Jan Kees van de Werk – Gevleugeld vuur

Jan Kees van de WerkJan Kees van de Werk
gevleugeld vuur
poëzie, Nederland
Ingenaaid, 128 blz.,
€ 16,50
ISBN 90-6265-571-8
Eerste druk 2006

De nieuwe dichtbundel van Jan Kees van de Werk bestaat uit twee delen: gevleugeld vuur en woorden op de wind.
Het eerste deel verwoordt zijn directe levensomgeving, het tweede deel roept zijn Afrikaanse ervaringen op. Twee werelden die elkaar overlappen, aanvullen en in evenwicht houden, en waarin de natuur een bindend element is. De staccato vormgegeven en hoofdletterloze gedichten worden voor de lezer een vloeiend verhaal waaraan hij zijn eigen interpunctie kan geven. “Een kunstenaar maakt slechts de helft van zijn kunstwerk.”

Wat over zijn eerder verschenen poëzie geschreven is geldt evenzeer voor gevleugeld vuur:

“Bij Jan Kees van de Werk is de verbeelding aan de macht. Met de verwondering van een kind en het inzicht van een volwassene zuigt hij indrukken op, met de kracht van het woord verbeeldt hij zijn ervaringen, ontmoetingen, gevoelens.” – Amersfoortse Courant

“Hij neemt de tijd om betekenis toe te kennen aan de bewegingen in het zand, aan het onzekere licht van een nieuwe dag op de horizon, (…), aan de schaduwen van het leven die over de gezichten van de mensen trekken.” – Breyten Breytenbach

“Geurende poëzie van de enige Nederlandse griot.” – de Volkskrant

Jan Kees van de Werk is ‘de peetvader’ van de Afrikaanse literatuur in Nederlandse vertaling. Hij startte in 1978 de Afrikaanse Bibliotheek waarin in 20 jaar 50 delen zijn verschenen en maakte zo de literatuur uit Afrika bekend in Nederland en België. Voor zijn journalistieke werk over Afrika en voor de Afrikaanse literatuur werd hij meermalen bekroond zowel in Nederland (Dick Scherpenzeelprijs, 1992) als in Afrika (o.a. APNET Award for Support to African Publishing, 2002). Als dichter werd hem in 2002 de Imbongi Yesizwe Poetry International Award toegekend.

De pers over Gevleugeld vuur«Bij deze dichter speelt de natuur een allesoverheersende rol. Het is de natuur van wandelen en vondsten oprapen, van ruiken, horen, voelen en proeven. De dichter roept, via indringende impressies, kleine herinneringen op aan zijn gezin, maar ook aan de sfeer van vroeger: de bewonderde, nu dementerende moeder die zo mooi piano speelde. In het tweede deel verplaatst het decor zich, bijna ongemerkt, naar het Afrikaanse landschap: het is dezelfde manier van kijken, nu naar een kleurrijker flora en fauna en met meer tromgeroffel. Daartussendoor poogt hij de vreemde cultuur te doorgronden. De vorm is liedjesachtig: korte regels, weing lidwoorden, maar wel veel alliteratie en assonantie. De intieme natuurimpressies van deze reiziger, Afrikakenner en dichter lijken door hun vorm en zangerigheid meer geschikt om te beluisteren dan om te lezen.» – Els van Geene NBD/Biblion

Jan Kees van de Werk: dichter, reiziger, waarnemer

«Jan Kees van de Werk is dichter, reiziger, waarnemer. In een vroeger leven was hij uitgever van de Afrikaanse Bibliotheek en vurig pleitbezorger voor een paar van de meest verrassende schrijvers die het continent heeft voorgebracht: veel te vroeg overleden kunstenaars als Sony Labou Tansi uit Congo en Yvonne Vera uit Zimbabwe; of Werewere Liking die in Ivoorkust werkt. Mensen die op hun eigen manier de taal naar hun hand hebben gezet.
Poëzie is een geconcentreerde vorm van de taal naar je hand zetten en Jan Kees van de Werk doet dat op een heel eigenzinnige manier. Hij stript de taal. Geen hoofdletters, punten of komma’s. Vaak niet meer dan één enkel woord op een dichtregel. Schaars gebruik van bijvoeglijke naamwoorden waar anderen zo vaak en zo kwistig mee strooien.
Als je zijn nieuwste bundel – Gevleugeld vuur – opendoet loop je dus geen overdadig geornamenteerde kathedraal binnen. Eerder bevind je je in een eenvoudige witgeschilderde dorpskerk, waar geen beeldenstorm woedt die je naar adem doet happen.
Toch is er veel te zien. Hollandse landschappen in het eerste deel van de bundel: de bossen in de buurt van het huis van de dichter, de hemel
erboven, reigers, vee en grijze regen. De Afrikaanse landschappen in het tweede deel zetten je in de schroeiende woestijnzon. Ook daar heerst de
hemel, lopen olifanten en kamelen over de pagina’s. Die landschappen worden ook bevolkt. In Afrika trekken de vrouwen de aandacht. Van de Werk beschrijft ze met een combinatie van verrukking en bewondering, zoals de zinnelijke godinnen op het eiland Gorée voor de kust van Senegal. Daar gaan ze, in “sirenen van goree”, bevrijd van de loden herinnering aan de slavernij, waar het eiland ooit de (Hollandse!) draaischijf van was. In Nederland staat zijn eigen familie meer op de voorgrond, vooral zijn dochters die hij liefdevol portretteert.

En de dichter zelf? Hij gaat, hij valt, hij krijgt een doorn in zijn voet ergens in een droge bijna-woestijn. En thuis wordt hij beslopen door een vuile ziekte, die hij verbeeldt in “menière”, een huiveringwekkende ervaring die alleen beëindigd wordt door de geruststellende aanwezigheid van één van zijn dochters.
‘geen visa/nodig/voor stilte/en geluiden’ begint het Afrika-deel van de bundel ferm. De dichter verlaat Nederland, trekt door delen van Afrika, maakt daar prachtige reisverslagen van (ze heten “de karavaan van de verbeelding” en “kaurischelpen en kamelen”) en sleept zijn eigen taal, het Nederlands met zich mee. Zo kan het zelfs gebeuren dat een groep toehoorders ergens in een dorp in Mali zich de regels ‘henna kleurt hand’ (uit “zandtaal”) eigen maakt en als een soort avondmantra blijft herhalen. Prachtig beschreven in “de karavaan…” Het kan best zijn dat voor sommigen de dichter teveel weglaat of te grote gedachtesprongen maakt. Dan helpt het wanneer je de Hollandse polder, de Zimbabwaanse savanne of de Sahel kent. Dan vallen de beelden goed op hun plek. Maar vaak hoeft dat helemaal niet; dan staat er gewoon wat er staat. Dat heeft te maken met het ritme dat Jan-Kees van de Werk zijn poëzie meegeeft, een metrum dat je oppakt als je de gedichten hardop leest. Het heeft ook te maken met de verassende woordwendingen. Ergens regent het ‘cirkels op de sloot’. Elders wast een meisje zich in de rivier en ‘hangt druppels in de lucht’. Denk maar eens aan het beeldgebruik van iemand als Dylan Thomas, die in Under Milkwood de nachtelijke zee beschrijft als ‘starless and bible-black’… Lees dus niet alleen de regels, lees er vooral ook naast en tussen. Daar zit je eigen verbeelding en die krijgt in gevleugeld vuur en de andere bundels van Van de Werk alle ruimte.» – Bram Posthumus (Kinshasa) in www.veritate.net/edm/viewer.jsp?m=djyN&s=l7RFC

Hugo Pos / Erwin de Vries – Twaalf Balladen

Hugo PosHUGO POS
ERWIN DE VRIES
Twaalf Balladen

Poëzie, Suriname
40 blz., geïllustreerd, ingenaaid, april 2005.
Formaat: 34,3 (h) x 24,8 (b) cm.
€ 24,50
ISBN: 90-6265-535-1
Eerste uitgave 2005
Uitverkocht

In de maanden voorafgaand aan zijn dood op 11 november 2000 voltooide Hugo Pos (Paramaribo, 1913) Twaalf Balladen. Op zijn verzoek maakte Erwin de Vries (Paramaribo, 1929) bij elke ballade een tekening, die in dit boek op ware grootte is afgedrukt. Twaalf Balladen bundelt zo het unieke talent van twee grote zonen van Suriname.

Hugo Pos studeerde rechten in Leiden en Parijs. Hij werkte 13 jaar in Suriname als rechter en procureur-generaal en was vanaf 1964 rechter in Amsterdam en raadsheer in Den Haag. Na zijn pensionering krijgt zijn liefde voor literatuur de ruimte, eerst als recensent van Het Parool en Trouw en vanaf 1985 als schrijver van een 15-tal bundels kwatrijnen en verhalen en van zijn met de E. du Perron-prijs bekroonde autobiografie In Triplo (1995).

Schilder en beeldhouwer Erwin de Vries wordt als een van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars beschouwd. Hij volgde zijn opleiding tekenen en beeldhouwen in Den Haag en Amsterdam en had zijn eerste tentoonstelling op 19-jarige leeftijd. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was hij tijdelijk kunstdocent in Suriname, waar hij zich vanaf 1984 opnieuw vestigde. In 1998 had Erwin de Vries een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij is de maker van het Nationaal Monument Slavernijverleden (2002).

De tekeningen van Erwin de Vries zijn in Twaalf Balladen in duotone gedrukt op 150 grams houtvrij mat papier. De bundel kon op deze wijze worden uitgegeven dankzij het Prins Claus Fonds.

Kijk voor meer informatie over Erwin de Vries op Erwin de Vries 75 jaar. http://www.suriname.nu/210cult/index.htm

Hans Plomp – Venus in Holland

venus1HANS PLOMP
Venus in Holland

Nederland / Poëzie
Paperback, 80 blz., € 12,50
Eerste druk 1981
ISBN 90-6265-052-X
uitverkocht

Hans Plomp (1944) is bij het lezerspubliek vooral bekend als prozaschrijver. Voor de groeiende schare bezoekers van poëziemanifestaties overal in het land behoort hij daarentegen met o.m. Vinkenoog en Deelder tot de bekendste en meest gevraagde Nederlandse dichters van nu.
Plomp stamt uit de generatie van Provo en woont al jaren met geestverwanten in het gekraakte dorp Ruigoord. Zijn gedichten sluiten aan bij de enorme veranderingen die zich in onze maatschappij voltrekken en munten uit door helderheid en strijdbaarheid.
In zijn eigen woorden: De nieuwe poëzie moet direct en aangrijpend zijn, wil zij weer de belangrijke rol kunnen spelen die essentieel is voor een samenleving: het in stand houden van de poëtische werkelijkheid. Poëzie moet weer begrijpelijker worden dan de atoombom!

In Venus in Holland heeft Hans Plomp zijn persoonlijke, definitieve selectie bijeengebracht uit de gedichten die hij tussen 1960 en 1981 geschreven heeft en die voor het merendeel niet eerder werden gepubliceerd.

Pablo Neruda – Boek der vragen

pablo neruda Pablo Neruda
Boek der vragen
Poëzie. Chili
Vertaling Stefaan van den Bremt
Paperback 96 blz. € 15,75
ISBN 90 6265 567 X

Boek der vragen is een feestelijke dichtbundel waarmee Pablo Neruda in 1974 zijn 70ste verjaardag had willen vieren. Neruda had er namelijk een traditie van gemaakt om, van decennium tot decennium, zijn geboortedag te gedenken met een belangrijke publicatie. Libro de las preguntas zag postuum het licht in Buenos Aires in 1974 en verschijnt anno 2004 voor het eerst compleet in een Nederlandse vertaling van Stefaan van den Bremt. Boek der vragen wordt als een van Neruda’s origineelste en vernieuwendste bundels beschouwd.

In Boek der vragen trakteert Neruda zijn lezers op een reeks van 74 gedichten die uitmunten door hun karige en bondige verwoording. De hele cyclus omvat 314 vragen die, op het eerste gezicht, van de hak op de tak springen op een soms vrij absurdistische wijze. Ten onrechte wordt Boek der vragen soms tot het subgenre van de kinderpoëzie gerekend. De jeugdige lezer die erdoor wordt aangesproken, zal in de eerste plaats het kind zijn geweest in de bijna zeventigjarige Neruda met zijn speelse zucht naar buitenissige vragen die op verrassende wijze de meest verscheiden antwoorden oproepen. Het thematische vertrekpunt van het boek, een dichter die zijn einde voelt naderen en met een tomeloze scheppingsdrift afscheid wil nemen van het leven, zit zorgvuldig verborgen in het hart van de bundel in een cyclus waarvan zowel de aanhef als het slot eindeloos lijken uit te waaieren.
Neruda werkt aan Boek der vragen vanaf 1971 tot 1973. Kort voordat hij in 1971 de Nobelprijs voor literatuur in ontvangst neemt, verergeren de symptomen van de kwaal waaraan hij lijdt. Na twee operaties begrijpt de dichter dat hij zijn ambassadeursambt in Parijs, daarin benoemd door president Salvador Allende, neer moet leggen. Na zijn terugkeer in Chili in november 1972 neemt Pablo Neruda zijn intrek in zijn huis te Isla Negra, waar hij op 23 september 1973, slechts enkele dagen na de militaire staatsgreep, overlijdt.

Dat 2004 het Pablo Neruda-jaar is omdat Pablo Neruda (Nobelprijs Literatuur 1971) honderd jaar geleden werd geboren (12 juli 1904) zal de Meanderlezer niet ontgaan zijn. In Meander 248, 249 en 250 besprak Yves Joris onlangs Canto General (Rainbowpocket), Honderd liefdessonnetten en Verblijf op aarde (beide uitg. P). In de Knipscheer kwam deze maand met Boek der vragen, een vertaling door Stefaan van den Bremt van Libro de las preguntas, een dichtbundel waarmee Neruda in 1974 zijn 70ste verjaardag had willen vieren – Neruda had er een traditie van gemaakt om, van decennium tot decennium, zijn geboortedag te gedenken met een nieuwe publicatie – maar die uiteindelijk in dat jaar postuum in Buenos Aires verscheen.
Boek der vragen, dat als een van Neruda’s origineelste en vernieuwendste bundels wordt beschouwd, bestaat uit een reeks van 74 gedichten die uitsluitend vragen bevatten, regel na regel, strofe na strofe. Ze zijn in het algemeen bondig verwoord, lijken van de hak op de tak te springen, zijn speels, buitenissig, soms bijna nonsensicaal en absurdistisch.

IV

Hoeveel kerken heeft de hemel?

Waarom waagt de haai geen aanval
op de onverschrokken sirenen?

Smoezelt de rook met de wolken?

Is het waar dat alle hoop
besproeid moet worden met dauw?

Verborgen in het hart van de bundel (35 t/m 39) zit het thematische vertrekpunt van het boek: een dichter die zijn einde voelt naderen en met een tomeloze scheppingsdrift afscheid wil nemen van het leven:

XXXV

Is ons leven niet een tunnel
tussen twee vage klaarten?

Of is het niet een klaarte
tussen twee donkere driehoeken?

Of is het leven niet een vis,
klaar voor een bestaan als vogel?

Bestaat de dood uit niet-bestaan
of uit een gevaarlijke massa?

Una pregunta trae otra. De ene vraag lokt de andere uit, 314 vragen in totaal, en op geen enkele past een antwoord. Duidelijker kon Neruda de absurditeit van het leven niet verwoorden.  – Meander 252, literair magazine sinds 1995

Meandermagazine
klassieke gedichten

Postuum in 1974 verschenen dichtbundel, oorspronkelijk bestemd voor de viering van de zeventigste verjaardag van de maker. Pablo Neruda (1904-1973, Nobelprijswinnaar Literatuur in 1971) was een Chileense diplomaat-schrijver. Hij heeft talloze dichtbundels nagelaten, van het magnum opus ‘Canto General’, een lofzang op Latijns Amerika, tot lichtvoetige liefdespoëzie in ‘Twintig liefdesgedichten en een lied van wanhoop’. ‘Boek der vragen’ behoort tot de laatste categorie. Het zijn 70 negenlettergrepige verzen in vraagvorm die in de periode 1971-1973 zijn ontstaan en getuigen van een ongekende scheppingsdrift. Onderwerpen zijn historische figuren als Nixon en Hitler naast absurdistische verzen over bijtende vlooien en een verbod op interplanetaire zoenen. Ook zelfspot ontbreekt niet. Deze verzen laten het kind in de dichter zien dat zich niets van de logica aantrekt en zijn daarom voor een breed publiek geschikt. De vertaling leest soepel. Met een verhelderende nawoord over de ontstaansgeschiedenis en noten. Verschenen in het honderdste geboortejaar van Neruda. – Biblion 9 december 2004

8 februari 2005 De Recensent over Pablo Neruda – Boek der vragen

Boek vol vragen & het telefoonnummer van de wereld

«Neruda stort een schier oneindige reeks vragen uit over zijn lezers, als peuters over de hoofden van hun ouders. Dat is als ze in de waarom-fase zijn, die peuters. En het moet zijn dat Neruda de waarom-fase nooit verlaten heeft: in deze bundel stelt hij 314 vragen, verdeeld over 74 gedichten. (…) Veelal is het een gejaagd vragen, een vragen om het vragen, een radicaal vragen. De vraag zelve is poëzie geworden; de vraag is tot kunstvorm verheven. Het is dan ook categorieloos, en dient niet een concreet waartoe. De lezer kan niet anders dan zich onder te dompelen in de vragen, en de diverse sferen aan zich voorbij te laten komen: kinderlijk, filosofisch, dichterlijk, absurd, of humoristisch. (…)
Het zal duidelijk zijn dat de vragen niet tot antwoorden moeten leiden; het gaat eerst en vooral om de ontvankelijkheid voor de vraag, of liever voor het vragen in het algemeen. De vragen moeten het bouwwerk van rotsvaste antwoorden in ons leven steen voor steen afbreken, en dat werkt ontregelend. Wie volwassen is, heeft immers maar al te vaak de pretentie alle antwoorden te hebben. Neruda ontmaskert die pretentie en werpt de lezer onverbiddelijk terug in verwondering en soms in verbijstering. (…) Boek der Vragen is onklasseerbaar, ontregelt en stelt een hele hoop vervelende vragen waarop geen antwoord is. (…) Al diegenen wier hersenen nog een jeugdige souplesse bezitten: lees Boek der Vragen. Weest geamuseerd, geschokt, verpletterd, verwonderd, verbijsterd. Weest weer kind. Lees, léés (in plaats van altijd maar gelezen te hebben).»

-geciteerd uit: Tim Donker in De Recensent (Lees hier de hele recensie)
– Milla van der Have – Pablo Neruda (essay)

Klaas Jager – Klipgeiten

klaas jagerKlaas Jager
Klipgeiten. Gedichten

Nederland, Poëzie
Ingenaaid, 96 blz., € 14,50
ISBN 90 6265 564 5
Eerste druk 2004

Klaas Jager (Friesland, 1961) debuteerde in 2001 met Windwakken in de tijd, een dichtbundel waarin liefde voor de natuur en filosofie en fascinatie voor het mysterie tijd op subtiele en schitterende wijze in de taal tot uiting komen.

Klipgeiten, de tweede bundel van Klaas Jager, laat meer facetten van deze dichter zien. In persoonlijke herinneringen, dagboekfragmenten en existentiële beschouwingen verdicht hij het leven zoals hij dat ervaart. De alles verslindende tijd, een onnavolgbare eekhoorn in zijn takkenbos van hartslagen, is een voortdurende bron om uit te putten. Een verdwenen open plek van een voormalige kapvlakte, het wachtkamergevoel zich tussen twee werelden te bevinden, het eenkennige verlangen, ‘een luikje dat naar een kant toe opengaat’: het zijn allemaal ijkpunten van een scherpe waarnemer die niets onopgemerkt aan zich voorbij laat gaan.
Klaas Jager laveert met woorden door de wereld van kleine en grote gebeurtenissen. Hij probeert antwoord, een rustplek, te vinden voor het overschot aan vragen, soms lyrisch, soms ingehouden en bijna analytisch, maar steeds in authentieke metaforen en met oog voor het detail. Hij is het rusteloze beest dat dezelfde stenen om blijft keren tot er woorden verschijnen, zoals kleine kuddes klipgeiten tegen de witsteile wand.

Iemand moet zijn in plaats van worden, schrijft de dichter in een van zijn gedichten. Als Klaas Jager iets is, dan is het wel dichter.

Het gevecht met de tijd, vooral met aftakeling en ouderdom in het vooruitzicht, is voor Jager (1961) bijna dagwerk geworden. Uiterlijk is alles “naar wens”. Hij probeert de “dagdingen” maar over zich heen te laten komen. Maar onafwendbaar is daar het uurwerk dat geen sprookjes meer vertelt, het kortstondige van de liefde en alle andere verworvenheden. De dichter probeert dan de tijd te vertragen (het liefst zou hij “roestend op een zijspoor” willen staan) of tenminste even overtuigend als Engelse toneelspelers te “doen alsof”. De blije blik en onverwoestbare hoop van de EO-op-tv is evenmin aan hem besteed. Hij heeft alleen zijn eigen woorden, “als kleine klipgeiten tegen de witsteile wand”, om nog wat leven te veroveren. De dichter verbeeldt kortom de mens in gevecht met tijd en afbraak. Soms verliest hij zich daarbij in filosofische analyses, waar dan weer prachtmetaforen tegenoverstaan. Voor poëzieliefhebbers. – Els van Geene, Biblion

‘Windwakken in de tijd’, het debuut van Klaas Jager uit 2001, stond vooral in het teken van de natuur. In ‘Klipgeiten’ de nieuwe gedichtenbundel, laat de dichter zich van meer kanten zien. Zo komen intermenselijke relaties veelvuldig aan bod en durft Jager zijn persoonlijke gevoelens op dit gebied prijs te geven. Veel van dit nieuwe werk valt op door een grote mate van toegankelijkheid. En daarbij maakt hij gebruik van uitstekende klankritmes.
Bijzonder is de gedichtencyclus die hij over het park De Overtuin in Oranjewoud schreef. Een mooi voorbeeld van wat Jager met De Overtuin als inspiratiebron aan de muze ontworstelde is het volgende gedicht:

We zaten op het vale bankje
naast de kruidentuin, in de
walm van tijm en lavendel.

Je vroeg of ik weten wilde
hoe het met ons aflopen zou,
van a tot z, ofschoon je niet

echt in de mond durfde te
nemen wat in de schoot
van de nabije toekomst lag,

het zinloos vond om verder
dan een dag vooruit te kijken.

Dus sprak ik niet uit wat
ook jij voorzag, dus haalde

ik jou innig aan en zei dat
het nooit voorbij zou gaan.

– Heerenveense Courant, 14 juli 2004

In de fascinerende diversiteit van zijn nieuwe bundel overheerst een lichte melancholie, de stemming van iemand die de hete adem van de tijd in zijn nek voelt, zonder zwaarmoedig te raken. Het is duidelijk geen jongeling die spreekt in ‘Takkenbos van hartslagen’ (fragment): – Y. van der Molen in de Woudklank, 22 juli 2004

Want het is huiveringwekkend hoe
vliegensvlug het allemaal, als een

onnavolgbare eekhoorn in zijn takkenbos
van hartslagen, naar de allerlaatste springt.

Toch verliest Klaas Jager het heden geen moment uit het oog. In ‘Hars’,
ontstaan op een terras in Gorredijk waar hij graag zit (fragment):

Het water tegenover het terras
bij de Vergulde Turf ligt al in de
schaduw van de brug en de brug al
in die van de hoge winkelpanden.

De herfst is ophanden, ligt gereed
voor de kust om op te stomen, maar
vandaag kleeft de zomer nog als
hars aan de jonge vrouwen vast.

Hoewel natuurelementen een belangrijke inspiratiebron voor hem zijn, wil Jager beslist niet als ‘natuurdichter’ door het leven, het gaat hem nu vooral om mensen. Als hij enkele liefdesgedichten plaatst in een decor van een oud park (de Overtuin) is daar meteen weer het element tijd: hij houdt van oude parken vanwege hun geordende natuur die gaandeweg is overwoekerd. Toch is er geen sprake van echte wanorde: net als verzen die het pad effenen door een chaos van woorden. En zo geeft het schrijven van poëzie, het oproepen van een onzichtbare maar duidelijk waarneembare wereld, structuur aan het leven. Die samenhang is terug te vinden in zijn werk, dat opvalt door zuiverheid. Nergens dendert vals pathos over de pagina’s.

Het gaat over vertraging, verstilling, het gaat over kleine ogenblikken, zo klein dat je een microscoop nodig hebt om ze te zien. Maar in het bos dat Klipgeiten is kun je ze met het blote oog zien en wees Klaas Jager daar eeuwig dankbaar voor. – Tim Donker in De Recensent, 06-09-2004

‘Klipgeiten’ is de tweede gedichtenbundel van Klaas Jager. Goed aansprekende poëzie met oog voor details en dat vanuit een persoonlijke benadering, waardoor de afstand wel eens kleiner is dan je als lezer zou willen. – Het Nederlandse Boek, november 2004

Frank Starik – De Grote Vakantie

frank starikFrank Starik
De Grote Vakantie

Nederland. Poëzie
Gebonden, 80 blz., € 19,90
ISBN 90-6265-562-9
Eerste druk 2004

Starik is, door net dat tikje humor en ironie, een meester in het uitlichten van het leven van alledag. In het eerste hoofdstuk neemt hij de lezer mee naar camping Bakkum, van oudsher het zomers toevluchtsoord voor Amsterdamse bleekneusjes. In het tweede hoofdstuk verblijft u op de volkstuin die de dichter onderhoudt of probeert te onderhouden. Hoofdstuk drie beschrijft fenomenen als het boerderijkamperen en de zomerfestivals, want wij moeten voortdurend vermaakt worden teneinde ons beter te kunnen vervelen.

Hoofdstuk vier keert terug naar huis, terug naar de afwas. Alles is weer gewoon, zo gewoon mogelijk dan. Politici worden doodgeschoten, kleine kunstwerken aangekocht en muziekscholen bezocht, banden worden geplakt, vrienden vallen hun fiets, voordeelkostuums worden aangeschaft. Vrienden van vroeger dienen zich aan of serveren zich af. Via hoofdstuk vijf, Prins (naar aanleiding van het overlijden van prins Claus), belandt de lezer in het zesde hoofdstuk (over de grootste aller vakanties, de dood): een groet aan wie de dichter in zijn eigen omgeving en daarbuiten ontvielen. Starik is initiatiefnemer van de Poule des Doods, een groep dichters die Eenzame Uitvaarten in Amsterdam begeleidt. Enkle van de in dit hoofdstuk gepubliceerde gedichten werden voor deze dikwijls anonieme doden geschreven. In Coda, tenslotte, wijst de dichter vooruit naar de nieuwe weg die hij inmiddels is ingeslagen.

Als dichter stond Starik, alleen of met zijn muzikanten van (voorheen) Willem Kloos Groep en De Vakantiemannen (Cor Vos & Von der Möhlen), op vrijwel alle grote en ontelbare kleine podia, van Lowlands tot Landjuweel, van Zaal 100 tot Uitmarkt en Crossing Border. Aan De Grote Vakantie is een CD toegevoegd waarop Starik eigen teksten zingt met Ton von der Möhlen (piano, accordeon, gitaar) en Cor Vos (gitaar, piano).

F. Starik schreef een grote dichtbundel over De Grote Vakantie, het gat in de tijd. Maar volgens mij vooral over de vergankelijkheid. Op de voor Starik kenmerkende onderkoelde maar o zo emotionerende toon. Toegankelijk maar nooit gemakkelijk, simpel maar diepzinnig, contemplatief maar nooit somber.

Gestalte

Vanmorgen schrijft mijn meisje /dat ze mijn gestalte op een foto tegenkwam / alsof ze mij zo, na een lange afwezigheid /opnieuw ontmoette en de maat nam, / in het besef dat deze gestalte naast haar /mij is, ik ben, en dat ze die gestalte / liefheeft, zo ben jij, denkt ze dan. / Zo is hij. Dat is hem.

Toon uw klant de voorkant (Starik in pak op een Puch) de binnenkant (zwaaiend op Puch) de slotpagina (Starik krijgt bekeuring) en achterkant (landschap zonder Starik). Starik toont ons de wereld. De klant verlaat met een prachtboek uw winkel. (De bekeuring bedroeg overigens 23 euro.) – Hanz Mirck (Van Someren & Ten Bosch)

Nóg meer Mooie Woorden:

“Er zijn nog altijd mensen die schijnen te denken dat het een handicap is om meer dan één talent te hebben: gaat het één dan niet ten koste van het ander? Dat aangeboren wantrouwen tegen veelkunners, dat is dus onzin. Iemand kan best dichter, beeldend kunstenaar, zanger en fotograaf tegelijk zijn. Kijk maar naar F.Starik. Zijn nieuwste bundel De Grote Vakantie is net uit.
Iemand zei ooit eens tegen mij: je kunt zien of iemand dichter is als hij een wolk voor de zon kan laten schuiven. Voor F. Starik gaat die stelling op. Het titelgedicht uit de bundel is, zo niet volmaakt, dan toch het werk van een vakman.
Het gedicht staat ook op de bijbehorende cd, waarop Starik, begeleid door muzikanten gedichten zingt. Dat kan hij ook. Recht vooruit, met grote intensiteit, over een soms hypnotische begeleiding.
Ook bij zijn vorige bundel, Simpele Ziel, zat een cd. In die bundel stond onder andere een aantal schitterende stadsgedichten. In die gedichten deed Starik voor Amsterdam wat Randy Newman voor sommige Amerikaanse steden heeft gedaan (Baltimore, Birmingham, L.A.): ze met liefde het graf in prijzen.”
– Adriaan Jaeggi in Het Parool, 12 maart 2004

Ik hou van zijn werk.

Dichter, schrijver, fotograaf, beeldend kunstenaar, theatermaker en nóg meer. Hij is hier in deze rubriek al vaker gepasseerd, ik hou van zijn werk, zijn zorgvuldigheid, de liefde waarmee hij al die dingen doet en naar mijn idee zijn oprechtheid. Of het nou kunststofhonden op het Olympiaplein in Amsterdam zijn, zijn eigen museum, een door hem georganiseerde tentoonstelling van jonge kunstenaars rond het thema De Grote Vakantie of nu zijn net uitgekomen dichtbundel met dezelfde titel, inclusief een CD waarop hij , met zijn broer achter de piano een aantal van die gedichten toonzette.

De bundel zelf is al goed, gewoon, hoe ie eruitziet: Op de omslag alleen een foto van voor tot achter – geen tekst, behalve het ronde stickertje met de tekst met CD dat geplakt is op het wiel van een brommertje waarop Starik gekleed in bruin kostuum en met een zwarte helm op het hoofd langsrijdt. Als je de bundel openslaat zwaait hij je toe vanaf diezelfde brommer en bij de laatste pagina, als je de CD wil pakken, zie je hoe Starik bekeurd wordt door een motoragent – mooi toch?

En de gedichten vind ik ook erg mooi – toegankelijk. Veel van zijn gedichten uit zijn bundel ken ik al van zijn weblog. Daarop doet hij verslag van een bijzondere functie die hij vervult. Samen met een poule van andere dichters maken ze om beurten gedichten voor naam- of familie- en vriendloze overledenen. Hij beschrijft de gang op het kerkhof, de gegevens die hij heeft van de overledene, hoe schamel die ook vaak zijn en het voorgedragen gedicht, van hemzelf, of van dichters als Neeltje Maria Min, Simon Vinkenoog, Rogi Wieg, Eva Gerlach, Menno Wigman. Zijn verslagen en de gedichten ontroeren mij keer op keer. U kan dat weblog ook bezoeken, via www.starik.nl, maar wees discreet vraagt Starik, aan eenieder, hang het niet aan de grote klok, al helemaal niet de media vertellen, hou het voor uzelf… Ik besef dat dit absurd klinkt, hier door mij, op de radio, maar u begrijpt vast wel wat ik bedoel. – Adeline van Lier in KRO’s DolceVita, 3 maart 2004

Ondertussen huil en zeur ik mee, want deze poëzie overtuigt compleet

Struikel! Het ondiepe graf
(over ‘De grote vakantie’ van F. Starik)

DE GROTE VAKANTIE

Zo op het oog hier alles
welvaart en gemoedsrust.
Waar de Noordzee loom
haar brede zandstrand kust.

Vaders, moeders, kinderen
ze lachen, ze spelen, ze scheppen kastelen
in de tamme vloedlijn. Zou er ooit
volmaakter vrede zijn?

Eén van hen zal volgend jaar
niet langer bij ze zijn. Ze onderscheidt zich
al van verre: het dunne kroezend haar.

De zon gaat onder, onbewogen
staan ze in het koude licht.
Niemand maakt bezwaar.

F. Starik

Het lijkt een waarschuwing, de eerste twee regels uit het openingsgedicht van de bundel ‘De grote vakantie’ van F. Starik, alsof er onder de oppervlakte iets broeien zou. Feitelijk gebeurt er niets buitengewoons, totdat de dood om het hoekje komt kijken, waartegen dan weer niemand bezwaar maakt. Er is iets aan de hand en eigenlijk ook weer niet. Er worden in deze bundel flauwe grappen gemaakt tussen vrienden bij een kampvuur, de tuin als maakbare natuur wordt bewierookt en het gezin, waarover de man heel wat minder heeft te zeggen, wordt lichtelijk verafschuwd. Daartegenover staan de onontkoombare vertedering van een kind op blokfluitles en het indrukwekkende einde van een aantal levens of een liefde.

Met name door het veel voorkomende rijm verslapte mijn aandacht soms. In het gedicht ‘Zij was het’ staat bijvoorbeeld: “Iets dieps over het verglijden van de tijd./Maar hij is de draad al jaren kwijt.” Misschien zit ik ernaast en moest het van Starik af en toe zo plat mogelijk, om het oppervlakkige van het leven weer te geven, maar ik wil toch graag een onsje taal en illusie meer.

Ondertussen huil en zeur ik mee, want deze poëzie overtuigt compleet met haar flauwe grappen. In al haar geveinsde oppervlakkigheid heeft ze bovendien vaak wat weg van een heerlijk ondiep en stinkend graf:

EEN VAN MIJN PALEIZEN

Ik lig in mijn hangmat en wieg
aan rijke lange touwen
tussen boom en huis.

De boom: een stakerige den,
waarvan je hooguit lange rechte planken
zagen kan, heel geschikt om het huis
achter mij te bouwen, maar dat staat er al.

F. Starik

We zijn geknecht om te scheppen en te zagen. De dood is geen vriend. Een beetje verzet tegen deze vijand kan geen kwaad, liefst met een lach, of door achter de rug van lange Hein een malse tong uit de mond te steken. Er is hoop! Het leven zit vol mogelijkheden. Uit die stakerige den valt best een rank kistje te zagen. Dus ga heen en verpak of word boer:

DE BOER IS MIJN VRIEND

Ik werkte vroeger in een stal.
Als hooivork. Stro gemend met mest,
en ik mocht alles opscheppen.
Ik deed mijn best.

De boer was mijn vriend.
‘Wat wil je later worden,’
vroeg men, maar ik was dat al.
Ik zag mijn bestemming in de stal.
Op een dag sprak de boer tot mij:
‘Jij bent mijn knecht.’

Dat was mijn trots.
Hij heeft het gezegd.
Ik heb het verdiend.
De boer is mijn vriend.

F. Starik

-Tsead Bruinja in ‘Iets met boeken’, NPS Kunststof, 25 juni 2004

Meander 244 van 4 juli – Joris Lenstra

‘En er is een tijd van gaan

Wie kent er niet het vakantiegevoel? Met z’n allen enkele weken weg naar Frankrijk of naar de camping. De grote vakantie, de grootste vakantie weg van school. In 2003 organiseerde de dichter en beeldend kunstenaar F. Starik in de Amsterdamse galerie Arti & Amicitae met veertig kunstenaars een groepsexpositie, met als thema diezelfde Grote Vakantie. In 2004 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer een bundel gedichten met dezelfde naam, dit keer van de hand van Starik alleen.
Op de vraag welke van de twee projecten uiteindelijk belangrijker voor hem zou zijn, zou hij waarschijnlijk antwoorden dat ze beide van belang zijn. Starik ziet zichzelf niet als alleen maar een dichter, een zanger of een beeldend kunstenaar. Hier gaat het echter alleen om de bundel. De schrijfstijl van Starik laat zich het best omschrijven als een prettige Parlando. Onderwijl hij op gemakkelijk begrijpbare toon over bloemen, slakken en fietsen dicht, ontrolt hij voor onze ogen een alledaags landschap:

De sapstroom

Ik heb een bloem gerepareerd
die door een naaktslak half was opgegeten.
Een fiere zonnebloem waar langs de steel
dicht onder de knop het beest zich een weg
naar binnen had gevreten.

[…]

De gedichten ontlenen hun spanning aan de manier waarop hij observeert en de formulering die hij gebruikt om de observaties te beschrijven. Ik zie dit zelf als de drie-eenheid van de kunstacademie: observeren, interpreteren, formuleren. Op deze manier is hij als een beeldende kunstenaar op een afstandelijke manier bezig met zijn materiaal, de talige werkelijkheid. Het is Starik echter niet alleen te doen om de lezer met zijn observaties te verrassen. Vooral het onvermijdelijke aftakelingsproces fascineert hem:

Schuw (1)

Ik heb vannacht aan u gedacht.
Natuurlijk dacht ik eerst aan hoe u lag
maandenlang bewegingloos in ’t lege huis
ontzield, eigenlijk al verdwenen.

U nam de tijd. Eerst verschenen eitjes,
dan maden, dan vliegen, dan muizen, dan ratten.
De kleine dieren die uw stilstand vieren.
Zij bezatten zich aan uw vlees.

(…)

Hij beschrijft hier nog steeds, maar nu is het verval met het landschap vervlochten. In ‘Schuwer (2)’ schrijft hij over de uitvaart van een zekere heer Schuwer: ‘Maar ik was erbij. Ik ging met u mee.’ In deze regels bekent de dichter zich aan de lezer. Starik ziet om zich heen een landschap van schoonheid en verval, maar dat is eigenlijk niet waar het hem om te doen is. Hij is bovenal op zoek naar de kleine, menselijke ontroering in het leven, ten einde die vast te leggen in de poëzie. Dit uit hij op melancholische toon vaak verwoord met een vleugje ironie:

Pakkenman

Omdat er een nieuwe metrolijn
wordt aangelegd, moest pakkenman
de winkel sluiten. Hij zag er zeer moe uit.

Nogmaals afscheid genomen. Hij schreef
mijn nummer op een klein papiertje,
dan geef ik jou een belletje, dat zei hij.

Buiten de winkel getreden
draaide ik me om en zwaaide met
het laatste voordeelkostuum.

[…]

We zijn allemaal gedwongen afscheid van elkaar te nemen, zo vertelt Starik ons. Niet voor niets zijn de delen ‘Hoofdstuk 5 Prins’ en ‘Hoofdstuk 6 Wenken Voor De Jongste Dag’ gevuld met requiems, kunstwerken opgedragen aan overledenen. Her en der heb ik ook al gelezen dat Starik met de titel van de bundel, De Grote Vakantie, eigenlijk de dood bedoelt. Maar dat is natuurlijk niet waar. Als hij op de dood had willen duiden, had hij wel ‘De Dood’ opgeschreven. De grote vakantie is bij uitstek de tijd van de ontsnapping van het kind aan het saaie bestaan van school en huiswerk. Ook is de grote vakantie de tijd waarin de eerste verliefdheden en relaties gebeuren, juist omdat het vakantiegevoel zo vrij maakt. Het is een tijd van opstaan en ontdekken. En het is een tijd die altijd te vroeg afloopt, omdat je altijd weer terug naar huis toe moet. Het is onmogelijk om te lang op vakantie te gaan, want dan zou het overgaan in migratie, en wordt het een nieuw bestaan met alle saaie valkuilen van dien. Het is juist dit opwindende gevoel van loszijn en jeugdige vrijheid, dat Starik met zijn titel oproept. Dit komt ook terug in het gedicht ‘Zij was het’, een droefgeestige ode vervuld van dronken jongensbravoure. Maar de dood blijft wel aanwezig. Zij wacht de vakantieganger thuis weer op. En de vakantie dankt zijn verlichte ervaring aan het bestaan van de saaie werkelijkheid en de dood.
Met De Grote Vakantie heeft Starik bovenal een pleidooi willen geven voor het leven en voor het bestaan. Starik ziet zichzelf als een Ramses Shaffy, een gepassioneerde zanger die het leven in zijn liederen bewondert en verheerlijkt. Starik is in deze bundel dan ook eigenlijk op zoek is naar die krachtige kern van het leven: de passie. Het komt meerdere malen in de bundel voor, onder andere in de gedaante van het element vuur. Ten overvloede beëindigt hij zijn bundel met het gedicht ‘Een man steekt zijn huis in brand’, waarin huis en haard opgeofferd worden aan een leven voor en door de passie:

Een man stak zijn huis in brand. Hij bleef
daarvoor thuis. Stelde zijn reis uit
en staarde in de vlammen.

Hij stond gebogen over het vuur, scheef
als de toren van Pisa, niet omdat zij scheef staat,
eer omdat zij ooit zal moeten vallen.

En jij moet dan zeggen wat een krachtig gebaar
dit van hem was. De vlammen en het vallen,
het uitstel van de reis. Het einde van zijn huis.

Het gedicht dat mij echter het meeste aansprak, staat qua thematiek apart in
deze bundel. De stijl en boodschap ervan zijn namelijk jaren tachtig
anti-establishment punk:

De man met de zeis

Ten eerste wil ik noemen veiligheid. Blauw die straat.
Zorg en onderwijs, stabiliteitspact. Repressie, rolstoelvervoer,
ziekte en onwetendheid, vol is vol en integratie
identificatieplicht gezinshereniging mijn sociale gehakt.

[…]

En ik ben verantwoordelijk. Verantwoordelijk voor dit klimaat.
Bitter van welvaart, ziek van weelde, geheel gevuld met schimmige beelden
van het glazige oog dat in de kamer staart. Buiten glanst de auto,
volgetankt
in eigen straat, in het licht van lantaarns. Ik wacht tot het alarm af gaat.

Tot slot vind ik ‘Hoofdstuk 5 Prins’ een kleine dissonant in deze bundel. Hierin zijn enkele gedichten verzameld over Prins Claus. Ik vind ze geen van alle bijzonder sterk en origineel in vergelijking tot ander werk in de bundel. Ook wordt in ‘Ik was de prins’ Claus omschreven als een ‘hoer die naar een dure klant verlangt.’. Dit lijkt mij een belediging zonder poëtische meerwaarde, puur en alleen bedoeld voor het schokeffect. Maar, Stariks De Grote Vakantie is een leuke, leesbare bundel geworden, met als toegift bijgevoegd een CD van 15 minuten waarop hij met De Vakantiemannen (Cor Vos en Ton von der Möhlen) enkele gedichten ten gehore brengt. Het is een mooie bonus bij een bundel die zonder ook al de moeite waard zou zijn. – Joris Lenstra

Want per slot is De grote vakantie een prachtwerkje dat het met gemak wint van haast alles dat er in de gemiddelde *)-boekhandel te vinden is. – Tim Donker in De Recensent, 06-04-2004

Hertz – OOG OP SLAG

hertzHERTZ
OOG OP SLAG

Nederland / Poëzie
Ingenaaid, 96 blz., 15,00
ISBN 90 6265 558 0
Eerste druk 2003

OOG OP SLAG is het poëziedebuut van de Amsterdamse kunstenaar Hertz (Annette Palstra).

OOG OP SLAG is meer dan poëzie: haar gedichten zijn als composities waarbij niet alleen van de ‘muziek’ maar tegelijk ook van de ‘partituur’ genoten kan worden. Haar teksten zijn op bijzondere wijze vormgegeven gedachten, overpeinzingen, gedetailleerde observaties en zijn de neerslag van een rijke verbeelding.

De uitspraak van Duchamp indachtig (dat ‘een kunstenaar slechts de helft van zijn kunstwerk maakt’) biedt Hertz ook haar lezers’ verbeelding letterlijk de ruimte door zelf alleen de rechterpagina’s te benutten.

Door de vormgeving hoeft de tekst niet uitsluitend lineair gelezen te worden. Zoals een danser zich in de ruimte beweegt, zoals een tekening wordt afgetast, zo kunnen de gedichten eerst bekeken worden.

Het titelgedicht dat de bundel besluit is tevens een soort van index omdat het gecomponeerd is uit in de elk van de voorafgaande gedichten subtiel zichtbaar gemaakte woorden.

Hertz (A.B. Palstra, 1961) genoot haar opleiding aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten. Haar ruimtelijke installaties bestaan uit taaltekens. Taal is voor haar zowel getekende als geschreven tekens. Ze maakte onder meer theaterdecors en werkte mee aan diverse publicaties van kunstenaars. Ze was verder werkzaam als adviseur beeldende kunst in de openbare ruimte en lid van de vakjury van de Shell Young Art Award 2002 en 2003.

Albert Hagenaars – Tropendrift

albert hagenaarsALBERT HAGENAARS
Tropendrift

Nederland / Poëzie
In het Engels vertaald door John Irons
Pap., 128 blz., 15,00
ISBN 90-6265-538-6
Eerste druk 2003

Kijk hier naar de poëzievideo van het gedicht ‘Singapore: Bugis Street’

Evenals zijn romans en vorige poëziebundels staat Tropendrift in het teken van reizen, interculturele relaties en bovenal de liefde, en wel de liefde in al haar aspecten. De bundel is het verslag van een poëtische reis door enkele landen in Zuidoost-Azië telt zeven cycli die alle gebonden zijn aan een locatie: Thailand, Maleisië & Singapore, Sumatra, Java, Bali, Singapore & Maleisië, Thailand.

Het centrale thema is het besef dat oorlog niet ophoudt bij het sluiten van vrede, dat voor verwerking van leed inzicht nodig is. Verwezen wordt naar de Tweede Wereldoorlog (o.a. de internering van Hollandse en Indische Nederlanders in Japanse kampen en de inzet van Nederlandse krijgsgevangenen aan de beruchte Birma Spoorlijn), de Politionele Acties, de coup van Soeharto in 1965 en de Vietnam-oorlog.

De compositie van respectievelijk 3-6-9-12-9-6-3 gedichten berust op de structuur van de Borobudur. Deze bekende Boeddhistische tempel, een boek met in steen uitgehouwen reliëfs ter lering en vermaak, staat in het midden van Java, dat op zich weer het geografisch centrale en belangrijkste eiland van de Indonesische archipel vormt. Indonesië wordt in de compositie van de bundel als het ware omarmd door de plaatsen die onderweg aangedaan worden door de hoofdpersonen, een ik met meereizende familie.

Van Albert Hagenaars (Bergen op Zoom, 1955) verscheen werk in Duitse, Engelse en Franse vertalingen. De Engelse vertaling Tropical Drift is van John Irons, die onder andere ook Bernlef, Claus en Komrij vertaalde.
zie ook het blogspot over Tropendrift

De pers over Tropendrift
‘Stilistisch vertoont Albert Hagenaars een opvallende voorkeur voor het kwatrijn. Zijn beeldspraak getuigt van een sterk poëische trefkracht.’ – Poëziekrant.

‘Waar Hagenaars ook over schrijft, of het nu gaat over het leven in grote Europese steden of over de vervreemding van het eigen verleden, telkens onthult zich een onvermoeibaar streven naar (her)formulering van de dichterlijke plaatsbepaling. En laat ik het onomwonden zeggen: Albert Hagenaars weet waar hij het over heeft, kent de wetten van het vers en laat zich niet verleiden tot klakkeloze opname in de oneigenlijke verzuiling van onze dichtersbent.’ – Vrij Nederland.

‘Het verwerken van sterk symbolisch geladen motieven en de ongewone, koele, soms zelfs sinistere beeldspraak verlenen de toon van deze poëzie iets obsessioneels en vaak iets intrigerends.’ – Prisma Lectuurvoorziening.

‘Taalstructuren die hun spanning ontlenen aan een geheimzinnige, moeilijk ontleedbare uitstraling. Taalbouwsels waarin als het ware het artistieke temperament van de dichter rechtstreeks werd neergeslagen. Dit neerslaan en uitstralen levert dan een poëzie op die niet in proza kan worden omschreven, maar wel sterk is en fascineert. Raadselachtig, verre van makkelijk, markant en mooi.’ – Brabantia.

‘IJle taalschetsen die intrigeren door hun opzettelijk tekort. De vorm is ook voor Hagenaars niet een vanzelfsprekend iets, maar een ding van buiten waarbij weerstand noodzakelijk is.’ – Haarlems Dagblad.

«De dichter onderneemt in diverse gedaanten zijn tocht door Zuid-Azië. Hij verplaatst zich in ouders en kinderen, soldaten en geliefden. Ook schrijft hij over de speciale band tussen moeders en zonen en die tussen vaders en dochters en het dwangmatige aspect daarvan. In de relatie van de ik met zijn oosterse geliefde is er sprake van een synthese. Het gaat dus om verplaatsingen in de meest ruime zin. Hij reist door de geografische ruimte. De tijd omvat behalve de duur van de reis ook het verleden, tijd vóór zijn geboorte. Daarbij verplaatst hij zich in mensen die hij leert kennen of hoort en leest in verhalen. Albert Hagenaars past dit toe op een niet-expliciete manier die intrigeert. Hij houdt het geheim in deze zeer consistente cyclus gevangen.
De levens van ouders hebben hun directe neerslag op die van de kinderen. En wij allen zijn indirect verbonden met de vele, vele mensen, die door de grote gebeurtenissen in de geschiedenis werden en worden getroffen. Steeds worden ook verhalen uit die geschiedenis herschreven, vervalst of verzwegen. Formules die de wereld willen verklaren, geven geen verklaring voor het leed. Sterk in deze poëzie is dat Hagenaars geregeld de fictieve gedaante benadrukt van de opgevoerde personages. Gelijk de ik een literair personage is. Zij zijn de uitkomsten van feiten, voorstellingen en vervalsingen. Dat maakte hen nog tragischer. Het ware kan niet worden achterhaald.» – Yvonne Né in BN/De Stem

«Zo blijkt de reis een tocht naar binnen. Naar het eigen leven, naar de eigen relaties, naar eigen emoties, inzichten, herinneringen en eerlijkheid. En daarmee is het niet altijd even goed gesteld. Verraad, onbespreekbare familiegeheimen, ontucht en landverhuizers op een zondige weg naar een volgende toekomst, dat zijn de betekenissen en associaties die deze goed geconstrueerde regels projecteren tegen het achterdoek van een exotisch en woelig verleden. Oorlog en geweld zijn de themas waar het in deze bundel om draait. De Jappenkampen, de Birmaspoorlijn, ook de oorlog in Vietnam en de coup van Suharto, maar al deze voorbeelden uit de menselijke geschiedenis worden niet uitsluitend aangehaald om te bewijzen hoe slecht het met de vooruitgang is gesteld. Ze bewijzen dat vrede geen zaken van staten is maar van mensen die tot inzicht zijn gekomen. Die geleden hebben en dat grote en het kleine persoonlijke leed verwerkt hebben.
Hagenaars wil met deze knappe gedichten ook internationaal erkenning afdwingen. Daarom is de bundel tweetalig, links steeds de fraaie Engelse vertaling door John Irons, rechts daaropvolgend het oorspronkelijke Nederlands.» – Camiel Hamans in Brabant Cultureel

«De bundel Tropendrift vormt de neerslag van een bedevaart door Zuid-Oost Azië en de Gordel van Smaragd. De tocht staat symbool voor de menselijke speurtocht naar harmonie. In de Borobudur, het boeddhistische heiligdom op het Indonesische eiland Java, vond Hagenaars een blauwdruk voor de structuur van Tropendrift. Bij de Borobudur passeer je al die reliëfs, vergelijkbaar met onze reliëfs, die op de computer staan. Maar op het hoogste punt, bij de bovenste stoepa, vind je niets, dat wil zeggen: geen godheid die aanbeden wordt. Tenslotte draait het om je eigen inzicht.» – Nick J. Swart in Brabants Dagblad

«In deze tweetalige dichtbundel (Nederlands en Engels) beantwoorden de tropen allang niet meer aan jongensachtige dromen van palmen, tempels en aapjes. Glas, staal en razend verkeer contrasteren met loerende ogen in het struikgewas, oosterse trots verzet zich tegen westerse hoogmoed. Vooral in het huidige Indonesië speelt het verleden van lang verzwegen familiegeheimen mee. Vaak wordt dat gesymboliseerd in de figuur van de vader: angstwekkend geniformeerd of met lieve kampogen. Op de Borobudur kan de wijsheid van de Boeddha de realiteit van afval en stank nauwelijks verhullen. Wat sterk overkomt, is de sfeer van dreiging en angst. Een verrassende bundel.» – Els van Geene voor Biblion (Nederlandse Bibliotheek Dienst)

«Bij Albert Hagenaars is het trouwens sowieso onduidelijk of hij het wel over zijn huidige zelf heeft, want hij torst immers meerdere zielen in de borst, getuige in mijn hoofd, waar de mannen die ik ben denken te slapen (uit De tempel van de poëzie I). Intrigerend is de vervlechting van heden en verleden, een procédé dat Hagenaars geregeld pakkend toepast. Albert Hagenaars staat ook garant voor beklijvende beelden als: Het meer te diep voor de zon. Jij voor mij en Ik was een jonge man en bevocht het niet en Toen ik vroeg naar vroeger en Het lemmet trilt na in de stam. Jij in mij en vooral het onvergetelijke het kwaad dat over de rand van de doopvont komt. De bundel is zo hecht gecomponeerd dat de gedichten amper op zich gelezen kunnen worden. Dat geeft het geheel een verhalend karakter. Je zou deze bundel kunnen lezen als een poëtisch reisverslag.» – Bert Bevers in Stroom (nr. 12, maart 2004)

E. de Haan – Ik belde mijn muze. Gedichten

ezra de haanE. DE HAAN
Ik belde mijn muze. Gedichten

Nederland / Poëzie
Paperback, 64 blz., 12,50
ISBN 90 6265 559 5
Alleen nog rechtstreeks te bestellen bij de uitgever

Het pogen intense gevoelens, het ‘woordloze’, te vatten in woorden is de essentie van Ezra de Haans poëziedebuut Ik belde mijn muze. Het gewoel en het gevecht in de menselijke geest krijgen hier een beeldende dimensie.

Relaties laten soms littekens na, maar telkens is er een zalving, die mooie taal waaraan een mens zich kan optrekken, de herinnering dat het mooi was, en het verlangen dat gekoesterd kan blijven. De Haans poëzie is niet beschrijvend of verklarend, maar laat plaats voor interpretatie.

Tegelijk is het plezier van de dichter om het spelen met de taal van de gedichten af te lezen. Het spelen is echter geen doel op zich, het heeft een functie: de melodieën en alliteraties zorgen voor sfeer; prachtige woordassociaties roepen beelden op en zetten vraagtekens die nopen tot herlezen. In die zin is deze poëzie verleidend: een minnaar die met mondjesmaat verleidt, die niet alles in een keer prijsgeeft, die indrukken achterlaat ter overdenking en die doet verlangen naar meer.

Eerder verschenen van E. de Haan (1957) in 1996 de vertelling Vonk (‘Een uiterst boeiend geschreven debuutnovelle over de eind dertiger Vonk die in een wat vroege midlife crisis geraakt,’ Biblion) en in 1999 de korte roman Kermis in de hel over één dag uit het leven van een boekhandelaar: ‘Deze dinsdag stapelen de ergernissen zich op tot een catastrofale climax. Ezra de Haan weet de beklemmende sfeer goed te vatten. Met het dichtslaan van het boek heb je het idee dat het allemaal nog wat langer had mogen duren.’ – Boom Pers

De pers over Ik belde mijn muze
«De nieuwe ontwikkeling in de poëzie wordt gekenmerkt door een breedsprakige zegging; een beroep op de straattaal met al haar trendy
uitdrukkingen; een lichamelijk gebonden beeldspraak; en een haast vanzelfsprekende aandacht voor het snijpunt van enerzijds de volslanke dagelijkse realiteit en anderzijds het intieme, soms intiemste domein.
Grootste gemene deler is het plezier waarmee het materiaal taal onder handen wordt genomen. Over de ruggen van de stromingen van de laatste veertig jaar heen doet het werk van de dichters Ezra de Haan, Tjitske Jansen en Mustafa Stitou denken aan dat van de Vijftigers, de gematigde vleugel om precies te zijn, zonder evenwel daardoor duidelijk beïnvloed te zijn.

Ezra de Haan (1957), die pas in 1996 debuteerde, is een interessante exponent van bedoelde groep. Eén van zijn beginregels, Ik zal woorden voor je kneden, heeft programmatische kracht. In Ik belde mijn muze is zijn taal weliswaar kariger dan dat van de meeste anderen, maar door zijn tekstuele koprollen en hinkstapsprongen krijgen de gedichten een veel grotere interactie dan je op basis van het aantal woorden zou vermoeden. De Haan is op z’n best als hij de lezer van regel tot regel bijstuurt, en even zo vaak weet te verrassen: Geen hond zit als een mens / En toch zit ze zo: / Een als mens vermomde hond / Zoals de wolf in ons / Maar dan zonder schaapskleren. Beide betekenismogelijkheden in de slotregel hebben geldigheid. De hond komt als motief overigens op veel plaatsen terug in het boek, soms in komische combinaties: De luim van God komt mij voor / Als de muil van een dog: fel, vol lef / Dat wel. Melk alles uit, maar sta klem / Ik snak naar een kans, ratel over later / Maar leed valt mij ten deel. De in de Nederlandse poëzie weinig populaire palindromen kunnen hun geluk niet op met De Haan!» – Haagsche Courant, 2004

Meer over E. de Haan bij In de Knipscheer

Chawwa Wijnberg – Echo van de roos

chawwa wijnbergCHAWWA WIJNBERG
Echo van de roos

Nederlands / Poëzie
Ingenaaid, 80 blz. 13,50
ISBN 90-6265-552-1
Eerste druk 2003

De verhuizing van Chawwa Wijnberg enkele jaren geleden van Midden-Nederland naar Zeeland lijkt een nieuwe ontwikkeling in haar werk te hebben losgemaakt. Waar haar blik eerst vooral naarbinnen was gericht – naar haar leven, haar verleden en de sporen daarvan in haar omgeving – richt die zich nu met Echo van de roos naar buiten, op Zeeland. En als een kind ziet ze de schoonheid van het alledaagse, de rust van de stad waar ze de stadsdichter van mag zijn: Middelburg. Chawwa Wijnberg toont doorkijkjes, frietkotten, grachten en parken. Oude pijn lijkt draagbaar door de vreugde die ze in Zeeland mag beleven.

Chawwa zou Chawwa niet zijn als ze niet kritisch om zich heen bleef kijken: ze volgt de wereld en reageert op dat wat er gebeurt. En zo wisselen liefdesliedjes en stadsoden elkaar af maar is er ook ruimte voor de elfde september, de wandelende jood of het eigen ego. Deze zo van elkaar verschillende onderwerpen vormen een eenheid in Echo van de roos waarmee Chawwa Wijnberg door het precies gekozen detail, de liefde voor het kleine aandacht geeft aan datgene waaraan anderen voorbijgaan.

Chawwa Wijnberg (1942) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij was als joods kind een onderduikkind. Haar vader zat in het verzet en werd in de oorlog door de Duitsers gefusilleerd.
Zij debuteerde in 1989 met Aan mij is niets te zien. “Het niet-doordeweekse debuut van een authentiek dichteres” (Standaard der Letteren). In 1993 verscheen Handboek voor de joodse kat, waarover Poëziekrant schreef: “Een van de opmerkelijke dichteressen uit de Nieuwe Wilden. Deze bundel bevestigt haar talent. Kenmerkend voor haar poëzie zijn de weerbaarheid en de humor.”
In haar derde bundel Matses en monsters (2001) vindt Wijnberg de woorden om te beschrijven wat overlevenden van de holocaust nog dagelijks ervaren. “Zang en dans dus, tot op de laatste bladzijde. De poëzie van Chawwa Wijnberg is onontkoombaar uitnodigend. Wie haar leest gaat met haar mee op reis” (Paul Gellings).

Begin dit jaar werd Chawwa Wijnberg voor 2003 benoemd tot stadsdichter van Middelburg. Als dichter trad zij inmiddels vijf keer op in de Nacht van de Poëzie.

De pers over Echo van de roos
“CHAWWA WIJNBERG is van 1942. Voor de meeste mensen een jaar als zoveel andere, maar niet voor haar, voor het meisje dat alleen als onderduikster de oorlog kon overleven. Zestig jaar later is het nog altijd 1942. Haar geheugen zorgt dat het vandaag gewoon gisteren is. Nooit, nooit gaat de oorlog meer over. Van die obsessie getuigt ze in haar poëzie in Echo van de roos. Dit is Chawwa Wijnberg op haar best, in meer dan één opzicht herinnert ze aan Judith Herzberg. Woorden ter bezwering. Woorden om met het verleden in het reine te komen. Woorden die een beklemmend beroep op de lezer doen: ‘De echo van de roos/wandelt als de jood voorbij/was ze er ooit/en waar was jij.'” – uit: Provinciale Zeeuwse Courant

“Een ware taalkunstenares is Chawwa Wijnberg. Je ziet haar in sneltreinvaart, van bundel tot bundel, veranderen en zichzelf onverwisselbaar trouw blijven. Hier ligt de nadruk op het luchtige en het exotische. Toch is het niet allemaal zo lieflijk als het wellicht bij eerste lezing lijkt. Want wie Echo van de roos leest, moet er rekening mee houden dat doornen ook hun echo hebben en dat deze poëzie ontegenzeglijk bijtende kanten heeft. Zoals tederheid en een donkere humor elkaar afwisselen, zo wisselen ook het rijm en het vrije vers elkaar af, wat niet betekent dat wat niet rijmt niet zingt. Er zijn zelfs gedichten waarin het metrum de suggestie van rijm wekt en daarin schuilt het hart van de poëtica van Chawwa Wijnberg: zingende taal. Hier is iemand aan het woord die zonder zelfherhaling steeds authentieker wordt en daarvan steeds meer laat zien in gedichten die geen moment vervelen.” – uit: Paul Gellings in NIW