«Birney’s felle polemiek laat zien dat de canon van de Nederlands-Indische literatuur getuigt van ‘blanke arrogantie’ jegens de Indo.» – Kester Freriks

DubieuzenOver De dubieuzen van Alfred Birney in NRC Handelsblad, 11 -05-2012:
In het essay De dubieuzen spreekt hij zijn verbazing uit over de zo westers georiënteerde Nederlands-Indische canon. Altijd weer Multatuli, Couperus en Orpheus in de dessa van Augusta de Wit met de blanke visie op de inlanders die vol geheime krachten en bijgeloof zouden zijn. Birney pleit voor onbekend gebleven schrijvers die, meer dan welke Nederlandse auteur ook, een anti-westers vertelperspectief kiezen. Ten onrechte vergeten auteurs als Victor Ido, Délilah en J.E. Jaspers verdienen aandacht.

Lees

Alfred Birney voltooit met Rivier de Brantas zijn rivierentrilogie. Door Kester Freriks.

Rivieren75RGBEr stromen veel rivieren door de Nederlandse literatuur. Brede, trage rivieren, omzoomd door populieren, rivieren die overstromen, rivieren die dreigend klinken met „de stem van het wassende water”. Maar niet eerder verbond een auteur een Nederlandse rivier, de IJssel, met de Schotse rivier de Lossie en vervolgens met de rivier Brantas, de langste rivier van het eiland Java.

Schrijver Alfred Birney (Den Haag, 1951) komt de eer toe een reeks van drie samenhangende novellen te hebben geschreven waarin zijn proza vloeit als de beschreven rivieren zelf: een kalme Hollandse rivier, de wildere Schotse en de intrigerende Indonesische rivier. In het Indonesische leven spelen rivieren een cruciale rol, zoals hij schrijft in het laatste deel van zijn drieluik, Rivier de Brantas. ‘Kali’ is de Indische benaming voor een rivier, het is de levensader van miljoenen mensen. In Indonesië wonen armen mensen aan een rivier; in Nederland de rijken.

Birney’s moeder is een Nederlandse. Zijn vader komt van Surabaya, is een Indische-Nederlander met Nederlandse, Oost-Javaanse, Chinese en Schotse wortels. Die complexiteit van Birney’s roots is het bindende thema van de drie novellen die je evengoed kan lezen als een grote roman met drie hoofdstukken. In alle drie de novellen is de hoofdpersoon een muzikant, een gitarist en zanger van verstilde liederen. Hij treedt zelden op de voorgrond, blijft een begeleider. In Rivier de Lossie (2009) is de folkgitarist op zoek naar zijn Schots-Aziatische voorgeschiedenis. Hij begeeft zich in het woeste berglandschap en aan de oever van de onstuimige Lossie, omsloten door het grijze leisteen van de flanken, komt hij in aanraking met een betoverend mooie vrouw. Hij meent haar te herkennen. Is zij de vrouw uit een van de balladen die hij ooit heeft gezongen? Komt een verzinsel tot leven?

Dit is een kenmerkend gegeven voor Birney’s proza. Fictie en werkelijkheid, een bezongen vrouw in de liedkunst en een echte vrouw komen samen, wisselen elkaar op prachtige wijze af. In Rivier de IJssel treedt opnieuw een muzikant op de voorgrond: hij droomt van een wilde nacht met een zangeres. Maar opnieuw slaat de verbeelding toe: er is een dubbelganger in het spel die op onthullende en verontrustende wijze aan de muzikant zijn koloniale verleden onthult.

Dan nu, de derde novelle: Rivier de Brantas. Opnieuw werd ik gegrepen door de knappe wijze waarop de auteur speelt met liedkunst en werkelijkheid. Hoofdpersoon, opnieuw een naamloze gitarist, neemt als muzikant de plaats in van zijn vriend op een ambassadefeest in Jakarta. Hij komt terecht in een sfeer van ex-pats, van mensen met herinneringen aan de koloniale periode, van bedienden met hún eigen herinneringen. Hij ontmoet een vrouw, opnieuw; Myra heet ze en ze is ook muzikante. In de studio van een bevriende muzikant laat hij een loflied op zijn grootmoeder opnemen. Zij is van Chinese afkomst, hij geeft haar een lievelingsnaam, Mother Swan. In werkelijkheid heet ze Sie Swan Nio; ‘Nio’ betekent ‘meisje’, de achternaam staat vooraan volgens de Chinese gewoonte, dus moet ze Swan heten.

Zij is voor de ik-figuur een onbekende, de mysterieuze vrouw van Java. Haar portret siert de schoorsteenmantel van het ouderlijk huis. Tussen grootmoeder en kleinkind bestaat er een indringende band. In tijden van liefdespijn en eenzaamheid waakt zij over de jongen. Als hij op een nacht afscheid neemt van zijn geliefde, dan staat zij op de straathoek en slaat hem gade. Soms meent hij zelfs haar lichte, gewichtloze voetstap op zijn bed te voelen. Ze zou geboren zijn in 1893, in Kediri op Oost-Java, maar uit de acte der erkenning uit 1925 is te reconstrueren dat ze in 1890 moet zijn geboren. Dat maakt meer verschil dan de argeloze lezer denkt: 1890 is in China het jaar van de Tijger, 1893 het jaar van de Slang. Is een vrouw een Tijger, dan is ze een geboren feminist. Is ze daarentegen Slang, dan is ze geheimzinnig en sensueel. Niet voor niets gaat de voorkeur van de verteller uit naar 1893, het jaar van de Slang.

Eenmaal op haar spoor gekomen reist de ik-persoon door naar Kediri, een stad aan de voet van de vulkaan de Wilis. In de koloniale tijd werd hier vooral suiker verbouwd. Kediri ligt aan de rivier de Brantas, waarin een witte krokodil leeft die nooit door iemand is gezien. Dit dier is de opmaat tot het slothoofdstuk, waarin aan de ik-persoon wordt verteld te blijven geloven in de raadsels en geheimen van het land.

Birney’s boek is opgebouwd uit 50 korte hoofdstukjes, waarin heden en verleden worden afgewisseld. Het is ongelooflijk hoeveel verschillende aspecten van het koloniale verleden Birney oproept. Zijn novelle van nog geen honderd bladzijden zou evengoed een roman fleuve kunnen zijn van vele delen.

De vaderfiguur is een slachtoffer van de politionele acties en heeft aan die periode trauma’s herinneringen overgehouden. De Japanse interneringskampen komen voorbij, evenals de complexe Bersiap-tijd waarin Indonesische onafhankelijkheidsstrijders, de Japanse bezetter én de Nederlanders een tamelijk onontwarbare kluwen vormen. Op elke bladzijde komt het koloniale verleden aan de orde in treffende details. Sinds de dood van de grootmoeder rust er een vloek op de familie, een vloek die de kleinzoon voorgoed weg wil wissen. Maar dat blijkt onmogelijk. Als hij eenmaal aan het graf van zijn grootmoeder staat, begraaft hij zijn sandalen aan haar voeten. Volgens de moslimtraditie getuigt dat van weinig eerbied, maar de hoofdpersoon ziet er een fraaie geste in. Anderzijds: hij beseft ook dat het bloemen hadden moeten zijn.

Dat het koloniale verleden nog steeds doorwerkt in het heden, lijkt het werkelijke thema van dit boek te vormen. Niemand kan zich losmaken van vroeger, dat bewijst Birney op elke bladzijde. En Rivier de Brantas bewijst zijn kracht op paradoxale wijze: de hoofdpersoon is obsessioneel op zoek naar bevrijding en tegelijk raakt desondanks steeds dieper verstrikt in het verleden. Aan het slot komt hij, de zingende gitarist, dat hij niet meer moet willen weten. Hij moet zingen. Hij moet zingen over de zaken die je niet kunt begrijpen. Aan het toch al schitterende juwelensnoer van de Nederlands-Indische literatuur heeft Birney drie parels toegevoegd.

Eerder verschenen in EAST! zomer 2011 www.eastmagazine.nl
Kester Freriks schrijft behalve voor EAST! ook voor NRC-Handelsblad www.kesterfreriks.nl
Dit artikel is met toestemming van de betrokkenen op deze site geplaatst.