrouw en ik / net levend, een werk van Westerik / Wij praten vol wijsheid met elkaar / en worden wat ouder met het jaar / Soms vliegen we uit, uit de duiventil / maar keren terug, als de melker het wil” (uit ‘Ecce’).» – geciteerd uit Yves Joris in Meander 196

Klaas Jager – Windwakken in de tijd

Klaas JagerKlaas Jager
Windwakken in de tijd. Gedichten

Nederland, Poëzie
Ingenaaid, 80 blz., 13,50
ISBN 90 6265 528 9
Eerste druk 2001

Een jeugd in het bos en open veenweidegebied van Oranjewoud en het Lage Midden vlakbij Heerenveen brengt Klaas Jager, (Luinjeberd, 1961) dichter tot zichzelf. Hij ontwikkelt een grote passie voor de natuur en gaat in dialoog met zijn omgeving, waarin het dode en het levende bij waarneming tot leven komen en als het ware een bewustzijn krijgen: alles verkeert in zijn eigen tijd en heeft zijn eigen beleving. Zijn professie als veldbioloog, specifiek gericht op vogelonderzoek, zorgt voor de kennis en ervaringen die de voedingsbodem vormen voor zijn poëzie. Tijdens het langdurige verblijf in de natuur denkt hij in sterk naar de tijd verwijzende metaforen na over het leven, de dood en het dichten.

Zijn passie voor de natuur heeft hij goed binnen een breed kader weten te verwoorden met een eigen invulling die zijn waarnemingen uit hun beperktheid tillen. (Het Nederlandse boek). Met zijn poëzie is iets bijzonders aan de hand: die is namelijk behoorlijk goed. (VPRO, Anton de Goede). Natuurliefde wordt in de stapel recente bundels het meest overtuigend in beeld gebracht met Windwakken in de tijd. Door neologismen en vakjargon (bijvoorbeeld woordledig, uitvlieggat en zondagmorgenik) plus typografische wendingen en een niet aflatende soms bezwerende toon weet hij een origineel ervaringsveld te scheppen. Onverwachte sprongen van de ene werkelijkheid in de andere kom je niet vaak tegen bij een debutant. (Haagsche Courant)

De pers over Windwakken in de tijd
«Zijn professie als veldbioloog, specifiek gericht op vogelonderzoek, zorgt voor de kennis en ervaringen die de voedingsbodem vormen voor zijn poëie, lees ik op de achterflap. Hij ontwikkelt een grote passie voor de natuur en gaat in dialoog met zijn omgeving, waarin het dode en het levende bij waarneming tot leven komen en als het ware een bewustzijn krijgen. De dichtbundel bestaat uit een grillig samengaan van verschillende dichtvormen: een eigen geschapen natuur die doorheen de pagina’s woekert en zich niet laat temmen door vaste vormen.
Een fragment als “Woord, ternauwernood / geschreven, dun / drijvend kroos over / het oppervlak, door / een zwakke bries / uiteengedreven / zo goed als los / van waar het was / in het niet te zeggen / niets vooraf.” (uit ‘WOORDEN’) staat in schril contrast met de voortwoekerende woordenstroom in ‘Contact’: “Ook vandaag weer, een hand van het licht / Zoekt en betast de dingen / In de kamer, // Veert op tegen de muur, rekt zich uit.”

Bij momenten krijgt men de indruk de natuurdichter Alberto Caeiro (een alter ego van F. Pessoa) aan het woord te horen:

Pessoa: “(…) ik zag dat er geen Natuur is, / dat Natuur niet bestaat, / Dat er bergen zijn, valleien, vlakten, / Dat er bomen zijn, bloemen en grassen, / dat er stenen zijn, rivieren, / Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort, / dat een ware, werkelijke samenhang / een ziekte van ons denken is”

Klaas Jager: “in de hartslag / van de tijd, het / peristaltische ogenblik // brekend op de rand / van een volgend weer / uiteen tot een ander” (uit ‘Denken dat het waar kan zijn).

Dit is geen dichtbundel die je even op een rustige namiddag doorleest, tenzij je een groot deel van de woordenkracht niet wilt proeven. Elke keer weer wordt de aandacht van de lezer getrokken naar nieuwe details in de tekst. Gelukkig wisselen hermetische teksten af met lichtvoetige natuurobservaties, want wie de ganse tijd door het dichte struikgewas moet wringen, dreigt immers al snel het geheel van de natuur uit het oog te verliezen.» – Yves Joris in Meander 196

Carel de Haseth – Zolang er kusten zijn. Gedichten

Carel de HasethCAREL DE HASETH
Zolang er kusten zijn

Curaçao, Gedichten
Ingenaaid, 40 blz. 12,50
ISBN 90-6265-524-6
Eerste druk 2001

langs de zoom van de zee
zullen wij hem ongetwijfeld vinden
mensen van onbekende streken
langs kusten van goud, ivoor of slaven
of al was het maar in simpele hutten
aan de monding van een modderrivier
of op overigens nutteloze eilanden

mensen zullen wij zeker vinden
zolang er kusten zijn
waar vis uit het water spoelt
waar schepen komen

en waar wij mensen treffen
zullen wij met hen spreken
in taal, gebaar of daad
: van mens tot mens

Carel de Haseth (Curaçao, 1950 debuteerde in 1969 met de dichtbundel 2 dagen vóór Eva. Hij schrijf zowel in het Papiaments als in het Nederlands. Zolang er kusten zijn is zijn vijfde (en tweede geheel Nederlandstalige) bundel. Over Bida na koló/Kleuren van Leven (1981) schreef Jos de Roo in Trouw: ‘onafhankelijkheidspoëzie van hoog gehalte.’
Voor zijn prozadebuut Katibu di Shon ontving De Haseth in 1989 de Cola Debotprijs van het Eilandgebied Curaçao.